Ook iemands zus

‘De Wereld Draait Door, heb je die gisteren gezien?’ vraagt René. Nijdig belt hij naar een zwalkende fietser voor hem.
‘Toevallig niet,’ antwoordt Frits. ‘Meestal kijk ik wel.’ Wat deed ik gisteren om die tijd, vraagt hij zich af. De kinderen naar voetbal? Koken? Ze fietsen langs een roeiclub. Drie sportjongens – één met blote benen, al is het ijzig koud- laten hun fietsen van de stoeprand klappen. Pal voor Frits zijn voorwiel.
‘Mijn zus was er als gast,’ zegt René. In Frits’ gedachten duikt naast hem op het trottoir een zwerfster op, achter een supermarktkar, in een vettig glimmende, gewatteerde jas.

‘O, echt?’ Een brommer met een pizzakist achterop haalt op de andere strook een plukje fietsers pijlsnel in. Zijn felle voorlicht verblindt Frits. ‘Donder Op’ roept hij. Al weet hij drommelsgoed dat de koerier hem niet hoort in het geronk, geratel en het kletsen om hen heen. Bovendien rijdt die nu minstens vijftig meter verderop.
‘Ze is advocaat,’ zegt René. ‘Ze vertelde over de Sleepwet.’ Wat hield die wet ook alweer in, probeert Frits zich te herinneren. Een tijd geleden haalde die een paar keer het journaal, dat weet hij nog.

‘Toe maar, je zus op televisie!’ zegt Frits. De zwerfster in zijn hoofd houdt gelijke tred met hem. Ze duwt haar kar zoals een kinderwagen. Er liggen stapels plastic tassen in, boordevol papier, vodden en prullen. Ze strijkt erover met een rode winterhand.
‘Je kan het terugzien op Uitzending Gemist,’ zegt René. ‘Als je het leuk vindt.’ De landloopster stoot haar arm diep in een rafelige zak.
‘Deed ze het goed?’ vraagt Frits.
‘Heel goed.’ Frits’ voddenvrouw diept een pilsflesje op, en zet het aan haar lippen. ‘Had jij ook niet een zus?’ vraagt René.

‘Daar heb ik weinig contact mee,’ zegt Frits. ‘Ze woont een tijdje in het buitenland.’ Een leugentje om bestwil. De stad waarin ze woont is een exotisch oord voor hem. Hoe moet ik dat uitleggen? denkt Frits. Aan een collega als René? Dat ik haar altijd zie lopen, waar dan ook, en zij dwars door me heen kijkt naar onbekende verten. Dat in haar mond maar een paar tanden zitten. Ze haar handpalm aan voorbijgangers voorhoudt, haar andere hand haar kar omklemt. Dat ze mensen vraagt: ‘Heb je een Eurootje misschien?’ of meer. ‘Een slaapplaats voor vannacht,’ murmelt.

Bij station Amstel stappen ze af. Voor de klapdeuren staat een kleine vrouw, van vlees en bloed. Ze steekt haar hand uit: ‘Een Euro. Om te eten.’ Frits pakt er een uit zijn broekzak. ‘Alsjeblieft.’
‘Ik houd niet van dat gebedel,’ zegt René.
‘Ik ook niet,’ zegt Frits.
‘Waarom geef je dan? Ze kopen er toch drugs voor.’ Frits denkt: Of drank.
‘Ze is ook iemands zus,’ zegt hij.
‘Heel diepzinnig.’

De realiteit, denkt Frits.

Dit bericht is geplaatst in familie, op de fiets. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.