Ze deden een plas

Aan het einde van de zaterdagmiddag zit Lou met Henk, zijn klaverjasmaat aan hun vaste tafeltje in een buurtcafé. Henk laat hem foto’s van zijn kleinzoon zien, een jonge kleuter in een piepklein broekje. Hij vertelt over zijn zwemles.
‘Hoe oud is die hummel nu helemaal?’ vraagt Lou. ‘Dat kind is er bij lange na niet rijp voor.’ Hij vindt het opjutten van kleintjes maar modieus gedoe. Henk zucht.
‘Als ik dat zeg, dan krijg ik ruzie met mijn zoon.’ De uitbater van het café zet een schaal borrelhapjes voor hen neer. Henk veegt een bitterbal door de mosterd, Lou doopt een vlammetje in rode saus.
‘Maandag jaarvergadering van de klaverjasclub,’ zegt Henk. Lou veert op, de hele week heeft die al door zijn hoofd gespookt. Hij heeft bedacht om er actief aan deel te nemen.

‘Ik heb een waslijst punten,’ zegt hij. Henk kijkt hem aan.
‘Om te beginnen wordt de club te groot.’
‘Dat moet,’ zegt Henk. ‘Anders hebben we geen geld.’ Hij vertelt over een vereniging die bij gebrek aan leden ten onder is gegaan. ‘Wat denk je dat een toernooi kost?’ vraagt hij.
‘Met een fles wijn en een reep chocola als prijzen? Daar worden we niet arm van,’ antwoordt Lou, en wilde dat zijn stem wat minder snerpte.
‘Vergeet die rondvaart niet die we met de club hebben gemaakt,’ zegt Henk. Lou krijgt het warm.
‘Dat hadden ze bar slecht georganiseerd,’ zegt hij.
“Zo’n uitje schept een band.” Het is of Lou naar een bestuurslid zit te luisteren in plaats van zijn kompaan. Een andere vent dan Henk zou hij bij zijn geruite boord hebben gegrepen, hem toeroepen: Man, denk toch zelf eens na! Maar niet bij Henk, tijdens hun zaterdagse borrel.
‘En het spelniveau dan? Moeten we daar niet wat van zeggen?’ Lous lijst met tips en tops voor het bestuur is nog bij lange na niet klaar.

‘Ik bemoei me er niet mee,’ zegt Henk. ‘Als we die bestuurskliek tegen hun schenen schoppen, dan stappen ze op. ‘Ik zou niet …’ Uit de speakers galmt: I’m so lonely. Gasten wringen zich voor hun tafeltje langs.
‘Wat zeg je?’
‘Ik zou niet zonder mijn klaverjasavondje kunnen.’ Daar is Lou het hardgrondig mee eens, en staart naar een eenzame wandelaar op het schilderij boven Henks hoofd.
‘Zo verandert er dus nooit iets,’ zegt Lou. Hij peilt de diepte van zijn flesje. De punten op zijn wensenlijst verdwijnen in het niet.
‘Daar proosten we op.’ Henk heft zijn pilsje, klinkt met Lou: ‘Ze dronken een glas, deden een plas en alles bleef zoals het was.’

Tegen negenen opent Lou zijn voordeur. Binnen is het donker, stil, en koud. Hij verheugt zich nu al op de maandagavond, het samen klaverjassen in een lichte, warme zaal. De jaarvergadering hoeft van hem niet meer.

 

Dit bericht is geplaatst in horeca, vrienden. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.