Ze zet de tuindeuren wijd open

Boven Marleens hoofd klinkt ritmisch bonken -rennende voeten-, geschreeuw. Haar man Wil kijkt uit zijn boek op, zijn gezicht betrokken.
‘Kunnen die koters verdomme niet gewoon lopen?’ Nu eens klaagt Wil over muziek van boven of opzij, dan zijn het vliegtuigen of auto’s buiten. Marleen vraagt:
‘Moeten we niet naar Drenthe terug?’ Daar komt haar man oorspronkelijk vandaan.
‘Nou ja, ach.’ Wil frunnikt aan zijn kin. “Zo’n last heb ik er ook niet van.”
‘Mopper dan niet,’ zegt ze. ‘Doe er liever iets aan.’
Wil pruttelt wat, leest verder in zijn boek.

 

Een week later, wanneer Marleen van Jumbo komt, treft ze Wil lezend in de huiskamer, zoals altijd. Het is er warm, ze zet de tuindeuren wijd open. Haar kleine buiten staat vol met geraniums, phlox, sedum en siergrassen.
‘Wat een kabaal.’
‘Dat heb je hier nu eenmaal,’ zegt ze. ‘Er is altijd lawaai. Wil je echt niet naar het oosten terug?’
‘Die herrieschoppers verderop verhuizen wel een keer, de kinderen hierboven worden vanzelf groot.’ Hij schikt zich er zolang wel in, zegt Wil, hij blijft wel binnen.
‘Binnen zitten met mooi weer?’ De haartjes op haar armen staan recht overeind. ‘Dat lijdzame gedoe, los het nou toch op.’

Oude vrienden van het stel, die nog in Drenthe wonen, mailen: Kunnen jullie misschien op onze katten passen, wanneer wij op vakantie zijn?
‘Dan kan je meteen zien hoe het bevalt om daar te wonen,’ zegt Marleen.
‘Lekker rustig,’ bromt Wil.
Zie je wel, denkt ze, hij is er echt aan toe.
Alleen, Wil gaat net die week op Tessel wandelen met een vriend.
‘Dan ga ik er wel in mijn eentje heen,’ zegt Marleen. Dan kan ze het zelf ervaren.

De woning van hun Drentse vrienden wordt links en rechts begrensd door andere huizen met een tuin. Een maatje groter dan in Amsterdam, er klinken motormaaiers. Ze hoort er evengoed muziek, en ’s avonds ruikt het er naar barbecue, net als bij haar thuis achter. Daar komt nog bij dat Marleen overdag al snel is uitgekeken op het plaatselijke Kruidvat, de Blokker en de kleine kruidenier. En dat ze voor ander vertier zowat een uur moet fietsen. Na twee dagen al mist ze haar Amsterdam.

Op de weg terug naar huis staat haar beslissing vast: ze gaat voorlopig niet verkassen. Naar ze hoopt, stelt de uitslag van haar missie Wil niet al te erg teleur.
Eenmaal thuis in Amsterdam loopt Marleen haar woonkamer in, maar treft ze Wil er niet. Tot haar verbazing zit hij rustig te lezen in hun tuin, tussen flarden percussie, kinderstemmen en geblaf.
Ze roept, maar hij verroert zich niet, kijkt niet eens op. Er is toch niets met Wil? Ze sjort hem aan zijn schouder.
‘Huh, wat?’ Hij draait zijn hoofd opzij, zijn ogen glimmen. ‘Ben jij het?’
Ze buigt zich voor een kus.
‘Ik zit hier heerlijk,’ zegt hij nogal luid, en trekt iets uit zijn linker oor. ‘Oordoppen,’ zegt hij.

Geplaatst in huwelijk, reizen, thuis | Een reactie plaatsen

Die horen evengoed bij hem

Op zondagavond gaan Sam en zijn vrouw Addie een pizza eten met hun wandelclub. Wijzend naar zijn buikje, zegt een maatje:
‘Ik loop sinds kort bij de Weight Watchers.’
‘Dat zou voor Addie ook wat zijn, die is flink aan de maat,’ zegt Sam. Sluiks kijkt hij naar zijn vrouw schuin tegenover hem, verdiept in een gesprek.

De volgende ochtend aan het ontbijt leest Addie zwijgend haar krant, drinkt haar thee, lepelt haar eitje leeg in alle stilte. Het voelt als storm op komst.
‘We moeten het even over gisterenavond hebben,’ zegt ze. Volgens Addie praat Sam in elk gezelschap, bij elke feestje of visite over haar. ‘Iedereen die met jou spreekt, weet alles over mij.’
‘Ik klets toch ook over mijn huis, mijn poes, en mijn vakantie? Die horen evengoed bij mij.’ Zoiets zei hij haar eerder al.
‘Ik ben geen achtergrondbehang, of meubilair’ zegt Addie.
‘Dat niet,’ zegt Sam. Maar Addie is hem net zo eigen, even nabij. Hoe moet hij haar dat zeggen?
‘Als ik mijn naam de hele tijd hoor noemen, ben ik voortdurend op mijn hoede,’ zegt Addie.

Zoals al vaker belooft Sam beterschap. Ze ruimen af, Addie vertrekt naar gymnastiek, Sam loopt nog even naar de buurman. Die had hem gisteren verteld over een nieuw soort dimmer.
Tijdens zijn praatje met zijn buur kost het Sam alle moeite om Addie niet te noemen. Bij een verjaarsvisite twee dagen later, floept hij het er weer uit voor hij er erg in heeft:
‘Addie snurkt als ze op haar rug ligt.’ En: ‘Addie haat mobiele bellers op de fiets.’
Addies blik bewolkt, Sam vreest onweer en bliksem. Naast haar op de fiets naar huis begint hij er zelf maar over:
‘Het lukt me niet,’ zegt hij. ‘Ik raak totaal gespannen.’
‘Als ik over mezelf vertellen wil, doe ik het wel. Niet jij.’

Sam spreekt er ernstig over met zijn beste vriend, niet voor het eerst. Die zegt:
‘Probeer dan eens iets ongewoons. Je zou bijvoorbeeld kunnen doen alsof het over iemand anders gaat. Over je zus, je schoonzus, of desnoods je broer. Nabij en toch veraf.’
Een steen valt van Sams borst. Tijdens de lunch stelt hij het aan Addie voor.
‘Onze schoonzus zien we bijna nooit.’
‘Dus zet je haar te kijk in plaats van mij?’ vraagt Addie. ‘Wat lost het op?’ Maar goed, voor een keer kon geen kwaad.

Op een partijtje met oude studievrienden zegt Sam ‘mijn schoonzus’ waar hij Addie bedoelt. Het is een feestje naar zijn hart. Als Addie tegen twaalven buiten haar fiets losmaakt, en Sam binnen zijn jack staat aan te trekken, tikt de gastheer hem op zijn schouder. Hij sist Sam toe:
“Waar ben je nou mee bezig, man? De hele avond is het ‘mijn schoonzus’ voor, ‘mijn schoonzus’ na. Je lijkt verdomme wel verliefd.”

Geplaatst in feest, huwelijk, liefde, thuis, vrienden | Een reactie plaatsen

Zij kunnen ook wel eens wat doen

Linda’s moeder vertelt over verf, vloerbedekking, haar bed achter een wandje.
Linda luistert met een oor, het andere volgt het journaal op de tv voor haar. Ze heeft haar moeder al zo vaak gevraagd haar niet tijdens het nieuws te bellen.
‘Van de oude slaapkamer maak ik een werkkamer,’ zegt moeder, tussen het commentaar door op Kim Jong-un, president van Noord-Korea.
‘O ja?’ Linda staart naar zijn bolle kop en naar de roze mond van Trump.
‘Bij het opruimen heb ik leuke foto’s teruggevonden, van vroeger, toen ik jong was.’ Zodra haar moeders stem afzwakt, zegt Linda:
‘Mam, ik hang weer eens. Ik moet nog eten.’
Haar moeders afscheidsgroet klinkt enigszins bedrukt. Dat zakt wel weer, denkt Linda. Maar als twee weken later moeder opnieuw belt, neemt Linda toch even de tijd.

‘Heb ik je al verteld over mijn uitje, dat ik met vriendinnen een weekje naar Terschelling ga?’ vraagt haar moeder.
Linda humt afwachtend.
‘Zou jij misschien voor de poes kunnen zorgen, en voor mijn planten?’
Ma denkt zeker dat haar jongste dochter niets te doen heeft. Zo kijkt ze altijd tegen haar aan.
‘Helpen mijn broer en zus toevallig ook?’
‘Die hebben het altijd zo druk.’
‘Ik niet soms?’
‘Wat doe je momenteel dan?’
Linda verkrampt. Denkt ma misschien dat ze zomaar wat zegt?
‘Gewoon, wat ik altijd doe, mam, gitaarles geven.’ Linda gaat niet voor de tiende keer uitleggen wat daarbij komt kijken. ‘Zij kunnen ook wel eens wat doen,’ zegt ze.
Ma belooft het hen te vragen, voor het weekend.

Linda is al een tijd niet in moeders flat geweest, het ruikt er naar nieuw hout, en verf. Onmiddellijk krijgt ze het benauwd. Alsof de lucht vergeven is van moeders eisen en haar wensen, waaraan Linda onmogelijk kan voldoen.
De gang naar de woonkamer is donkerrood geschilderd, er ligt vloerbedekking die ze nog niet kent. Aan de wanden foto’s van Linda’s broer en zus, met hun gladde tandpasta glimlach, bij hun afstuderen –zo ver heeft Linda het niet geschopt-, de promotie van haar zus, haar broers’ huwelijk. Bij Linda kwam het ook al niet van trouwen.

Ze aait de poes, geeft hem te eten in de kleine keuken, verschoont zijn bak. Met een gieter loopt ze door de woonkamer, waar ook haar moeders bed nu staat. In mama’s oude slaapkamer staan bloeiende planten. Links op een standaard ma’s oude gitaar -Linda wist niet dat ze die nog had -, oefenboeken op een standaard. Er hangt een reeks portretten van haarzelf, Linda, met haar ogen in spleetjes, haar mond in grimassen vertrokken. Linda met uitgestoken tong tegen haar moeder, een lange neus tegen haar vader en de hele maatschappij, die altijd om gelikte plaatjes vragen.
Eronder hangen foto’s van haar moeder, toen ze zo’n beetje net zo oud als Linda op de foto’s was, dezelfde bekken trekkend.

Geplaatst in familie, thuis | Een reactie plaatsen

In de nevel aan de overkant

‘Het moet maar uit zijn tussen ons,’ zegt Rick die middag tegen Fanny, sinds een halfjaar zijn vriendin. Hij staat op. Zachtjes doet hij haar voordeur dicht, al zou hij liever smijten, wat zijn ouders deden als het weer eens bonje was. Zoals zijn ouwelui wil hij niet worden. Zijn hand nog aan de klink, zegt Fanny:
‘Zo gemakkelijk kom je niet van me af.’

Hij loopt de trap af, met in zijn hoofd een enkele gedachte: de liefde komt weer alleen van mijn kant. Beneden op de stoep dringen haar woorden tot hem door. Van haar af? Hoe komt ze er verdomme bij? Zij is degene die ver weg gaat wonen. Niet hij. Ze heeft dat zonder hem besloten. Maar verwijten maakt hij niet. Bij zijn ouders leidden die tot een knallende scheiding, hij vertrekt liever met stille trom.

Thuis drukt zijn afscheid zwaar op zijn hart en schouders. Rick krult zich in zijn stoel, kijkt met zijn kat op schoot naar een thriller op tv, The Bridge. In kleurige pixels op het scherm een Deense inspecteur, lover en collega van de Zweedse Saga. Hij houdt van haar, dat is glashelder. In vorige afleveringen zei de man:
‘Ik heb je nodig.’ Ze staarde hem dan zwijgend aan. In deze aflevering wordt de Deen geplaagd door zijn verleden, hij heeft het er erg moeilijk mee. Meestal kan hij Saga’s botheid heel goed velen, maar dit keer niet, hij zegt:
‘Je hebt geen greintje gevoel voor mij. Ga jij maar weg.’
‘Zeg dat nou niet,’ roept Rick naar Saga’s vent. Behalve poes is er toch niemand in zijn kamer die hem hoort. Maak het nou niet te bont, anders springt Saga voor de trein, denkt Rick. Zoals ze in een van de vorige seizoenen bijna deed.
Saga op de buis vertrekt geen spier, ijlings stapt ze in haar groene Porsche. De eindtune klinkt.

Met op zijn netvlies beelden uit The Bridge – rennende mannen, een mond met duck tape, Saga-, maakt Rick een ommetje, om zijn kop te legen. Na een kwartier loopt hij met loden benen weer zijn flatje in. Hij poetst zijn tanden, piekert over Fanny, en valt in slaap.
In zijn halfslaap staat hij ’s ochtends voor een onbewaakte spoorwegovergang. In de nevel aan de andere kant van de rails staat Saga. Verdrietig om haar lief die haar verstoten heeft, mompelt ze:
Hij denkt dat ik zonder hem kan, dat is mijn schuld. Niemand houdt het met me uit.
Bulderend nadert een trein, een claxon loeit. Wit weggetrokken zet Saga een stap naar voren.
Het is of Rick zijn Fanny ziet. Stop! roept hij. Niet doen. Ik houd van je.
De trein rijdt langs, en nog een, reizigers kijken uit de ramen, Saga – of is het Fanny?-is stokstijf blijven staan. Zwetend wordt Rick wakker. Onmiddellijk belt hij zijn vriendin.

Dicht tegen Fanny aan kijkt hij die avond met haar naar The Bridge.

Geplaatst in liefde, openbaar vervoer, thuis | Een reactie plaatsen

Aan hem zal het niet liggen

Na een verkering van twee weken noemt Ricks vriendinnetje zijn huis ‘een zwijnenstal.’
Uit vrees dat verder samenzijn in schelden en verwijten zal ontaarden, zoals bij zijn gescheiden ouders, met hun voortdurende geruzie, zegt hij:
‘Het moet maar uit zijn tussen ons.’
Na de eerste rozengeur en maneschijn zegt een ander:
‘Je bent gesloten als een oester.’
Rick concludeert meteen: de liefde hoeft wat haar betreft slechts van één kant te komen, de zijne.
‘Dan moet het maar uit zijn,’ zegt hij. Ook de genegenheid van volgende vriendinnen betwijfelt hij meteen, zodra hun meningen verschillen –tafelmanieren, studietempo. Voor hem is het dan over.

Bij een feestje ontmoet Rick de blonde Fanny.
‘Intelligent, en altijd lief en vrolijk,’ zoals hij na een week al tegen goede vrienden zegt. Voordat hij Fanny meeneemt naar zijn huis, maakt hij het grondig schoon, met haar aan tafel hoedt hij zich voor schrokken. Aan hem zal het niet liggen.
Ze praten over liefde, en over hoe eenvoudig je een ander van je af kan stoten. Fanny zegt:
‘Als ik soms bazig uit de hoek kom, moet je er wat van zeggen.’
Dat lijkt Rick erg riskant, denkend aan het huwelijk van zijn ouders. Hij laat het bij een binnensmonds gemompeld ‘nee.’

Weken verglijden, maanden evenzeer. Fanny noemt hem meer dan eens haar ‘schat,’ ze spreekt geen onvertogen woord. Rick kan het bijna niet geloven: Komt de liefde eindelijk ook van de andere kant?
Rick haalt zijn laatste tentamens, ook Fanny’s afstuderen nadert. Nog voor het zo ver is, solliciteert ze naar een baan. Na afloop belt ze.
‘Ik heb hem,’ roept ze. ‘Ongelooflijk, de eerste firma neemt me aan, na één gesprek!’
‘Wat heerlijk, ik kom onmiddellijk naar je toe,’ zegt hij.

Even later zitten ze in haar kleurig gestoffeerde kamer op haar tweezitsbank.
‘Vertel.’
‘Voorlopig moet ik in Zwolle werken,’ zegt Fanny. ‘Ik vond dat een bezwaar.’
Rick acht het onverkort een ramp, zijn borst voelt hol.
‘Maar dat is opgelost,’ klinkt haar stem opgewekt.
Zijn hoop vervliegt als ze vervolgt:
‘Ze geven me een vette premie voor verhuizen.’
Haar opgetogenheid vertedert hem altijd. Nu niet. Integendeel, Rick vraagt op vlakke toon:
‘Heb je het soms geaccepteerd?’
‘Natuurlijk,’ antwoordt ze. “Zo’n kans krijg ik nooit meer.”

Het ratelt in Ricks brein: En ik dan? Tel ik soms niet mee? Uitspreken doet hij niet, hij zou eens kunnen schreeuwen. Daar geeft hij onder geen beding aan toe.
‘Als ik daar woon, ben je in krap anderhalf uur bij me,’ zegt ze.
Hij hoort het al, ook deze liefde komt slechts van één kant, de zijne. Het moest maar afgelopen zijn.

Geplaatst in liefde, vrienden, werk | Een reactie plaatsen

Hij spelt de reisgids uit

‘Laten we dit jaar maar niet op vakantie gaan,’ zegt Ger. ‘Thuis valt genoeg te zien.’
Mies, zijn vrouw, is het er niet mee eens, zij wil er graag op uit. Met haar vriendin spreekt ze een weekje Rome af.
Ze koopt een gids. Ger leent er een -de bibliotheek is om de hoek-, vol levendig beschreven foto’s van reusachtige Romeinse pleinen, paleizen en musea. In gedachten ziet hij zichzelf er al, wat voor hem goed genoeg is.

Eind mei. Op Schiphol zwaait hij voor een laatste keer naar Mies, als ze richting douane loopt met haar kompaan. Hij fantaseert dat hij -net als zijn vrouw- zijn handen hoog houdt voor een scan, zijn handbagage van een band tilt. Opgelucht dat hem dat is bespaard, rijdt hij naar huis.

De dag erna fietst hij, alleen, naar centrum Amsterdam. Voor het Stedelijk, het Rijks en het Van Gogh krioelt het van toeristen. Mies staat nu vast ook in een rij, denkt Ger, zestienhonderd kilometer verderop.
Eenmaal weer thuis kookt hij zijn vrijgezellenpotje. Blij dat hij geen toeristenkost te eten krijgt –Mies wel. Voor het slapengaan ligt hij nog eventjes te lezen. Al mist hij Mies, toch prijst Ger zich gelukkig. Boven zijn hoofd geen kreunend hotelbed met een hitsig stel. Zoals die arme Mies wel moet verduren, daar twijfelt hij niet aan.
Dag na dag whatsappt Mies teksten als ‘Heel leuk,’ en ‘Geweldig,’ met foto’s van haarzelf op Spaanse trappen, voor het Colosseum, Pantheon en op de Via Appia. Tussen hordes toeristen met mobieltjes in de lucht, en een paar Italianen.

Na een week sluit Ger haar zachte lijf weer in zijn armen, drukt zijn lippen op de hare.
‘Wat fijn dat je er bent. Hoe was het?’
‘Heerlijk,’ zegt Mies. ‘En bij jou?‘
‘Ook,’ antwoordt hij. Gretig luistert hij tussen haar regels door of het echt wel zo leuk was.
‘Heel veel buitenlanders,’ zegt ze.
‘Hier ook,’ zegt hij. “Massa’s toeristen.”
‘We aten altijd een croissant voor ons ontbijt,’ zegt ze.
‘Die heb je hier toch ook?’
‘Daar heet het een cornetto.’ Koffie dronken ze aan een bar.
‘Zaten jullie dan niet op een terras?’ vraagt hij.
‘Dat was te duur.’
Ook Ger heeft in de binnenstad voor koffie met een stukje taart een tientje neergeteld. Daar hoeft hij niet voor naar het buitenland.
‘Om de andere straat staat wel een kerk, met plafonds in blauw en goud.’
Ger zou er snel op uitgekeken zijn.

‘Kijk,’ zegt Mies. ‘Nog een leuke foto,’ op haar smartphone.
Net zoiets als de rest, denkt Ger. Een fontein met marmeren mannen op een forse bilpartij, met stuk voor stuk een brede borst, spieren als kabels. Mies staat voor hun blote piemels breed te lachen. Hordes vreemdelingen om haar heen maken er selfies.
Gers hart klemt in zijn borst. Is die Italiaan links van haar -die met de grijze slapen-, niet dezelfde als op haar andere kiekjes?
‘Volgende keer ga ik weer met je mee,’ zegt hij.

Geplaatst in huwelijk, museum, reizen, thuis, vrienden | Een reactie plaatsen

Hij meldt zich online aan

Zodra hij met pensioen was, dacht Arnoud, had hij niet langer een agenda nodig. Eenmaal werkeloos en zonder plichten, zou hij onaangekondigd bij zijn oude buurman langsgaan, met zijn vriend Ger een praatje maken aan de telefoon, met een oud-klasgenoot gaan wandelen. Nu is het zo ver, Arnoud is gepensioneerd.

Hij belt bij zijn ex-buurman aan. Niet thuis. Hij belt Ger op.
‘Sorry,’ zegt Ger, ik ga net naar de bioscoop. Zullen we een afspraak maken?’
‘Morgen?’ vraagt Arnoud, een lege dag als al zijn andere.
‘Dan komen de kinderen, op dinsdagochtend tennis ik. Dinsdagmiddag misschien?’
‘Ik probeer het wel een andere keer.’ Arnoud had het zich terloopser en spontaner voorgesteld. Zijn ex-klasgenoot dan maar.
‘Morgen reis ik naar de Dolomieten, wandelen met mijn vrouw,’ zegt deze. Krap een week later vliegen ze naar Kopenhagen, waar hun oudste dochter woont. ‘Maken we alvast een afspraak voor erna?’
‘Bel maar een keertje als je er weer bent,’ zegt Arnoud, met tegenzin.

Voor hem ligt een zee aan vrije tijd. Hij doet zijn ochtendgymnastiek voor de tv, haalt boodschappen, oefent wat Italiaans uit een oud studieboek. Niemand komt onaangekondigd bij hem langs, niemand die zomaar opbelt.
Bij een ommetje langs het buurthuis ziet Arnoud een aankondiging hangen van 60+ gymnastiek. Hij meldt zich online aan.

Sindsdien gaat hij daar ‘s maandags om twee uur naartoe en woensdag om kwart over negen. De oefeningen gaan hem veel gemakkelijker af nu hij ze groepsgewijs uitvoert. In de kleedkamer vertelt een medesporter van zijn Italiaanse les.
‘Is dat niet iets voor jou?’ vraagt hij.
‘Niet gek,’ antwoordt Arnoud. ‘Thuis in mijn eentje komt het er vaak niet van.’

Voortaan volgt Arnoud met opgeruimd gemoed zijn groepsles Italiaans in de Kastelenstraat. Op een dinsdagmiddag om half drie kuiert hij er net naartoe, als hij zijn voormalige buurman tegen het lijf loopt. Die vertelt over zijn bridgeclub, die nieuwe leden zoekt.
‘Heb jij er misschien zin in?’ vraagt buurman. We spelen in Oost, vrijdags van twee tot vier.
Ook daar geeft Arnoud zich voor op.

Dat moet hij hoognodig eens aan Ger vertellen. Die zal versteld staan.
‘Wil je weten wat ik doordeweeks nu zoal doe?’ vraagt Arnoud.
‘Natuurlijk.’
Arnoud vertelt wat, waar, en wanneer.
‘Nou nou, een heel programma,’ zegt Ger. ‘Hoe krijg je het voor elkaar?’
“’s Avonds oefen ik,’ antwoordt Arnoud. ‘Grammatica, en ook bridgespellen uit een boek.’ Wanneer hij ermee klaar is, bekijkt hij een detective op tv. ‘Moe, maar voldaan.’

Op zo’n avond belt zijn oude schoolmakker op.
‘Wat heb ik je lang niet gesproken. Hoe gaat het met je?’
‘Heel goed,’ antwoordt Arnoud.
‘Ik wou je vragen voor een wandeling, voor morgen.’
‘Sorry,’ zegt Arnoud, en draait wat op zijn stoel. ‘Mijn dag zit al bomvol.’
‘Zullen we dan maar een afspraak maken?’
Schoorvoetend noteert Arnoud een datum en een tijd.

Geplaatst in vrienden, wandelen, werk | Een reactie plaatsen

Een loeiende sirene rijdt langs

Tijdens een feestje van zijn werk, gaat Addie zitten aan een tafel waar haar man, Sam met collega’s zit te praten. Ze hoort hem zeggen:
‘De mijne is ook behoorlijk jaloers.’ Wie weet wat Sam nog meer over haar geroddeld heeft, voordat ze aanschoof.
‘Hoe kom je er nou bij om dat te zeggen?’ vraagt ze in de auto terug naar huis.
‘Ach liefje, het kwam nu eenmaal ter sprake,’ zegt hij. ‘Het is toch zo?’ Thuis neemt hij haar in zijn armen.

Ze vergeeft hem, vergeten doet ze niet. Op dinsdagavond, na een koorrepetitie vertelt ze haar vriendinnen:
‘Dat soort dingen zegt hij over mij, tegen collega’s. Heus niet voor de eerste keer.’
‘Als mijn vent zoiets deed, zou ik apart gaan slapen,’ zegt haar ene vriendin.
‘Ze heeft gelijk,’ zegt de tweede. ‘Dan leert hij het vanzelf.’
‘Mijn idee,’ zegt vriendin Riny.

Addie knikt, en denkt er niet meer aan, totdat Sam en zij een etentje geven, voor vrienden. Eerst noemt Sam haar ‘dik’, en even later lacht hij hard, terwijl hij naar haar kijkt. Hij lacht me uit, denkt Addie, haar bloeddruk stijgt.

De gasten zijn vertrokken, Sam poetst in de badkamer zijn tanden, Addie trekt haar dekbed van het onderlaken af, propt haar kussen onder haar arm, en gaat in het logeerbed liggen. Vanuit hun slaapkamer roept Sam:
‘Addie?’ Zijn stappen naderen, hij knipt het licht aan. ‘Wat is er nou?’ vraagt hij smekend.
‘Je lacht me in gezelschap vierkant uit,’ antwoordt ze.
‘Hè toe nou, til er nou niet zo zwaar aan.’
Ze draait zich van hem af, hij sloft de logeerkamer uit.

Net goed, denkt ze. Dat zal hem leren. Bij de herinnering aan het gebeurde, slaat haar hartslag weer op hol. Ze doet haar yoga-ademhaling, ontspant de spieren van haar armen, benen, nek. De poes springt op haar bed. De kamer ruikt een beetje muf, ze zet een raampje open.
Een loeiende sirene rijdt voorbij, water van de buren borrelt in een buis in het plafond. Addie heeft het warm, begint te zweten. Ze draait zich op de ene zij, dan op de andere. Waarom ligt Sam hier niet, zij heeft zich niet misdragen. Zou hij daar in hun slaapkamer nu rustig liggen meuren? Vragen bespringen haar, in plaats van dat de slaap haar overmant.

Waarom laat ik in vredesnaam mijn oor naar koorvriendinnen hangen?
Naar Addie zich herinnert, had de ex van haar ene vriendin al tijdenlang geen zin meer –wat voor Sam niet geldt. Riny’s vent snurkt oorverdovend, en haar andere koormaatje woont apart.
‘Poes, je moet eraf,’ mompelt ze zuchtend. Behoedzaam pakt ze weer haar dekbed en haar kussen op. Ze sluipt haar slaapkamer in, schuifelt langs het voeteneinde, vleit op de tast haar beddengoed op haar matrashelft neer. Dan schurkt ze zich behaaglijk in haar eigen zachte nest.

‘Kon jij ook niet slapen?’ vraagt Sam plotseling in het duister, zijn hand raakt de hare.

Geplaatst in huwelijk, vrienden, werk | Een reactie plaatsen

Een ander noemt het Stenen Woud

Het klaverjassen is geweest, Rosanne loopt het zaaltje uit, de trap af naar de bar. Daar sluit ze achteraan de rij. Een van haar maatjes vooraan draait zijn hoofd, kijkt de rij langs, roept:
‘Nog iemand bier?’
“Ja’s” klinken, en ‘ik.’
‘Voor mij een spaatje,’ antwoordt Rosanne.

De barman reikt een blad met pilsjes aan, haar clubgenoot vooraan is ingespannen bezig om het aan te pakken. Rosannes spa staat er niet bij, haar gezicht verstrakt. Ze recht haar rug en even later loopt ze met haar flesje naar de tafel in het midden, waar op de maandagavond na de klaverjas de spelers nog wat drinken.

Een van hen vertelt net dat ze naar China is geweest.
‘Ik vier jaar geleden,’ zegt Rosanne.
‘Waar?’ Rosanne peinst: Waar was het nou, Xan-dit-of-dat? In het Chinees lijkt alles op elkaar. Ook andere klaverjassers zijn door China heen gereisd. Het terracottaleger hebben ze gezien, Beijing, een ander noemt het Stenen Woud.
‘Ja daar,’ zegt Rosanne.

Haar stem verpietert tussen die van anderen, die om het hardst lijken te roepen. Vervolgens zijn in het gesprek de kinderen aan de beurt, op maandagavond vaste prik. Rosanne heeft ze niet. De ene na de andere clubgenoot vertelt over hun studie, reizen, baan, hun partners en verloofdes. Foto’s met een bruid, de moeder van de bruid in nieuwe jurk gaan rond –‘Kijk daar sta ik’-, het gooien van de rijst.

Daarna de kleinkinderen, al evenmin Rosannes terrein. Nieuwe foto’s worden doorgegeven. Rosanne mompelt:
‘Mooi,’ en ‘Schattig,’ al ziet ze geen verschil tussen de baby’s. Ze peinst over een ander onderwerp. Zal ze haar kat eens laten zien, die vreselijk grappig naar een hond blaast? Te laat, net zegt haar overbuurvrouw al:
‘Mijn zus maakt haiku’s in haar vrije tijd.’
‘Draag er eens eentje voor,’ zegt iemand naast haar.
Met omfloerste stem declameert de vrouw drie regels over liefde en een traan.
‘Daar klinken we dan op.’

Iets in die geest heeft Rosanne ook paraat, haar hart gaat sneller kloppen. Naarstig scrolt ze naar de foto’s die broer Adri haar met een whatsapp heeft opgestuurd.
Spelers heffen het glas. Zodra men het dan aan de lippen zet, een ultrakorte pauze, zegt Rosanne:
‘Mijn oudste broer schildert.’ Tafelgenoten keren zich naar haar toe.
‘Laat eens zien,’ zegt er een. Rosanne geeft haar mobiel door met Adri’s schilderijen, zijn eiervormige gestalten, een serie met koeien. Glimlachend ziet ze toe hoe medeklaverjassers plaatjes bestuderen.
‘Exposeert hij?’
‘In zijn atelier.’ Alsof ze nog een troef uitspeelt, zegt ze meteen erna: ‘Mijn jongste broer speelt in een band. Hij neemt cd’s op.’
‘Wat een creatieve familie,’ zegt er een.
Rosannes borst zwelt. Een ander vraagt:
‘Wat voor speciaal talent heb jij?’
Rosanne denkt er ernstig over na. Wanneer ze dan ‘Ik kook heel lekker’ zeggen wil, is iedereen allang weer in gesprek.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Voor mij nu even niet

Tussen Rosanne en zus Elly is zo zoetjesaan de lucht wel opgeklaard. Over twee dagen is Elly jarig, Rosanne zal een kaartje sturen. Vandaag maar niet. Wanneer ze er te vroeg mee is, ligt er te veel de nadruk op. Morgen maar. Alleen heeft ze het dan te druk, denkt er pas ’s avonds aan. Rosanne denkt: Ik feliciteer haar straks op Facebook wel. Eerst moet ze iets voorbereiden voor haar werk, vervolgens wordt ze opgebeld, handelt dan zelf twee telefoontjes af, onmiddellijk erna gaat ze uit eten. Benauwd beseft ze ’s avonds laat dat ze de kans alweer voorbij heeft laten gaan. Misschien moet ze haar zus maar vragen voor de koffie of een lunch. Dan hoeft ze ook haar hoofd niet over een cadeau te breken. Voordat het zo ver komt, belt Elly zelf.

‘Ik had op je verjaardag van me willen laten horen,’ zegt Rosanne. ‘Om een of andere reden kwam het er niet van.’
‘Dat zit in de familie,’ zegt Elly. ‘Ik schuif ook altijd alles voor me uit. Zoals ophouden met roken, daar komt het ook nooit van.’
‘Als je het alsmaar uitstelt, stop je uiteindelijk vanzelf,’ zegt Rosanne.
‘Jij hebt makkelijk praten, jij bent nu eenmaal zonder zonden,’ zegt Elly.
‘Mij hoor je niet zeggen dat het makkelijk is.’ Haar eigen zonden houdt Rosanne liever voor zich.

De week erna treft ze haar zus voor de ingang van het Amstelpark. Het is er warm, bewolkt, er lijkt een bui op komst. Naast Rosanne kuierend steekt haar zus een sigaretje op. Ze lopen naar een café achter in het park, De Hop. Daar zitten ze op het terras, met uitzicht op een vijver met fontein, een groot gazon vol eenden. De lucht betrekt. Ouders met kleintjes maken zich uit de voeten.
‘Als de bui los barst, gaan we gewoon naar binnen, zegt Elly.

‘Wat wil je?’ vraagt Rosanne. ‘Ik trakteer.’ Elly kiest pannenkoek met kaas en gember, Rosanne een salade.
‘En een wijntje?’ zegt Elly. ‘Op ons weerzien.’
‘Voor mij nu even niet,’ antwoordt Rosanne.
‘Ben je nog boos?’ vraagt Elly.
‘Welnee.’ Zo lang duurt dat bij haar niet.

Ze praten over Elly’s zoon, hun broers, Rosannes klaverjasclub, bestellen koffie. Elly steekt er nog een op, en lust ook wel een glaasje. ‘Jij?’
‘Ik heb mijn spaatje nog niet leeg,’ antwoordt Rosanne.

Door de rododendronvallei, langs een Japanse tuin lopen de zussen naar de ingang. Rosanne pakt haar fiets, Elly haar auto. Het klaart alweer wat op, van regen komt het niet.
Thuis warmt Rosanne bami op van gisteren, en krult zich op de bank met Nicci French, totdat ze knikkebolt. Een warm besef trekt door haar heen, het is haar weer gelukt. Ze heeft het drinken weer een dagje uitgesteld. Straks is ze er vanaf.

Geplaatst in familie, horeca | Een reactie plaatsen