Ik kom wel even bij je langs

Wim draait het laatste schroefje aan, zijn goede vriendin Renske zegt:
‘Zo. Die houder hangt.’ Hij krijgt een kopje thee. Dan heeft ze het druk met boodschappen, haar werk, en haar vriendinnen. Zijn haren staan recht overeind. Hij krijgt geen enkele waardering voor zijn werk. Als ze nou riep: ‘Wat heb je dat weer goed gedaan.’ Of: ‘Wim, wat moet ik zonder jou?’ Maar nee, dat zegt ze nooit.
‘Bedankt voor de bloemen,’ zegt hij. ‘Dat had je niet hoeven doen.’ Ze lijkt het niet te horen. Met een zwaar hart gaat Wim naar huis. Hij laat zich door Renske niet gebruiken, neemt hij zich heilig voor.

Net wast hij een week later zijn ontbijtbord, mes en kopje af, wanneer een ringtone klinkt. Renske. Ze praten over nachtrust, de tv, hun klaverjasclub. Zo vertrouwd hoort hij haar graag. Zal ik straks even langs gaan, denkt hij nog. Dan zet ze haar klaagstem op.
‘Die houder hangt maar aan één schroefje.’ Een rilling loopt over Wims rug. De poes strijkt langs zijn broekspijp, hij krauwt haar op de kop.
‘Die heb ik toch nog niet zo lang geleden opgehangen?’ Renske zegt:
‘Je hebt die tweede schroef er niet goed ingedraaid.’ Een spiertje bij zijn maag trekt samen. Haar vinger priemt denkbeeldig in zijn borst. Alsof hij haar slecht werk geleverd heeft. Ze gaat natuurlijk ruw met zo’n closetrolhouder om. Met zijn vrije hand masseert hij spieren in zijn nek. Hij slaagt erin zijn stem een beetje zoet te laten klinken.
‘Moet jij zelf niet eens een boor kopen?’
‘Voor dat ene schroefje?’ vraagt ze. ‘Hè Wim, doe niet zo moeilijk.’

Maar Wim houdt voet bij stuk. Tussen het stofzuigen van zijn huis, het smeren van zijn ketting en een bezoekje aan de bieb door, zit hij de hele dag te mokken en te tobben. Ze zal toch geen excuus verwachten? Dat hij zegt: Ik was nog niet goed wakker, ik kom straks wel even? Geen denken aan. Met de poes op schoot kijkt Wim ‘s avonds een Netflixserie. Twee dagen blijft de lucht grijs, en regent het. Zelfs binnen is het kil, al is de poes aanhalig. Dan belt Renske:

‘Ik heb een boor gekocht. Kom je even?’ Hij kijkt ervan op, en peddelt kalmpjes naar haar toe. Hij doet het voor. Na enig oefenen, boort Renske zelf een gat met ruimte voor een plug en draait ook nog een schroef in.
‘Goed gedaan, zegt hij. Zij:
‘Wat een rotwerk.’ Ze vertelt over haar broer. Wim zegt:
‘Die vent slaat nog geen spijker in de muur.’ Op vrijdag belt ze weer.

‘Ik kan het niet, Wim!’ zegt ze. ‘Ik heb mijn hand er bijna afgeboord.’ Diep in zijn borst benauwd dat ze weer op zal hangen zegt hij:
‘Als je nog even oefent, lukt het wel.’ Van beide kanten blijft het stil, en dan, – hoort hij het echt?
‘Alsjeblieft, lieve Wim, zou je me willen helpen? Jij kan dat zo goed.’

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.