Voortaan liggen ze te piekeren in hun bed

Marleen is van de flower power generatie. Phil Bloom op de tv, de blote vrouwenborst, van meer verschillen tussen man en vrouw –behalve dan het kruis- wil ze niet weten. Net zo min als van verschillen tussen arm en rijk, dik en dun, geel, bruin en blank. Laat iedereen zijn best doen, luidt haar motto.

Op een dag, haar man Wil verliest zich weer eens in zijn boek, vraagt Marleen:
‘Na het ontbijt zou je de woonkamer toch stofzuigen?’
‘Dat kan morgen ook,’ antwoordt hij. Met haar liefste meisjesstem zegt ze:
‘Doe het nou even, Willie. Je hebt het gisteren al beloofd.’
‘Oo-Kay.’ De tweede lettergreep zindert lang na. Nog even rust Wils blik op een dicht bedrukte bladzij, voor hij zijn lijvig boekwerk dichtklapt.

Bij de koffie vraagt Marleens buurvrouw of ze kruidkoek blieft.
‘Nee, dank je. In december ben ik vreselijk aangekomen. En het is er nog niet af.’ Vervolgens lucht Marleen haar hart over Wils huishoudelijke inbreng.
‘Dat is nu eenmaal niets voor iemand zoals hij,’ zegt de buurvrouw.
‘Iemand zoals hij? Komt hij soms van een andere planeet?’ vraagt Marleen. ‘Wil is heel best in staat de stekker van een Miele in een stopcontact te steken. Net zo goed als jij en ik.’
Tegen lunchtijd, net terug van Jumbo, ruimt Marleen haar boodschappen in kasten en in laden. Wil legt servies, bestek, brood en beleg op tafel.
Marleen eet haar tweede boterham, en een crackertje met Brie.
‘Wat een zalig kaasje,’ zegt ze. Met moeite weerhoudt ze zich ervan een volgend toastje te beleggen.
‘Schrijft die Tolstoi van je nog iets leuks?’ vraagt ze aan Wil.
‘Over Russische herenboeren, twee eeuwen terug,’ antwoordt hij. ‘Ene Pierre wil zijn landarbeiders onderwijs aanbieden.’
‘Goed plan,’ zegt Marleen.
‘Een andere grootgrondbezitter vindt dat kolder,’ zegt Wil. ‘Na hun werk in de buitenlucht rollen die kerels, volgens hem, meteen voldaan in slaap. Als je ze schoolt, liggen ze voortaan te piekeren in hun bed, denkt hij. Alleen adellijke heren hebben baat bij scholing, zoals Pierre en hij.’
‘Flauwekul,’ zegt Marleen. ‘Die boeren zijn dezelfde mensensoort als zij.’

Halverwege de middag belt haar gitaardocent, Linda aan. Marleen wijst op haar uitwaaierende jersey jurk.
‘Wat staat die je goed,’ zegt ze.
‘Dank je.’ Linda pakt haar gitaar uit.
‘Ik wou dat ik zo slank als jij was, dan kon ik dat ook dragen. Wil je thee?’ Marleen schenkt in, snijdt twee stukken van haar zelfgebakken appeltaart. Nu ze zich bij de koffie en de lunch zo goed heeft ingehouden, kan een keertje zondigen vast geen kwaad. ‘Slagroom erbij?’
‘Geen van beide,’ antwoordt Linda. ‘Ik let een beetje op de calorieën.’ Marleen staart haar met wijdopen ogen aan.
‘Calorieën,’ zegt ze, ‘zijn voor mensen zoals ik. Toch niet voor iemand zoals jij?’

Geplaatst in huwelijk, muziek, thuis, voorlezen | Een reactie plaatsen

Het is wel aan de dure kant

Vroeger speelde Adri in een band, sinds zijn pensioen schildert hij enkel nog. Zijn doeken hangen in zijn kamers thuis, op de gang en langs de trap. Op een ochtend komt zijn jongere broer Guus, een gitarist, onverwacht langs.
‘Je wordt grijs, man, zegt hij. ‘Zijn die schilderijen allemaal van jou? Exposeer je wel eens?’
‘Hoe zou ik dat moeten doen?’ antwoordt Adri. ‘Het is een heksentoer om in een circuit te komen, net als bij muzikanten. Vroeger speelden we voor lege zaaltjes, die we zelf hadden gehuurd.’
‘Met schilderijen is dat veel eenvoudiger,’ zegt Guus. ‘Je zet ze op Facebook of een blog, en meteen ben je bekend.’
‘Probeer het maar eens,’ zegt Adri’s vrouw, Riny. ‘Je klaagt altijd dat alleen vrienden en familie je doeken zien. En dat ze hooguit kijken of het leuk boven hun bank past. Misschien dat kenners je Facebooksite bezoeken, met oog voor compositie, vlakverdelingen en zo.’

Adri fotografeert zijn stillevens met vazen en fles, zijn fors neergekwaste koeien, en zet ze op zijn tijdlijn. Riny, zijn zussen, en de drummer van zijn oude band zetten er opgeheven duimpjes bij. Meer reacties krijgt Adri niet, hoe vaak hij ook nieuwe creaties post.
‘Ik houd maar weer met Facebook op,’ zegt hij op een avond bij de afwas. Wel schildert hij vervolgens neuriënd vergezichten, zijn straat, zijn Riny, en stillevens. Zijn doeken hangt hij thuis en in zijn atelier op, net als vroeger.

Bij een buurtwedstrijd over ‘de ware Liefde’, zal de jury uit deskundigen bestaan, zegt men. Adri stuurt een schilderij in van een motorrijder met een vrouw. Hij wint. De jury roemt zijn originaliteit.
‘Zeer vereerd,’ zegt Adri bij de prijsuitreiking. Stiekem betreurt hij dat hun lof niet gaat over zijn vlakverdeling, gedurfde lijnenspel en kleurgebruik.

Bij wijze van hoofdprijs hangen zijn doeken wekenlang in het stadsdeelkantoor. In de laatste week krijgt hij een telefoontje.
‘Mijn vrouw en ik hangen graag kunst in huis,’ zegt een aspirant koper. ‘We zien wel wat in uw doek met die lege straat.’
‘Heel leuk om te horen,’ zegt Adri.
‘Het heeft dezelfde kleurstelling als van ons interieur.’
Diep in zijn hart zou Adri willen dat het stel ook was getroffen door zijn perspectief, verhoudingen en lichtval.
‘Het is wel aan de dure kant,’ zegt de man. Hij biedt een schamele vergoeding, ver onder de gevraagde duizend Euro.
‘Okay,’ zegt Adri. ‘Ik breng het naar u toe.’ Hij pakt het doek in bubbeltjesplastic, tapet het dicht. In de avondkou rijdt hij naar een chique straat in Amsterdam oud-zuid.
‘Die zogenaamde liefhebbers ontgaat het wezenlijke van mijn kunst,’ zegt Adri thuis bij zijn soep.

De volgende ochtend maakt hij in het zonnetje zijn dagelijkse wandeling door het Amstelpark. Over een glanzend donkerbruin bladerdek hipt een roodborstje, in dezelfde tinten als de bemoste kale heg achter hem. Adri’s handen jeuken. Snel loopt hij naar zijn atelier.

Geplaatst in familie, huwelijk, kunst, social media, thuis | Een reactie plaatsen

Waar hij zijn krantje uit de bus pakt

Vier maanden al woont Lou achter een hooggelegen stukje kust van Lake Erie, Canada. Zijn dochters huis staat daar. Ze vroeg hem bij haar te komen wonen, zodat ze hem verzorgen kon wanneer hij oud en krakkemikkig werd. Wat had een man als hij nog in een grote stad te zoeken?
‘Ik kan het in elk geval proberen,’ had hij geantwoord.

Bij zijn wekelijkse skype met zijn vriend Henk in Amsterdam, zegt Lou:
‘Het is hier berenkoud, grote schotsen op het meer. Als ik er niet op let, zit ik de godganse dag alleen, in Francis’ huis, ver van de bewoonde wereld. Dus tuf ik naar het dorp twintig kilometer verderop, en waag me aan een praatje bij de boodschappen, de lunchroom, of het poolen.’
‘Je bent een held dat je dat allemaal probeert,’ zegt Henk.
‘Het blijft oppervlakkig.’ Zijn poging om de Amsterdamse straten, de tram, zijn kaartavond, de mensen die hij kent voor een bestaan in Canada te ruilen, drukt zwaar op Lous gemoed. Maar een held is hij graag.
‘Kan je niet in dat dorp gaan wonen?’ vraagt Henk. ‘Je hebt je dochters zorg nog lang niet nodig.’

De volgende ochtend vroeg schiet Lou net op tijd uit bed om Francis en haar kinderen dik ingepakt haar truck in te zien stappen. Hij zwaait even, ze zien hem niet. Zijn kop diep in zijn capuchon, loopt hij naar de weg, waar hij zijn krantje uit de bus pakt. Binnen schenkt hij zichzelf een restje filterkoffie in, en ruimt hun cornflakes, pindakaas, en vleeswaren van tafel.
‘Ik las een advertentie voor een eigen woning in het dorp,’ zegt hij ‘s avonds. ‘Ik ga hem eens bekijken.’ Eerst zegt Francis:
‘Blijf nou toch hier.’ Wanneer ze naar hem kijkt, wordt het: ‘In een dorp is het wel gezelliger, daar maakt je nieuwe vrienden.’

De dag erna rijdt Lou, gedoucht, geschoren, langs de vacante flat. De straat is stukken breder dan in Amsterdam, maar zonder winkels, kapper, of cafeetje zoals daar.
‘Mijn dochter spreekt van nieuwe vrienden,’ zegt Lou wanneer hij met Henk skypet. ‘Als stadsmens pas ik niet goed bij die kerels hier, met hun dorpshistorie. Had ik dat maar vooraf geweten.’
‘Als je alles van te voren weet, of het je nooit eens afvraagt, dan waag je nooit een gokje. Dan roest je vast in je gewoontes,’ zegt Henk. ‘Zoals wij hier.’

Op zaterdag kijkt Lou naast Francis op de tribune van een indoor atletiekbaan naar zijn rennende kleinzoons. Hij zegt:
‘Ik ben nog langs die flat gereden.’ Het wordt hem eventjes te veel, hoe moet hij het haar zeggen? Hij schudt zijn hoofd.
‘Ik ga terug naar Amsterdam. Ik kom gewoon elk jaar weer bij je logeren. Wie weet dat ik later dan blijf, wanneer ik helemaal stokoud ben.’
Zijn dochter slaat haar armen om hem heen. Ze zegt:
‘Je hebt het hier tenminste geprobeerd.’

Geplaatst in familie, reizen, vrienden | Een reactie plaatsen

Hij had het voor zich moeten houden

Wanneer Henks zus hem weer eens belt, zit hij net na te denken over de verhuizing van zijn vriend. Lou. Ver weg, naar zijn dochter in Ontario, ruim drie maanden terug alweer. Het houdt Henk steeds maar bezig.
‘Pa had vroeger nooit vrienden, besef je dat?’ vraagt Henk. ‘Op zijn verjaardag kwam hooguit een enkele collega van de zaak, en verder altijd broers en zussen van hem, en van mama. Vrienden, herinner jij je die?’
‘Voor ma gold ongeveer hetzelfde,’ zegt zijn zus, Gerda.
‘Van hem heb ik dus nooit geleerd vrienden te maken.’
‘We zijn vijftig jaar verder, Henk, die ballast hebben we wel van ons afgeschud,’ zegt Gerda. ‘En trouwens, Lou is toch je vriend, en je hebt vrienden bij de klaverjas.’

‘Dat dacht ik ook, maar Lou verhuist zomaar naar Canada. Ik nam tot dan toe aan dat hij voor altijd hier zou blijven. Net als iedereen, zoals jij, en zoals pa’s broers en zussen.’
‘Is Lou dan nu geen vriend meer?’
‘Natuurlijk wel. Alleen is hij een vriend van vroeger aan het worden. Een die ik zowat een leven lang gekend heb, en die ik heel vaak zag voor zijn verhuizing.’
‘Je blijft via skype toch met hem in gesprek, zoals altijd?’ vraagt Gerda.
‘Niks niet ‘altijd’, Ger. Tegenwoordig halen we herinneringen op, en ik vertel erbij wat er verandert met de mensen die hij kent, of met de club, of Amsterdam,’ zegt Henk. ‘Maar dat maken we niet samen mee. En plannen zijn er ook niet bij.’
‘Dat klinkt somber, Henk.’
‘Ach, wat.’ Hij had het voor zich moeten houden, nu komt zijn zus er weer op terug, hij zal het zien. En ja, de dag erna belt ze hem weer.

‘Ik heb erover nagedacht,’ zegt Gerda. ‘Je mist je vriend gewoon, heel logisch. Zeg je hem dat wel eens?’
‘Dat ik hem mis? Wat moet hij daarmee, Ger? Moet hij me dan beklagen, zich schuldig voelen, terugkomen desnoods? Houd op, we zijn geen stelletje. Ik zet mijn oude leventje hier voort, hij bouwt in Canada een nieuwe toekomst. Met nieuwe mensen, die ik niet ken.’
‘Leer ze dan kennen, vraag ernaar, zoals een goede vriend betaamt.’

De week erna ziet Henk bij het skypen Lous vertrouwde grijze kop weer op zijn scherm, zijn zwarte wenkbrauwen met witte sprieten, zijn donkergroen met rood geruite shirt.
‘Hé Loutje,’ zegt hij. ‘Lukt het een beetje met biljarten?’
‘Dat poolen hier gaat heel anders, maat, het wil niet vlotten. Die nieuwigheid op onze leeftijd valt niet mee.’
‘Zitten er leuke kerels op je club?’ vraagt Henk.
‘Ze maken grappen over geile wijven, en over koeienvlaaien. Dat zijn ze op die club gewend.’ Aan Lous toon ontbreekt elk enthousiasme. ‘Alleen ene Jim lijkt me wel wat.’
Net wil Henk naar Jim gaan vragen, of Lou zegt:
‘Ik mis jullie daar wel behoorlijk hoor.’

Geplaatst in familie, social media, vrienden | Een reactie plaatsen

Ik keek je nooit recht in je tronie

Sinds hij gepensioneerd is, leidt Lou een kabbelend bestaan. Week in week uit zijn kaartclub, wandelingetjes met Henk, praten met zijn dochter via skype. Bij zo’n gesprek komt ze terug op wat ze eerder vroeg:
‘Pa, waarom kom je niet bij ons wonen, in Ontario? Dan kan ik voor je zorgen als je oud en krakkemikkig wordt.’ Lou antwoordt, niet voor het eerst:
‘Wat moet ik daar zonder mijn vrienden, mijn klaverjas, zonder mijn Amsterdam?’
‘Je kan het toch proberen,’ zegt ze. ‘Een jaar of zo.’
Zal hij nog één keer in zijn leven iets nieuws beginnen, voordat hij indut of verkalkt? Hij wikt en weegt, en antwoordt haar ten slotte:
‘Proberen kan geen kwaad.’
Zijn vrienden hadden graag gezien dat Lou in Amsterdam zou blijven. Zijn trouwe maatje Henk is somber tijdens Lous vertrek. Lou houdt zich goed.
‘Je vindt vast weer een andere vent om mee te klaverjassen,’ zegt hij.

Inmiddels woont Lou bij zijn dochter, achter een hoog stuk zanderige kust van Lake Erie. Ik doe hier zowat alles voor het eerst, mailt hij. Ik weet niet eens hoe hier de wasmachine en de Wi-Fi werken. Mijn dochter legt het uit, en ik vergeet het weer.
Van alles staan gebruiksaanwijzingen op Youtube, mailt Henk terug.

Lous lijf wordt warm, wanneer hij na twee maanden voor het eerst eens met Henk skypet, en zijn vertrouwde grijze stekelkop weer voor zich ziet.
‘Bij een wandeling keek ik je nooit recht in je tronie,’ zegt Lou.
Henk grijnst terug.
‘Hoe is het leven daar nu?’ vraagt hij.
‘Naar de dichtstbijzijnde tent voor koffie of een lunch, moet ik per auto,’ antwoordt Lou. ‘Daar ben ik niet meer aan gewend. Ook niet aan sneeuw en ijs en kou. Vergeleken bij die stevige figuren hier ben ik een stadse schrielhans. Ze eten porties waar jij en ik ‘u’ tegen zeggen. En met jou?’
‘Sinds gisteren is Joep mijn maat bij klaverjassen,’ antwoordt Henk. ‘Hij lijkt me wel geschikt. Speel jij daar trouwens ook?’
‘Ik heb me net voor poolen aangemeld,’ antwoordt Lou. ‘Zelfs dat doe ik nu voor het eerst. Ik bak er niets van.’ Zijn Canadese avontuur ligt hem zwaar op de maag. In zijn gedachten ziet hij zijn vertrouwde Amsterdamse clublokaal weer even voor zich, de volle tafeltjes, zijn oude maatje tegenover hem, geroutineerd legt hij zijn kaart.

Drie weken later bij het skypen, vraagt hij Henk:
‘Lukt het een beetje met je nieuwe maat?’
‘Met jou kon ik lezen en schrijven,’ antwoordt Henk. ‘Maar hoe die Joep speelt, snap ik niet.’
Lou slikt.
‘Verdomme man, verandering is niets voor mij,’ zegt Henk. ‘Ik wou dat er van nieuwe partners een handleiding op Youtube stond.’

Geplaatst in familie, reizen, thuis, vrienden | Een reactie plaatsen

Voorlezen

 

Op 26 januari lees ik cursiefjes voor op het Open Podium OBA Oosterdok, Amsterdam.
Je bent van harte welkom (14.00-16.00 uur, vrije toegang).

Op vrijdag 1 februari weer een kersvers cursiefje op dit blog.

Geplaatst in voorlezen | Een reactie plaatsen

Gelukkig Nieuwjaar! Happy New Year! Felice Anno Nuovo!

Leuk dat je mijn stukjes las, veel dank voor de reacties.
Op 1 februari 2019 weer een nieuw vrijdags cursiefje.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Kan je niet een keertje overslaan?

Roel brengt het weekend door bij Pien, sinds juli zijn vriendin. Na de linzensoep, die Pien gekookt heeft, vraagt hij:
‘Zullen we Bodyguard kijken?’
Knus samen op haar blauwe bank, turen ze naar een lijfwacht en zijn vrouw op de tv. Roel zegt:
‘Ze heeft voortdurend wat op haar vent aan te merken. Ze kan toch aardig doen, in plaats van steeds te kibbelen?’ Pien schudt haar grijze krullen.
‘Die vrouw wil enkel dat hij rekening met haar houdt,’ zegt ze. ‘Dat is toch niet teveel gevraagd?’ Al vond Piens ex dat jaren terug van wel. Gelukkig is haar nieuwe Roel heel anders.
‘Zij snauwt, hij grauwt,’ zegt Roel. ‘Laten ze leuke herinneringen opbouwen. Zoals wij.’
‘Je hebt gelijk,’ zegt Pien. Ze streelt zijn rasperige wang, en strijkt haar vinger door zijn krullend randje haar.

De volgende dag onder een heldere hemel, met kale bomen langs een Amsterdamse gracht, kijken ze samen in een etalage naar Lonely Planets, Capitool- en Trottergidsen.
‘Zullen we een tripje maken?’ vraagt Pien. ‘Een lang weekend of zoiets?’
‘Wat een leuk idee, schat!’
‘Parijs, Rome, Berlijn?’

‘Ik vrees toch dat het niet gaat lukken,’ zegt Roel later. ‘Als ik op zaterdag mijn moeder niet bezoek, raakt ze de kluts kwijt.’
‘Een midweek dan?’ vraagt Pien. ‘Ik neem gewoon wat dagen vrij.’
‘Dinsdag heb ik orkest, donderdag mijn strijkje, op vrijdag gym.’
Jij met je gewoontes! ligt op het puntje van Piens tong. Ze zegt het niet, ze zou mooie herinneringen maar vertroebelen. Ze ademt nog maar eens diep in, staart naar een bruin blad aan een plantje in haar vensterbank.
‘Kan je niet een keertje overslaan?’ vraagt ze op een toon alsof het antwoord haar niet uitmaakt.
‘Ik zal erover denken,’ antwoordt Roel. Dagenlang zit dat Pien toch niet lekker.

Een week later loopt ze, moe van haar drukke werk, met haar weekendtas Roels huis in. Het ruikt er vaag naar kool en bakboter.
‘Dag lieverd,’ zegt ze. Roel tempert meteen het vuur onder een koekenpan, en veegt zijn handen af, ze zoenen en omhelzen.
‘Wat heb je voor me gemaakt?’ Ze hoopt op tofu, soja, misschien kikkererwten, speciaal voor haar.
‘Kijk,’ zegt hij. Roel tilt het deksel op boven een dampende bolle bloemkool, en wijst op zijn bakpan. ‘En karbonade.’

Haar maag verknoopt bij het zien van twee lichtbruine stukken in borrelende boter. Hij kent haar nu een halfjaar, hij weet toch wel dat ze geen vlees eet? Bouwt Roel op zo’n manier mooie herinneringen op? In gedachten kijkt Pien om naar haar onuitgepakte tas op de plavuizen van de gang, haar jas aan de kapstok bij de buitendeur.
Op dat moment zegt Roel:
‘Vegetarische nepkarbonade, net echt, vind je niet?’
‘O ja?’ Meer woorden kan ze een-twee-drie niet vinden. Aan tafel zegt hij:
‘Weet je dat we elkaar alweer een halfjaar kennen, Pien? Hoog tijd voor een weekendje Parijs.’

Geplaatst in liefde, reizen, thuis, wandelen | 4 reacties

Uit alle macht houdt ze de beelden weg

Stijf gearmd met Roel loopt Pien de straat in waar hij woont. Een oud-lid van haar koor, Jacqueline, zegt hem gedag. Hij groet terug.
‘Hai, Jacqueline,’ zegt Pien.
‘O,’ zegt de vrouw. ‘Dag Pien.’

‘Ik wist niet dat ze hier woonde,’ zegt Pien later tegen Roel.
‘Ik wist niet dat je haar kende,’ zegt Roel.
‘Ze zat ook op mijn koor, bij de mezzi. Best een goede stem, maar niemand was er rouwig om toen ze vertrok. Het mens had altijd aanmerkingen.’
‘Ja, ja.’
‘Maar van haar vent, dat gunde niemand haar.’ Pien wil er net het fijne van vertellen als Roel begint:
‘Ik zeg het maar meteen. Jacqueline en ik hebben een blauwe maandag met elkaar gescharreld. Zij weduwe, ik weduwnaar.’
‘Was je verliefd?’ vraagt Pien.
‘Een beetje. Ze vond me leuk en wilde iets met me. Ik voelde me gestreeld.’
Uit alle macht houdt Pien de beelden weg van Roel en Jacqueline in innige omhelzing.
‘Ze wilde al meteen bij me intrekken,’ zegt Roel. ‘Toen ik het uitmaakte, had ze er toentertijd veel moeite mee. Vijf jaar terug alweer.’
‘Voor mij gelukkig,’ zegt Pien. Ze strijkt over Roels krullend randje haar, over zijn oorlel.

Op de zaterdag voor kerst zingt het koor in het winkelcentrum in de buurt. De vrouwen dragen weelderige jurken, kroontjes met nepsneeuw.
‘Gut Pien, wat zien we er weer engelachtig uit,’ zegt een koormaatje.
‘Ik schaam me dood,’ zegt Pien. ‘En in de pauze ook nog kransjes delen…’
Terwijl ze voor de tweede keer hun ‘Engeltjes door het luchtruim’ zingen, ‘White Christmas, en Walking in the air’ ziet Pien haar geliefde tussen het publiek. Ze kijkt hem even in zijn ogen, concentreert zich vervolgens op haar zang. Opeens duikt Jacqueline naast Roel op. Het ex-koorlid praat, fluistert, vlakbij zijn lange, zachte oor.

Pauze. Roel stapt uit de toehoorders naar voren, en kust zijn Pien.
‘Je ziet er mooi uit, liefje.’
‘Dank je. Al is het wel een rotjurk,’ zegt Pien.
‘Jacqueline zei ook zoiets. Geen mooi toneelbeeld, vond ze,’ vertelt Roel. Pien verbijt zich.
‘Hoe ging het zingen?’ vraagt ze. Net op dat ogenblik komt Jacqueline bij hen staan.
‘De sopranen misten als vanouds veel hoge noten,’ antwoordt het ex-koorlid, Roels ex-geliefde. ‘De tekst was onverstaanbaar, en jullie sloegen verschrikkelijk op hol.’
‘Vond je?’ vraagt Pien.
‘Straks na de pauze kan je mooi herkansen,’ zegt Jacqueline. ‘Succes ermee, ik ga.’ Op haar bottines klikklakt ze de richting van de Hema op.

‘Waar haalt het mens het lef vandaan?’ vraagt Pien. ‘Je hebt haar hopelijk daarnet wel van repliek gediend.’
‘Ik heb het maar gelaten,’ antwoordt Roel. ‘Ze lult toch net zolang totdat ik toegeef.’
‘Een kransje?’ Pien slikt heftig.
‘Per stemgroep hoorde ze niet één geluid, zoals het hoort, maar enkel losse stemmen. Daar had ze wel gelijk in,’ zegt Roel.
Tranen prikken achter Piens ogen.
‘Ik kon jou duidelijk horen zingen,’ zegt hij. ‘Jij was verreweg de beste.’

Geplaatst in feest, koor, liefde, muziek, winkel | Een reactie plaatsen

Ik laat gauw van me horen

Sinds kort woont Pien het ene weekend bij Roel thuis, het andere weekend hij bij haar. Op een zaterdagavond staan ze van tafel op, en zet Pien meteen zijn televisie aan. Met wijlen zijn vrouw Anne in gedachten, die tien jaar terug is overleden, zegt Roel:
‘Voor het nieuws ruimen we meestal af.’
‘O ja?’ vraagt Pien vanaf zijn bank. Wanneer hij haar daar fier rechtop ziet zitten, vervagen zijn herinneringen. Hij schuift dicht tegen Pien aan.

Een week later smeert ze ‘s middags boterhammen aan haar aanrecht, en vraagt ze:
‘Wat wil jij erop?’
Bijna had Roel gezegd: We dekken toch de tafel voor de lunch? Hij doet dat altijd zo, met Anne vroeger ook.
‘Doe maar kaas,’ antwoordt hij.
Voor het avondeten zet Pien water op haar tafel.
‘Wij drinken altijd wijn bij het diner,’ floept Roel eruit.
‘Wie bedoel je?’ vraagt Pien, haar stem strakker dan anders.
Hij zegt niet: Anne en ik vroeger. En evenmin dat hij dat zelf nog steeds doet. De hele avond spookt Anne door Roels brein. Thuis tuurt hij naar haar foto aan de muur, haar rimpelloos gezicht en donkerblonde haar.

Hij belt zijn schoonzus op, in Umbrië:
‘Zal ik weer eens komen logeren?’ vraagt hij.
Onderweg naar Schiphol belt hij Pien.
‘Ik ga eventjes weg, lief,’ zegt hij. ‘Ik laat gauw van me horen.’
In zijn Italiaanse huurauto rijdt Roel langs kale, benevelde wijngaarden. Op een landweg parkeert hij voor een laag stenen huis. Annes tweelingzus doet open, met grijs haar, een bril en rimpels.
‘Wat ben jij veranderd.’
‘Alleen een dagje ouder,’ zegt ze. ‘Net als jij.’

Ze maken uitstapjes naar bergdorpjes, Bevagna, Foligno, Trevi. Bij een espresso aan een toonbank, vraagt ze:
‘Is het nog wat geworden met die leuke Pien?’
‘Jazeker,’ antwoordt Roel. ‘Alleen is het nu even crisis. Bij alles wat ze doet, moet ik aan Anne denken. Zij en ik waren het toen in alles eens. Pien is heel anders.’
‘Kom, Roel, je weet wel beter,’ zegt de zus van lang verleden Anne. “Je had er toentertijd een handje van om altijd ‘wij’ te zeggen: ‘Wij’ zijn dol op series, ‘wij’ zijn gek op poezen.”
Roel buigt zijn hoofd.
‘The Sopranos, of een Colombo, daar vond ze weinig aan,’ zegt hij. Zijn gastvrouw zegt:
‘Ik weet nog dat ik Anne vroeg: Was jij niet tegen huisdieren? Ze antwoordde: Zijn kat gedoog ik.’
‘Zoals ik haar bridge en damesclubjes accepteerde. We hebben er vaak om gekibbeld,’ zegt Roel.
‘Je kon toen nogal dwingend zijn.’

‘Pien onderhandelt met me,’ zegt Roel. ‘We maken afspraken.’
‘Precies de juiste vrouw voor jou.’
Roels lijf ontspant. Hij ziet Piens lieve smoel in zijn gedachten voor zich. Die nacht droomt hij weer van haar, en van zijn nieuwe leven.
De dag erna neemt hij vroeg afscheid van de midden-Italiaanse heuvels en het weidse uitzicht. Dezelfde avond belt hij aan bij zijn geliefde Pien.

Geplaatst in familie, huwelijk, liefde, reizen | Een reactie plaatsen