Het zal hem aan gespreksstof niet ontbreken

Vanmiddag gaat Giel repeteren met zijn strijkje. Zijn viool op zijn rug en in zijn rechterhand een tas met oude kranten, loopt hij de trap af. Die zal hij onderweg in de papierbak legen.
Als hij een stap de stoep op zet, ligt voor de deur een grote hondenvla. Daar staat hij met zijn milieutas, wat moet hij doen?

De buurvrouw van drie hoog loopt hem toevallig achterop.
‘Ha, buurman.’
‘Moet je toch zien,’ zegt Giel. ‘Midden voor de ingang.’
‘Gatver, wie laat er nou zoiets gebeuren?’
Giel neemt de troep in ogenschouw, hij kijkt maar eens opzij en voor zich uit, alsof zijn redding daarvandaan zal komen. De buurvrouw vraagt:
‘Hebben we misschien iets om het op te ruimen?’

Al was hij het liefst weggerend, hij vist wat kranten uit zijn tas, deelt ze de bovenbuurvrouw uit, pakt er een voor hemzelf. Zijn gezelschap hurkt voortvarend, en schraapt het gore spul met proppen van de stenen. Giel klemt zijn kaken stijf opeen, en zakt ook door de knieën.
‘Wat voor een asociaal laat dat zijn hond pal voor een huisdeur doen?’ vraagt hij.
‘Het is van de gekke,’ zegt de buurvrouw. IJverig zitten ze naast elkaar te vegen tot het trottoir schoon is.

De vijf minuten op de fiets naar Menno, de bassist, herhaalt Giel het gebeuren in zijn hoofd, hij dikt de troep en walging aan, vergroot de schande uit. Straks zal het aan gespreksstof niet ontbreken.
‘Hello boys,’ zegt hij in Menno’s woonkamer. Ze stemmen instrumenten, spannen hun stokken, bestrijken de snaren alsof die aan hun lief behoren. Net zolang opnieuw, tot de papieren noten tot muziek geworden zijn. Aan het eind schudt Giel zijn handen los, draait met zijn schouders, en pakt zijn viool in. Menno haalt pils uit de koelkast.

Giel wil wel even horen over het feest van de cellist, en over Menno’s fiets, die laatst kapot was. Dan zal hij hen daarna laten gruwen van zijn verhaal over zijn stoep.
‘Is er nog wat gebeurd?’ vraagt hij.
‘Dat kan je wel zeggen,’ zegt Menno. ‘Ik zag de laatste tijd wat minder. Ik dacht, ik vraag het een collega, oogchirurg.’
‘En?’
‘Ik heb een progressieve ziekte aan mijn netvlies. Het zit hem in mijn macula, waarmee ik scherp stel, daar zit te weinig glasvocht voor, steeds minder. Het zit er dik in dat ik slechtziend ga worden. Misschien wel blind.’

Giel legt een arm om Menno’s schouders.
‘Wat een ellende.’
Menno slikt, strijkt met een vinger onder de rand van zijn bril. Hij kucht.
‘Genoeg erover. En met jullie?’
‘Mijn moeders gezondheid holt plotseling achteruit,’ zegt de cellist. ‘Ze kan niet langer zelfstandig in haar huisje wonen.’
‘Wat een rotbericht,’ zegt Giel.
‘Dat hakt erin, man.’
Menno kijkt naar Giel, en vraagt:
‘Is er bij jou nog wat gebeurd?’
‘Helemaal niets,’ antwoordt Giel.

Dit bericht is geplaatst in muziek, op de fiets, vrienden. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.