Af en toe een keertje voor de leuk

Bij koorrepetities stond Pien een paar keer op rij één te zingen. Heel prettig vond ze dat. Maar afgelopen maandagavond zei een bestuurslid in de pauze:
‘Hè Pien, je weet toch dat enkel leden met een kort postuur daar staan, vrouwen van jouw lengte horen achter.’ Pien vertelt het aan haar zus.
‘Daar heb ik toch zo’n moeite mee,’ zegt ze. ‘Geen koorlid had me ooit verteld over die regel. Ook als ik vroeger thuis iets anders deed dan anders, ik weet niet eens meer wat, toverden ze een voorschrift uit de hoge hoed. Dat had ik dan plots overtreden, en ik kreeg straf, of op zijn minst een standje.’
‘Ik weet er alles van,’ zegt haar zus. ‘Vandaar dat ik met iedereen van alles afspreek. Dan weten we waar we aan toe zijn.’

Als Pien die avond bij Roel aanbelt, hij opendoet, haar zoent, trekt ze het tijdschrift ‘Luister’ uit haar tas.
‘Wat attent, liefje’ zegt Roel en drukt haar aan zijn borst. ‘Je hoeft niet elke keer wat mee te nemen, hoor. Dat je er bent, vind ik ook heerlijk.’
‘Ik wil je een plezier doen,’ zegt Pien.
‘Wanneer je in de keuken helpt, of even tafel dekt, ben ik net zo blij.’
‘Stop jij dan ook met elke keer een flesjes wijn en bloemen?’
‘Alleen af en toe een keertje voor de leuk,’ zegt hij. Tijdens het toetje, haar kousenvoeten op zijn sokken, zegt Pien:
‘Een afspraak geeft houvast.’

De volgende ochtend zegt ze, bij een haastig boterhammetje:
‘We zijn al weken zowat dagelijks bij elkaar, straks schiet ons eigen leven er bij in. Alleen het weekend, of enkel doordeweeks, zou dat niet beter zijn?’
‘Denk je?’ vraagt Roel.
‘Spreken we dat voorlopig af?’ vraagt ze ’s avonds voor de zekerheid.
Hun keus valt op het weekend, op weekdagen zullen ze elkaar ’s avonds bellen.
Tijdens zo’n onderonsje door de telefoon, komen ze ook overeen voortaan in restaurants en in de supermarkt de rekening te splitsen.
‘En als we met vrienden of vriendinnen uitgaan, vragen we elkaar niet altijd mee. Okay?’
‘Alleen als er iets te vieren valt.’
Wanneer ze naast Roel door het Amsterdamse Bos fietst, zegt Pien:
‘Die afspraken luchten me zo op. Ik weet nu wat ik van jou kan verwachten, jij van mij.’

Twee weken later op een dinsdag, komt Pien rillerig en snipverkouden van haar werk. Ze slaat het avondeten over en kruipt meteen in bed. Wanneer ze even wakker wordt, neemt ze haar temperatuur op, ze dommelt weer in. Roel belt.
‘Hoe gaat het?’ vraagt hij. Met dikke keel zegt ze:
‘Ziek, negenendertig drie.’
‘Maar lief, ik kom onmiddellijk naar je toe.’
‘Dat hebben we niet afgesproken,’ zegt ze schor.
‘Dan improviseren we maar,’ zegt Roel. ‘Tot zo.’
‘Dat spreken we dan af,’ zegt Pien met moeite. ‘Bij ziekte improviseren we maar wat.’

Dit bericht is geplaatst in liefde, op de fiets, thuis, uitje. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.