Van een roeivereniging in Nantes

Aan de telefoon Jean-Pierre, Lucs maatje van een roeivereniging in Nantes, waar hij een jaar studeerde. Met zijn oude Franse vriend bedenkt Luc plaats en tijd van een reünie.
‘In april komen de jongens eindelijk eens bij ons,’ zegt hij tegen zijn vrouw, Molly.
‘Waarom niet weer in Frankrijk?’ vraagt ze. Haar hart klopt in haar keel.
‘Bij Jean-Pierre is het te druk.’ Een tweede maat is net verhuisd, een derde heeft een vrouw die met haar heup tobt. ‘Ze zijn nog nooit bij ons geweest!’
Molly vreest de troep, de drukte, en dat ze elkaar voor de voeten zullen lopen in hun flat. Maar Luc wil van geen wijken weten.
‘Nou goed dan,’ zegt ze. ‘Als iedereen een handje helpt.’ Luc zegt:
‘Natuurlijk lief, dat komt in orde.’ Het vooruitzicht van al die mannen in haar huis blijft Molly desondanks benauwen.

 

De veteranen arriveren. Hun buikjes zijn alweer gegroeid, hun wangen hangen lager, hun nekvel ruimer. Ze doen de hartelijke groeten van hun vrouw.
‘Ze gunt me graag een paar dagen vakantie,’ zegt de een na de ander. Die vrouwen hebben het goed voor elkaar, denkt Molly. Veel beter dan ik.

De maten borrelen uitgebreid, tafelen de hele avond. Luc is druk in gesprek, en Molly buigt zich naar Jean-Pierre. Net vraagt ze in haar beste Frans:
‘Wil je me even helpen?’ of Luc sist:
‘Laat nou Mol, dat doe ik straks toch.’ Maar het wordt laat. Voordat Luc ertoe komt, valt hij in diepe slaap. ‘s Ochtends ruimt hij mopperend de vuile vaat in de machine, zij dekt met oud servies. Het doucheputje stroomt over, een van de gasten dweilt met handdoeken het water uit de gang. Ze hoort Luc zachtjes vloeken. De mannen rekken het ontbijt tot aan de koffie.

‘Lunchen jullie maar buitenshuis,’ zegt ze poeslief. Met toegeknepen keel ziet ze dekens en lakens in hopen op de bedden in haar huis, pyjama’s op de grond, kleren op stoelen, over deuren, remsporen in de plee. Molly’s ogen prikken. Eén ziel in haar gedachten noemt Luc een lapzwans, haarzelf een suffertje dat over zich laat lopen. Een andere ziel of stem – of is ze het zelf- zegt: Die Fransen hebben het hier voor het zeggen. Ze schudt het van zich af.

‘Gezellig,’ zegt Molly, als de heren er weer zijn. Met opgeruimd gemoed zet ze een aperitief op tafel, dat tot het avondeten duurt. Ze bespaart Luc de vraag ‘Kook jij vanavond?’, en laat het bij:
‘Eten we buitenshuis, of laten we iets komen?’ Voor een digestief loopt Molly gearmd met twee Fransen naar een naburig bruin café, en maakt er als een jonge meid een dansje. In de late uurtjes laat ze zich tussen Jean-Pierre en Luc onvast naar huis toe tronen. Ze ploft op bed, Luc doet haar schoenen uit. Van Molly mogen ze nog dagen blijven.

Dit bericht is geplaatst in huwelijk, thuis, vrienden. Bookmark de permalink.

2 reacties op Van een roeivereniging in Nantes

  1. Mies Huibers schreef:

    Heerlijk stukje. Het blijft genieten. Het lezen van je stukjes bedoel ik hè.

  2. Margot schreef:

    Beste Mies, veel dank voor je reactie. Heel leuk om te horen dat je steeds mijn stukjes leest. Ga er vooral mee door, dat geeft weer nieuwe inspiratie voor het schrijven.
    Hartelijke groet, Margot

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.