Het zoveelste gerucht

Als Pien dat wil, samen in één huis -met eigen kamers, alla. Als Pien dat werkelijk wil, dan moeten ze erachteraan.
Zijn vastberadenheid neemt toe sinds Roel zich weer gezinshoofd voelt. Al zal Pien hem zo niet noemen.
‘Zullen we meteen maar eens op Funda zoeken?’ vraagt hij.
‘Meen je dat nou?’ vraagt Pien. Ze hangt al om zijn hals, Roel meent het des te meer. Al is het niet eenvoudig, want – ga maar na- het waar en hoe moet samen worden opgelost: vloeroppervlak, indeling, prijs en ligging. Noem maar op. Hen tweeën kennende zijn ze daar vooralsnog niet over uitgepraat. Inmiddels gaat het leven gewoon door. Of wat ze in de afgelopen maanden als gewoon zijn gaan beschouwen.

‘Heb je dat al gelezen?’ vraagt Pien van achter haar krant. ‘Buitenlucht schijnt funest te zijn voor Covid.’
‘Hoezo?’
‘Bij het kleinste zuchtje wind schijnen virusdeeltjes weg te waaien. Ze kunnen zich daar in de gauwigheid niet aan een mens vastklampen. Zodoende is hun kans op voortplanting verkeken. En zijn niet wij, maar zij ten dode opgeschreven.’
Hij herinnert zich een boodschap uit het Witte Huis: bleekwater, dat was je van het. Fataal voor covid. Eén slokje en het virus was verdwenen. Je scheen het chloor zelfs in te kunnen spuiten. Het zoveelste gerucht.

Zodra Pien de krant neerlegt en in de badkamer haar tanden poetst, leest Roel het nog eens na. Dat van die luchtstroom heeft een arts uit Hong Kong onlangs onderzocht. Een gerenommeerde onderzoeker, zegt men. Ook een Nederlandse viroloog vindt veel voor diens bevindingen te zeggen. Roel vestigt er zijn hoop op.
‘Daar kan je tenminste wat mee,’ zegt hij als Pien zich weer gepoetst en opgemaakt vertoont. ‘De mensen die je graag wilt zien, ontmoet je voortaan buiten.’ In weer en wind, dat nou weer wel. In herfst en winter lokt dat niet. Roel ziet het voor zich: dik ingepakt, muts op zijn kale kop, buiten met vrienden van zijn strijkorkestje of met zoon Jos en partner. Straten verlaten, gure wind, striemende regen. In Roels achterhoofd knaagt twijfel. Het zal toch niet het zoveelste gerucht zijn dat uiteindelijk niet blijkt te kloppen? Verdorie, niemand weet ook maar iets zeker over dat corona.

Vandaag trekt in het ochtendblad een nieuw bericht Piens aandacht.
‘Heb je gelezen wat een of andere tandarts schrijft?’ vraagt ze. ‘Slechte mondhygiëne schijnt de spil te zijn in virusoverdracht. We hoeven allemaal alleen wat vaker ons gebit te poetsen.’
Roel humt wat. Inwendig haalt hij zijn schouders maar eens op. Opeens is Jan en alleman gerenommeerde viroloog.
‘Extra poetsen? Mij best,’ zegt Roel. Als hij maar niet met Glorix hoeft te spoelen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ze heeft hem verhuurd

Een kat? Pien toont zich niet erg enthousiast.
‘Nou ja, ik dacht maar wat,’ zegt Roel maar snel. Wat niet de hele waarheid is, om niet te zeggen ver ernaast. Wat Roel wel vaker overkomt.
Niet dat hij nou van liegen houdt, het is meer uit voorzichtigheid. Bij het minste weerwoord borrelt in hem op: ik hoop niet dat ze kwaad wordt of dat ik haar teleurstel. Waar haalt hij die onzekerheid vandaan, vraag je je af. Voer voor psychologen.

Ligt de oorsprong in Roels jeugd? Werd vroeger thuis geen tegenspraak geduld, geen eigen mening? Volgens een zielenkijker kan het aan van alles liggen. Misschien liet Roels huwelijk sporen na. Wellicht dat Anne zaliger hem beknorde wanneer zijn mening afweek van de hare. Of ligt het in zijn aard? In zijn gevoelige natuur, die Roel voor de muziek heeft voorbestemd. Wie zal het zeggen?

Roel leeft ermee, hij is nu eenmaal zo. Al zou hij soms heel anders willen zijn. Pien trekt het zich niet aan. Die vindt hem enig: niet star en niet lichtvaardig en zo meer. Deinst Roel soms voor de waarheid terug? Zij noemt hem ‘behoedzaam.’ Wat prettig klinkt en wat bij echtgenoten past. Laten die vooral hun wederhelft in gunstig daglicht zien. Immers, hun gade heeft hen daarom uitverkoren.
Wat zal Roel trouwens moeilijk doen op een moment als dit? Amper getrouwd, door Pien bedolven onder kussen, bijna gesmoord. Eerst Pien. Die kat wacht wel, daar kunnen ze het altijd nog over hebben.

De volgende avond. Na het achtuurjournaal eten ze hun toetje. Naar het advies van Els, hun diëtiste, tegen de trek in dik makende hapjes op een later uur. Pien zegt:
‘Wat ik me afvraag: Anne en haar zus hadden toch die flat hier in de buurt geërfd? Die van hun vader was. Haar zus beheert die toch?’
‘Zeker,’ antwoordt Roel licht verwonderd: waar gaat dit heen? ‘Op de Van Nijenrode weg, vlakbij het Amsterdamse Bos. We zijn er pas nog langs gefietst.’ Zijn schoonzus heeft hem mede namens hem verhuurd.
‘Die lijkt me van de buitenkant gezien behoorlijk ruim,’ zegt Pien.
‘Wat heet,’ zegt Roel. ‘Vier kamers. Die huurders wonen daar sinds jaar en dag voor een schijntje. Pas als ze weggaan kan de huur omhoog. Maar dat gebeurt voorlopig niet. Die blijven nog tientallen jaren.’
‘Ik moet er niet aan denken zo lang te moeten wachten,’ zegt Pien. ‘Dan ben ik in de tachtig.’

Roel ruimt de afwas in de vaatmachine. Onderwijl dringt zich een boodschap aan hem op die wel eens schuil zou kunnen gaan achter Piens plotselinge interesse. Spontaan plooit zijn mond zich tot een glimlach. Bedoelt ze …, denkt hij, zei ze  …, wil ze nou samenwonen?

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Scherm op zwart

De bruiloftsgasten strijken neer op het gemeentemeubilair nabij het Amstelveens stadhuis. Het kleine clubje lacht, snatert, wind in de haren, achtergrond van groen en water en passanten op de fiets. Het gesprek kaatst heen en weer, zingt rond, vertakt en levert allerlei verhalen op. Wat vroeger voor de crisis doodgewoon was, maar wat nu Roel vertedert en verheugt.

In Piens brievenbus vinden ze een stapel enveloppen: wenskaarten. Met afbeeldingen van bloemen, bruidsparen, huisjes met rokende schoorsteen en ‘Hoera, getrouwd!, Veel geluk!’ en ‘Een spetterend huwelijk!’ in vette letters. Net hebben ze er enkele gezien of Michael belt, uit Canada.

‘Pap, ik heb een link gestuurd om samen wat te zoomen.’ Het is nog een gedoe om het programma aan de praat te krijgen. De microfoon staat uit, die moet eerst aan. En Pien moet ook in beeld, niet Roel alleen. Het vergt aanwijzingen per telefoon, improvisatie en geduld. Ten slotte staat in Nederland Piens laptop vooraan op haar tafel en zit het bruidspaar een eindje ervandaan. In Canada zitten Roels zoon, schoondochter en kleinkinderen op hun tuigleren bank gevieren voor de lens. Ze beginnen.

‘Gefeliciteerd!’ klinkt het, wat ook de kleintjes accentloos kunnen roepen. Voor hun granny’s houden ze tekeningen op: een bruid met sluier in het wit en Roel in een zwart pak, bloemen en ballonnen. Dat aan de Nederlandse kant Pien een felroze jurkje draagt, Roel een goudbruin colbert, dat nemen ze voor lief. Er volgt een conversatie die klinkt als een orkest dat aan het stemmen is. Tot Michael vraagt:
‘Waar wonen jullie nu?’
Roel legt het uit met nadruk op het tijdelijk karakter.
‘Vanwege Covid-19 werkt iedereen nu eenmaal thuis.’
‘Jullie hebben toch geen haast met kiezen? Je wacht gewoon tot er kindertjes komen,’ zegt Alice, mondhoeken omhoog gekruld.
‘We zijn ruimschoots voorzien,’ zegt Roel.
‘In dat geval neem je een kat,’ zegt Michael.

In Piens huiskamer geniet het pasgetrouwde stel wat na, het scherm op zwart, de zon schijnt buiten nog, Michaels opmerking weergalmt in Roels gedachten. Een kat, denkt hij. Zo’n beest sjouw je niet heen en weer. En bovendien raakt die gehecht aan beide baasjes. Wat Roel een goede reden lijkt om in één huis in plaats van twee te wonen. Zoals nu eenmaal bij het huwelijk hoort. Al denkt zijn Pien daar anders over.

Pien heeft hem meer dan eens verteld hoe dol ze is op katten, wat voor hem ook zo’n beetje geldt. Dus waarom niet? Behoedzaam peilt Roel het kersverse echtelijk klimaat.
‘Pientje,’ zegt hij. ‘Wat Michael net zei, een kat nemen, lijkt jou dat eigenlijk wat?’ Hij speurt naar haar gezicht: klonk het terloops genoeg, niet al te sturend?
‘Dat was een grapje, Roel.’
‘Dat kan wel zijn, maar stel, wat zou jij vinden?’
‘Dat je een leuke vent bent.’ Pien zoent hem op zijn mond en wangen. Roel slikt zijn argumenten in, nu beter geen discussie.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

In hun geheel

Die nacht krijgt Roel het Spaans benauwd. Hoe stom kan iemand zijn? Virusdeeltjes zijn micro-nanoklein, ook de schoonste kapper sproeit die zo over je heen. Roel draait zich op zijn linker zij. Je hoeft maar even aan je nieuwe haar te voelen en je hand zit vol. Roel rolt naar rechts. Vervolgens krab je aan je oog, je veegt je mond af en hop ze vreten zich naar binnen. Een leger ongedierte lijkt hem te bekruipen. Rustig ademen nu, wees een flinke vent.
Om acht uur maakt Pien hem wakker.
‘Je sliep zo lekker,’ zegt ze.
‘Vannacht anders niet,’ zegt Roel met lodderige ogen.

Een haastig ontbijt. Opnieuw kust Roel zijn bruid in spé gedag en fietst hij naar zijn huis. Zo ook de dag erna. Hij dwingt zich niet elk kuchje als zijn laatste oordeel op te vatten. Normaal snotter ik ook wel eens, houdt hij zich voor. Als ik hard fiets, krijg ik een loopneus, met pollen moet ik altijd niezen. Het duurt nog dagen voor hij durft te denken: alles ruikt en smaakt me als gewoonlijk.  Zijn onrust zakt. Hij denkt er soms uren niet aan, soms een hele ochtend, vaak ontglipt het hem nog langer.
Ook zijn dagelijkse fietstochtje naar Buitenveldert voelt nu gewoon. Al blijft Roel het een raar soort thuiswerk vinden. Vanuit Piens huis gezien, waar hij nu woont, is het in feite buitenshuis. Maar prettig is het wel.

Intussen video-belt hij Giel. Niet dat zijn hele vriend in beeld komt, meer een soort pasfoto. Giel prijst hun snelle ondertrouw.
‘Zie je wel dat het ervan zou komen. Ik wist het. Veel geluk alvast met je aanstaande huwelijk.’
‘Onze kinderen treden als getuigen op,’ zegt Roel. ‘Jos voor mij en voor Pien haar dochter Esther. Heb jij soms zin om naar het stadhuis te komen? Piens beste vriendin is er ook.’
Natuurlijk doet Giel dat.
‘Je denkt toch niet dat ik het stiekem laat passeren?’

Dat ze gaan trouwen wordt in Roels gedachten steeds groter en gewichtiger. Ook een beetje spannend. Al weet hij niet zo goed waaraan het ligt. Het weekend voor de grote stap zegt hij tegen Pien:
‘We zijn nu voor het laatst nog vrijgezel.’
‘Je kan nog terug,’ zegt ze.
‘Geen denken aan,’ zegt hij.

’s Maandags de week erna staan vrienden en familie op gepaste afstand op het stadhuisplein wanneer Roel in feesttenue met Pien naar buiten loopt. Hun stortvloed aan confetti verwaait zo’n anderhalve meter in de richting van het nieuwe paar.
Buiten op het openbaar ameublement drinken ze met zijn allen wat,  alweer een eindje van elkaar vandaan. Het verheugt Roel ieder weer in zijn of haar geheel te zien. Zonder een beeldscherm dat hen inkadert, alsof stiekem de lockdown van iedereen een stukje afsnoept.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Geknipt en geföhnd

Meent ze dat nou van die latrelatie?
‘Maar Pientje,’ zegt Roel. ‘Thuiswerk is toch heel wat anders.’
Pien trekt een wenkbrauw op.
‘Laten we ermee stoppen als we straks getrouwd zijn,’ zegt hij.
‘Mij best,’ zegt Pien luchtig. ‘Dan neem jij je instrumenten en zo mee en stal je die hier thuis. Zoek alvast maar een plekje.’
‘Maar zolang de bibliotheek dicht is en de scholen, werk ik in Buitenveldert,’ gooit hij voorzichtig in de strijd.

De regels laten het nu toe, Roel bezoekt zijn kapper. Tony, die een eenmanszaakje drijft en aan wie Roel verknocht is. Met aanzienlijk korter haar, bijgepunt en zelfs geföhnd, komt Roel weer thuis. Pien prijst zijn nieuwe voorkomen uitbundig.
‘Ik ben jaloers,’ zegt ze. Zelf heeft ze lange lokken. ‘Mijn kapper zat meteen al vol tot eind volgende week.’ Ze kijkt Roel onderzoekend aan.
‘Je trek er een gezicht bij als een oorwurm,’ zegt ze.
Open kaart, denkt Roel, hij zegt:
‘Tony had alles gedesinfecteerd. Hij had speciale schorten –een lap doorzichtig plastic trouwens. Die kreeg ik om. Wat zou hij opdoen, vroeg hij. Een helm van plexiglas of een mondkapje? Het kon ook zonder, dat hing er vanaf hoe relaxed ik er zelf tegenover stond, zei Tony. Wat doe je in zo’n geval?’ Roel ratelt door.
‘Ik was blij dat ik hem na al die maanden terugzag, dat ik al zo snel kon komen. Hoe moeilijk ga ik het ons maken, dacht ik. Straks versta ik hem niet eens of moet hij vanachter zijn kapje of zijn helm tegen me schreeuwen. Als ik gezichtsbescherming vraag lijkt het misschien alsof ik Tony niet vertrouw,’ zegt Roel.
‘En alsof je niet relaxed bent,’ zegt Pien. ‘Dat steekt het meeste.’ Roel knikt, Pien begrijpt me helemaal.

‘Dus zei ik: doe maar zonder. Je staat toch achter me.’ Al moesten ook de voor- en zijkant van zijn haar geknipt. ‘Tony ging er grif op in.’
Het lucht Roel op dat Pien nu weet wat hij zich op de hals gehaald heeft.
‘Maar nu,’ gooit hij er ook maar uit, ‘nu ben ik er niet zeker van. Had ik geen mondkap moeten eisen, vraag ik me af. Wie weet krijg ik corona en steek ik jou ook aan. En dat uitgerekend net voordat we trouwen.’ Pien kijkt peinzend voor zich uit. Ze zegt:
‘Het is alsof je onbeschermd gevreeën hebt.’ Ze lacht een beetje schamper. ‘Vroeger heb ik het weleens gedaan, ik zat weken in mijn piepzak.’

‘En?’ vraagt Roel.
‘Er was niets aan de hand,’ antwoordt Pien.
‘Tony was zeker niet verkouden, geen kuchje.’ Het staat Roel helder voor de geest. ‘Het was brandschoon in de zaak.’
‘Wees jij dan ook maar gerust,’ zegt Pien.
En dat doet Roel dan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Oude jas

Dat dacht Roel al: Pien heeft geen zin in al mijn spullen. Mijn instrumenten, foto’s en mijn luie stoel.
‘En mijn cello dan, mijn muziekboeken en zo?’ vraagt hij. ‘Hoe moet ik dan mijn lessen geven?’
‘Daar vraag je wat,’ zegt Pien die zondagmiddag. ‘Je cello kan wel in mijn kamer staan als ik ben uitgewerkt en als jij klaar bent.’
‘Tja,’ zegt hij. ‘Ach.’
‘Nou ja,’ zegt Pien. ‘Het heeft geen haast, eerst maar in ondertrouw.’
Maar het zit Roel niet lekker. Hij denkt aan zijn besluit: hij zou niet langer aarzelen en dralen. Kom op Roel, zeg het nou, pept hij zichzelf op. En ’s avonds volgt er een gesprek.

Maandag draagt hij zijn mooiste overhemd en een nieuwe broek. Met bretels, zodat de taille niet zo spant. Pien heeft de feestjurk aan die haar met kerst nog knelde, maar nu wat minder trekt, zegt ze. Dankzij online dieettips van hun goeroe Els en oefeningen voor de buis.
’s Middags fietsen ze naar het stadhuis, identiteitsbewijs op zak. De ceremonie is een fluitje van een cent, al wenst de ambtenaar hen – sorry, geen hand- van harte geluk toe.
Binnen de kortste keren staan ze weer buiten in de zon. Terrassen in de buurt zijn nog niet open. Maar Pien weet bij de ingang van het Amsterdamse Bos een tentje waar je aan een luik een cappuccino kopen kunt met iets erbij. Wat coronair gezien het feestelijkste is wat er te doen valt.

Die avond al slapen ze bij Pien. Na het ontbijt de dag erna loopt ze haar werkkamer in.
‘Werk plezierig.’ Roel kust zijn aanstaande bruid.
‘Jij ook, tot straks dan.’ Nog maar eens.
Hij gaat aan het werk. Niet in Piens zithoek, slaapkamer of aan haar leeg geruimde tafel. Indachtig hun gesprek van zondagavond fietst Roel naar huis. Zijn hoofd vervuld van louter trots. Hij is de man die keuzes maakt, barrières slecht, niet star is, niet lichtvaardig, maar flexibel. Pien heeft het zelf gezegd, en dat ze daarom van hem houdt. Ook vindt ze hem grappig en origineel. Hij heeft haar geprezen om haar vasthoudendheid, geduld en haar vertrouwen, haar vrolijkheid en humor. Waarna hun bijna-echtelijk bed hen dringend wenkte. Onderweg denkt Roel er met een brede glimlach aan.

Zijn eigen kamer past hem als een oude jas, hij pakt zijn werkroutine op. Net als elders in de stad is het in Buitenveldert stil, Roel hoort een roodborst, koolmees en een merel fluiten. Rond lunchtijd belt hij Pien. Ze verlangt al naar hem, zegt ze. Hij naar haar.

Roel rondt zijn lessen af, stapt op zijn fiets. Eenmaal thuis omhelst Pien hem.
‘En, hoe was het?’ vraagt ze.
‘Als vanouds,’ antwoordt hij tevreden.
‘Wie van ons tweeën ook alweer,’ vraagt ze poeslief, ‘moest niets van latrelaties hebben?’

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Jij bij mij

Margot leest hem voor: klik hier

‘Het klinkt een beetje zunig,’ zegt Pien. ‘Wat ik bedoel is: met jou durf ik alles aan.’ Roel grijpt zijn kans:
‘Laten we er dan niet meer mee wachten.’
‘Ja,’ zegt Pien. ‘Nee.’ Stilte. ‘Je hebt gelijk. Wie weet hoe lang die lockdown duurt.’
‘Morgen in ondertrouw dan maar?’ vraagt hij langs zijn neus weg.
Maandagmiddag, besluiten ze eendrachtig.

‘En dan niet weer over mijn huis beginnen hè,’ zegt Pien. Het klinkt meer als een constatering dan als vraag. Roel moet verbaasd hebben gekeken.
‘Ik bedoel,’ zegt ze, ‘over dat ik nu thuis werk, in de Pijp. Je hoopt toch stiekem niet dat ik van stek verander als we trouwen?’
Niet in het verborgene, dat was Roel niet van plan. De kwestie zit hem hoog. Hun behuizing lijkt hem nu te veel op zo’n vermaledijde Latrelatie. Wat hij vrijblijvend vindt, dat weet ze toch?
‘Wanneer de crisis over is, dan hoef je toch niet daar te werken?’ vraagt hij. ‘Dan werk je op de bibliotheek, zoals altijd. Neem ik tenminste aan.’ Hij spiedt of Piens gezicht ontspannen blijft.
Ze wrijft haar lippen over elkaar, zoals hij haar bij aarzeling wel eens ziet doen. Ze heft haar hoofd en kijkt hem rechtstreeks in zijn ogen.
‘We zouden toch,’ vraagt ze, ‘om beurten bij de een en bij de ander wonen?’ Ze likt haar onderlip. ‘Wanneer kom jij nou eens bij mij?’

Roel heeft er wel eens over nagedacht, niet vaak en ook niet lang. Het valt hem mee dat ze die vraag niet eerder heeft gesteld. Mijn hemel, ik bij Pien, bij mij thuis gaat het juist zo goed. Als het aan Roel ligt blijft het zoals het is. Vanwege de vertrouwdheid van zijn eigen huis. Nu Piens spullen daar ook staan, is het gezelliger en knusser. Maar waar het hem om gaat, is zijn eigen kamer. Waar hij zijn lessen online geeft, zijn cello speelt, wat broddelt op papa’s gitaar, wat voor zich uitstaart in zijn luie stoel. Hoe moet hij dat nou zeggen tegen Pien? “Ik wil ook wel eens dingen doen zonder dat jij ze hoort of ziet. Waar in jouw huis kan ik dat dan?” of “Soms moet ik stoom afblazen. Als jij erbij bent, krijgt het zoveel lading”? Zoiets zegt Roel voor geen goud. Dan haalt Pien zich maar muizenissen in haar hoofd, denkt hij. Ik zou me niet blootgeven, geheimen hebben of haar mijn diepste ik onthouden. Of zoiets. Na drie jaar samen moet ze beter weten. Maar voor de zekerheid zegt Roel maar niets. In alle stilte neemt hij zijn besluit.

‘Goed,’ antwoordt hij. ‘We gaan bij jou op de Govert Flinckstraat wonen.’
‘O Roel!’ roept Pien. Ze smoort hem zowat met haar kussen.
‘Morgen in ondertrouw, overmorgen verhuis ik de spullen uit mijn kamer naar jouw huis,’ zegt hij.
Pien staart hem aan.
‘Maar lief,’ roept ze. ‘Waar laten we die allemaal?’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Hun eigen broek

Liever voorlezen? Klik hier

Roel kan er slecht van slapen. Bij het ontbijt zwijgt hij erover, beperkt zich tot de nieuwtjes in de krant. Wanneer Pien eenmaal wegfietst in de richting van haar huis, peinst hij: zal ik de jongens bellen? Maar niet meteen, bedenkt hij, want Jos werkt of is net uit de nachtdienst. En Mike ligt op één oor in Canada, daar is het middenin de nacht.

Roel moet wat lessen voorbereiden, maar concentreren lukt hem niet. Misschien moet hij Giel eerst eens bellen? Wie weet werpt die een ander licht op Piens bezwaren. Somber zegt Roel tegen zijn vriend:
‘Pien komt opeens met twijfels. Ons huwelijk staat op losse schroeven.’
‘Koudwatervrees?’ vraagt Giel. Roel haalt zijn schouders op tegen de telefoon.
‘Dat weet je nooit natuurlijk, zij gooit het op de erfenis. Wanneer ik kom te overlijden erft zij mijn huis. Ze is bang dat mijn zoons daar op uit zijn, dat die haar dan als boze stiefmoeder beschouwen, die dat afpakt, zei ze gisteren. En dat ze past voor ruzie in de tent.’
‘Wat heb jij toen gezegd?’ vraagt Giel.
‘Dat ze me overviel. Wat had ik moeten zeggen?’

Giel sproeit zijn antwoord door Roels kamer heen.
‘Wat ben je toch een slapjanus. Pien wil geruststelling, snap je dat niet? Je steun. Wat moet ze als je doodgaat? Soebatten met jouw zoons? Heeft ze op dat moment niets anders aan haar hoofd? Natuurlijk past ze voor ruzie, halve gare.’
Roels oren klapperen.
‘Weet je wat jij had moeten zeggen?’
Giel oreert, legt uit, drukt Roel van alles op het hart.
Wat ben ik weer een slappeling geweest, denkt Roel na afloop, een lapzwans. Van nu af aan nooit meer, neemt hij zich heilig voor.

Wanneer Pien net na vijven thuiskomt, omhelst ze Roel.
‘Ha lieverd, zegt ze. ‘Het is zulk heerlijk weer! Ben je buiten geweest?’
‘Alleen een poosje op het balkon, de planten water geven,’ antwoordt Roel. Veel ruimte voor wat prietpraat heeft hij niet. Zijn hoofd zit barstensvol met Giels boodschap, die hij de hele middag heeft herkauwd en met zijn zoons gedeeld. Die moet er eerst maar uit.

‘Ik weet niet wat me gisteren bezielde,’ zegt Roel ferm. ‘Terwijl het zo eenvoudig is: mijn zoons houden hun eigen broek maar op. Als hun moeder mij had overleefd, dan kreeg zij het huis. Maar zo is het nu eenmaal niet gelopen. Zodra jij mijn vrouw bent, erf jij het, stiefmoeder of niet. Dat heb ik ze gezegd, daar zijn ze het mee eens.’

Als Pien alleen een uitvlucht zocht, als ze een huwelijk niet ziet zitten, heeft Giel voorspeld, dan hoor je het meteen. Roel wacht. Pien kijkt hem onderzoekend aan.
‘Dat klinkt simpel,’ zegt ze. Haar ogen klaren op. ‘Dan durf ik het wel aan.’

Geplaatst in huwelijk, liefde, thuis | Een reactie plaatsen

In haar ondertoon

Ook in voorlees versie (met ondertoon)

Na een paar dagen al is Roel gewend aan Piens uithuizigheid. Alsof ze ‘s ochtends weer naar de bibliotheek fietst, ondanks Covid zoveel. Dat ze niet daar, maar in haar huis werkt, negeert hij maar zo’n beetje.

Om vier uur wuift hij online zijn laatste leerling  weg en gaat op internet op zoek naar opties om te trouwen. Het moet er nu maar eens van komen, vindt hij. De pandemie is bij lange na niet afgelopen. Op de tv heeft hij gezien dat tegenwoordig stellen dan maar zonder vrienden en familie trouwen. Het grote feest komt later wel.
Roel scrollt wat op de site van het stadhuis in Amstelveen. Nauwkeurig leest hij alle regelingen. Zodra ze in ondertrouw zijn gegaan, staat er, kunnen ze veertien dagen later trouwen.
Het wordt Roel warm om het hart. In ondertrouw zou zelfs al morgen kunnen. Zal ik Pien verrassen? Dan vraagt ik straks gewoon zoiets als: “Wordt het niet eens tijd om maar te trouwen?” En als ze dat ook vindt: “Dan fietsen we morgen meteen naar het stadhuis.” Pien zal verbaasd staan over mijn voortvarendheid.

Wanneer Pien thuiskomt, drinken ze eerst wat, loom zit Roel naast haar op de bank. Hij wil niet al te snel zijn met zijn voorstel en vraagt:
‘Had je veel werk vandaag?’ Pien antwoordt:
‘Gaat wel.’ Dan zegt ze: ‘Ik zat net op de fiets over ons trouwen na te denken.’ Biedt ze hem nu een opmaat voor zijn plannen?
‘Een huwelijk beschouwde ik altijd als iets voor met z’n tweeën,’ vervolgt ze. ‘Een soort statement dat we bij elkaar horen en samen verder gaan.’

In haar ondertoon beluistert hij een grote ‘maar.’ Alsof Pien daar nu anders over denkt.
‘Ik ook,’ zegt Roel. ‘Hoezo?’
‘Wat ik ingewikkeld vind,’ zegt ze stijfjes rechtop, ‘is wat jij zei voordat je moeder viel en zo. Je was op stap geweest met Giel. Die had verteld over zijn overleden nicht en van haar vriend die toen zijn huis uit werd gezet. Jij zei: zoiets mag jou niet overkomen. Ik moest je huis erven, zei je. Als we snel trouwden, dan was dat maar geregeld.’
‘Zo is het.’ Hij zet zich schrap: nu ik met mijn verrassing. Maar Pien is hem voor.
‘Net op de fiets dacht ik over je zoons,’ zegt ze. ‘Ik vroeg me af: Wat vinden die ervan? Die rekenen waarschijnlijk op jouw huis. In plaats daarvan krijg ik het, hun stiefmoeder. Nota bene. Dat geeft maar ruzie in de tent, daar pas ik voor.’

Stiefmoeder, ruzie om zijn huis? Mijn hemel, Roel voelt zich overdonderd. Zijn zoons zijn dol op Pien. Nietwaar?
‘Zo heb ik er nooit over nagedacht,’ zegt hij timide en hij bedwingt de onrust in zijn lijf door maar eens op te staan. Daar gaat mijn plannetje, vreest hij, wil Pien nog wel? Zo klinkt ze niet.
Dus houdt hij zijn verrassing voor zich.

Geplaatst in feest, huwelijk, liefde | 2 reacties

Huiswerk

De week na Pasen gaan ze weer aan het werk. Roel in zijn eigen kamer, Pien aan de eettafel. Achter in Roels hersenpan zeurt het dat zij dat maar zozo vindt.
Woensdagochtend. Aan zijn bureau bestudeert Roel net een partituur of Pien steekt haar hoofd om zijn deur.
‘Ik haal nog wat papieren van kantoor,’ zegt ze.
‘Mmm,’ neuriet Roel. ‘Blijf je lang weg?’
‘Het wordt denk ik vanmiddag.’ Verdiept in zijn muziek, mompelt hij:
‘Tot straks.’ En trekt zich weer terug in zijn denkbeeldige concertzaal.

Tegen vieren, na zijn laatste les online, is de huiskamer nog altijd leeg. Geen Pien. Hij ruimt wat op, zet thee, leest zijn krant, bladert door recepten voor Indiase dahl. Zal ik op internet alvast een feestzaal zoeken? Of kan ik beter wachten tot Pien terug is, piekert hij. Wat duurt dat lang, denkt hij benauwd. Zal ik bellen waar ze blijft? Nou nee. Daar houdt ze niet zo van, zegt ze altijd.
Om zes uur snijdt Roel alvast zijn broccoli in roosjes. Hij pleegt weer eens een plasje, zijn zoveelste. Een half uur later loopt Pien binnen, omringd door frisse wind, een blos op beide konen.
‘Het ruikt hier lekker, zeg.’
In plaats van opgelucht te zijn, houden zijn muizenissen hem gevangen.
‘Waar bleef je nou?’ Ongewild klinkt er wrevel in door.
‘De bibliotheek was dicht en er was geen portier,’ antwoordt Pien. ‘Toen ben ik naar de Pijp gefietst en heb ik in mijn huis gewerkt,’ zegt ze.

Later denkt hij wel eens aan die late woensdagmiddag terug. Aan de onzekerheid die hem toen overviel: of zo’n heerlijk mens wel bij hem wilde blijven, of ze hem wel nodig had. Ze was immers al jarenlang koningin in eigen rijk. Die toegeknepen maag toen was onzekerheid, denkt hij wanneer hij later terugkijkt. Maar op dat moment voelt het niet zo.

Roel wordt er boos om, wat hij niet weg kan houden uit zijn toon.
‘Moet dat in de Pijp?’ vraagt hij met nadruk. ‘Werken kan je hier toch ook?’
‘Ik moest met zoveel mensen bellen,’ zegt ze. ‘En zoomen.’
‘Staat daar dan een computer?’
‘Ik had mijn laptop bij me.’
‘Ben je er expres naartoe gegaan?’ In Roels keel buitelen de ongenoegens over elkaar heen. ‘Ga je nou toch weer latten? Die oude schoolvriendin van je, die An… , hoe heet ze ook alweer, die vond dat toch een goed idee?’ Met moeite lukt het hem zijn woordenvloed te stuiten.

‘Hoe bedoel je nou?’ vraagt Pien stijfjes. ‘Ik werk daar, dat is alles.’
‘En morgen dan?’ vraagt hij opeens timide, op het ergste voorbereid.
‘Morgen werk ik daar ook,’ antwoordt ze.
Stilte.
‘En na het werk zijn we gewoon gezellig samen thuis.’

Geplaatst in liefde, thuis, werk | 2 reacties