Gelukkig Nieuwjaar! Happy New Year! Felice Anno Nuovo!

Leuk dat je mijn stukjes las, veel dank voor de reacties.
Op 1 februari 2019 weer een nieuw vrijdags cursiefje.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Kan je niet een keertje overslaan?

Roel brengt het weekend door bij Pien, sinds juli zijn vriendin.
‘Zullen we Bodyguard kijken?’ vraagt hij na de linzensoep, die Pien gekookt heeft.
Knus samen op haar blauwe bank, turen Roel en zijn geliefde naar een lijfwacht en zijn vrouw. Roel zegt:
‘Ze heeft voortdurend wat op haar vent aan te merken. Ze kan toch aardig doen, in plaats van steeds te kibbelen?’
Pien schudt haar grijze krullen.
‘Die vrouw wil enkel dat hij rekening met haar houdt,’ zegt ze. ‘Dat is toch niet teveel gevraagd?’ Al vond Piens ex dat jaren terug van wel. Gelukkig is haar nieuwe Roel heel anders.
‘Zij snauwt, hij grauwt,’ zegt Roel. ‘Laten ze leuke herinneringen opbouwen. Zoals wij.’
‘Je hebt gelijk,’ zegt Pien. Ze streelt zijn rasperige wang, en strijkt haar vinger door zijn krullend randje haar.

De volgende dag onder een heldere hemel, met kale bomen langs een Amsterdamse gracht, kijken ze samen in een etalage naar Lonely Planets, Capitool- en Trottergidsen.
‘Zullen we een tripje maken?’ vraagt Pien. ‘Een lang weekend of zoiets?’
‘Wat een leuk idee, schat!’
‘Parijs, Rome, Berlijn?’

‘Ik vrees toch dat het niet gaat lukken,’ zegt Roel later. ‘Als ik op zaterdag mijn moeder niet bezoek, raakt ze de kluts kwijt.’
‘Een midweek dan?’ vraagt Pien. ‘Ik neem gewoon wat dagen vrij.’
‘Dinsdag heb ik orkest, donderdag mijn strijkje, op vrijdag gym.’
Jij met je gewoontes! ligt op het puntje van Piens tong. Ze zegt het niet, ze zou mooie herinneringen maar vertroebelen. Ze ademt maar eens diep, staart naar een bruin blad aan een plantje in haar vensterbank.
‘Kan je niet een keertje overslaan?’ vraagt ze op een toon alsof het antwoord haar niet uitmaakt.
‘Ik zal erover denken,’ antwoordt Roel. Dagenlang zit dat Pien toch niet lekker.

Een week later loopt ze, moe van haar drukke werk, met haar weekendtas Roels huis in. Het ruikt er vaag naar kool en bakboter.
‘Dag lieverd,’ zegt ze. Roel tempert meteen het vuur onder een koekenpan, en veegt zijn handen af, ze zoenen en omhelzen.
‘Wat heb je voor me gemaakt?’ Ze hoopt op tofu, soja, misschien kikkererwten, speciaal voor haar.
‘Kijk,’ zegt hij. Roel tilt het deksel op boven een dampende bolle bloemkool, en wijst op zijn pan. ‘En karbonade.’

Haar maag verknoopt bij het zien van twee lichtbruine stukken in borrelende boter. Hij kent haar nu een halfjaar, hij weet toch wel dat ze geen vlees eet? Bouwt Roel op zo’n manier mooie herinneringen op? In gedachten kijkt Pien om naar haar onuitgepakte tas op de plavuizen van de gang, en haar jas aan de kapstok bij de buitendeur
Op dat moment zegt Roel:
‘Vegetarische nepkarbonade, net echt, vind je niet?’
‘O ja?’ Meer woorden kan ze een-twee-drie niet vinden. Aan tafel zegt hij:
‘Weet je dat we elkaar alweer een halfjaar kennen, Pien? Hoog tijd voor een weekendje Parijs.’

Geplaatst in liefde, reizen, thuis, wandelen | 4 reacties

Uit alle macht houdt ze de beelden weg

Stijf gearmd met Roel loopt Pien de straat in waar hij woont. Een oud-lid van haar koor, Jacqueline, zegt hem gedag. Hij groet terug.
‘Hai, Jacqueline,’ zegt Pien.
‘O,’ zegt de vrouw. ‘Dag Pien.’

‘Ik wist niet dat ze hier woonde,’ zegt Pien later tegen Roel.
‘Ik wist niet dat je haar kende,’ zegt Roel.
‘Ze zat ook op mijn koor, bij de mezzi. Best een goede stem, maar niemand was er rouwig om toen ze vertrok. Het mens had altijd aanmerkingen.’
‘Ja, ja.’
‘Maar van haar vent, dat gunde niemand haar.’ Pien wil er net het fijne van vertellen als Roel begint:
‘Ik zeg het maar meteen. Jacqueline en ik hebben een blauwe maandag met elkaar gescharreld. Zij weduwe, ik weduwnaar.’
‘Was je verliefd?’ vraagt Pien.
‘Een beetje. Ze vond me leuk en wilde iets met me. Ik voelde me gestreeld.’
Uit alle macht houdt Pien de beelden weg van Roel en Jacqueline in innige omhelzing.
‘Ze wilde al meteen bij me intrekken,’ zegt Roel. ‘Toen ik het uitmaakte, had ze er toentertijd veel moeite mee. Vijf jaar terug alweer.’
‘Voor mij gelukkig,’ zegt Pien. Ze strijkt over Roels krullend randje haar, over zijn oorlel.

Op de zaterdag voor kerst zingt het koor in het winkelcentrum in de buurt. De vrouwen dragen weelderige jurken, kroontjes met nepsneeuw.
‘Gut Pien, wat zien we er weer engelachtig uit,’ zegt een koormaatje.
‘Ik schaam me dood,’ zegt Pien. ‘En in de pauze ook nog kransjes delen…’
Terwijl ze voor de tweede keer hun ‘Engeltjes door het luchtruim’ zingen, ‘White Christmas, en Walking in the air’ ziet Pien haar geliefde tussen het publiek. Ze kijkt hem even in zijn ogen, concentreert zich vervolgens op haar zang. Opeens duikt Jacqueline naast Roel op. Het ex-koorlid praat, fluistert, vlakbij zijn lange, zachte oor.

Pauze. Roel stapt uit de toehoorders naar voren, en kust zijn Pien.
‘Je ziet er mooi uit, liefje.’
‘Dank je. Al is het wel een rotjurk,’ zegt Pien.
‘Jacqueline zei ook zoiets. Geen mooi toneelbeeld, vond ze,’ vertelt Roel. Pien verbijt zich.
‘Hoe ging het zingen?’ vraagt ze. Net op dat ogenblik komt Jacqueline bij hen staan.
‘De sopranen misten als vanouds veel hoge noten,’ antwoordt het ex-koorlid, Roels ex-geliefde. ‘De tekst was onverstaanbaar, en jullie sloegen verschrikkelijk op hol.’
‘Vond je?’ vraagt Pien.
‘Straks na de pauze kan je mooi herkansen,’ zegt Jacqueline. ‘Succes ermee, ik ga.’ Op haar bottines klikklakt ze de richting van de Hema op.

‘Waar haalt het mens het lef vandaan?’ vraagt Pien. ‘Je hebt haar hopelijk daarnet wel van repliek gediend.’
‘Ik heb het maar gelaten,’ antwoordt Roel. ‘Ze lult toch net zolang totdat ik toegeef.’
‘Een kransje?’ Pien slikt heftig.
‘Per stemgroep hoorde ze niet één geluid, zoals het hoort, maar enkel losse stemmen. Daar had ze wel gelijk in,’ zegt Roel.
Tranen prikken achter Piens ogen.
‘Ik kon jou duidelijk horen zingen,’ zegt hij. ‘Jij was verreweg de beste.’

Geplaatst in feest, koor, liefde, muziek, winkel | Een reactie plaatsen

Ik laat gauw van me horen

Sinds kort woont Pien het ene weekend bij Roel thuis, het andere weekend hij bij haar. Op een zaterdagavond staan ze van tafel op, en zet Pien meteen zijn televisie aan. Met wijlen zijn vrouw Anne in gedachten, die tien jaar terug is overleden, zegt Roel:
‘Voor het nieuws ruimen we meestal af.’
‘O ja?’ vraagt Pien vanaf zijn bank. Wanneer hij haar daar fier rechtop ziet zitten, vervagen zijn herinneringen. Hij schuift dicht tegen Pien aan.

Een week later smeert ze ‘s middags boterhammen aan haar aanrecht, en vraagt ze:
‘Wat wil jij erop?’
Bijna had Roel gezegd: We dekken toch de tafel voor de lunch? Hij doet dat altijd zo, met Anne vroeger ook.
‘Doe maar kaas,’ antwoordt hij.
Voor het avondeten zet Pien water op haar tafel.
‘Wij drinken altijd wijn bij het diner,’ floept Roel eruit.
‘Wie bedoel je?’ vraagt Pien, haar stem strakker dan anders.
Hij zegt niet: Anne en ik vroeger. En evenmin dat hij dat zelf nog steeds doet. De hele avond spookt Anne door Roels brein. Thuis tuurt hij naar haar foto aan de muur, haar rimpelloos gezicht en donkerblonde haar.

Hij belt zijn schoonzus op, in Umbrië:
‘Zal ik weer eens komen logeren?’ vraagt hij.
Onderweg naar Schiphol belt hij Pien.
‘Ik ga eventjes weg, lief,’ zegt hij. ‘Ik laat gauw van me horen.’
In zijn Italiaanse huurauto rijdt Roel langs kale, benevelde wijngaarden. Op een landweg parkeert hij voor een laag stenen huis. Annes tweelingzus doet open, met grijs haar, een bril en rimpels.
‘Wat ben jij veranderd.’
‘Alleen een dagje ouder,’ zegt ze. ‘Net als jij.’

Ze maken uitstapjes naar bergdorpjes, Bevagna, Foligno, Trevi. Bij een espresso aan een toonbank, vraagt ze:
‘Is het nog wat geworden met die leuke Pien?’
‘Jazeker,’ antwoordt Roel. ‘Alleen is het nu even crisis. Bij alles wat ze doet, moet ik aan Anne denken. Zij en ik waren het toen in alles eens. Pien is heel anders.’
‘Kom, Roel, je weet wel beter,’ zegt de zus van lang verleden Anne. “Je had er toentertijd een handje van om altijd ‘wij’ te zeggen: ‘Wij’ zijn dol op series, ‘wij’ zijn gek op poezen.”
Roel buigt zijn hoofd.
‘The Sopranos, of een Colombo, daar vond ze weinig aan,’ zegt hij. Zijn gastvrouw zegt:
‘Ik weet nog dat ik Anne vroeg: Was jij niet tegen huisdieren? Ze antwoordde: Zijn kat gedoog ik.’
‘Zoals ik haar bridge en damesclubjes accepteerde. We hebben er vaak om gekibbeld,’ zegt Roel.
‘Je kon toen nogal dwingend zijn.’

‘Pien onderhandelt met me,’ zegt Roel. ‘We maken afspraken.’
‘Precies de juiste vrouw voor jou.’
Roels lijf ontspant. Hij ziet Piens lieve smoel in zijn gedachten voor zich. Die nacht droomt hij weer van haar, en van zijn nieuwe leven.
De dag erna neemt hij vroeg afscheid van de midden-Italiaanse heuvels en het weidse uitzicht. Dezelfde avond belt hij aan bij zijn geliefde Pien.

Geplaatst in familie, huwelijk, liefde, reizen | Een reactie plaatsen

Af en toe een keertje voor de leuk

Bij koorrepetities stond Pien een paar keer op rij één te zingen. Heel prettig vond ze dat. Maar afgelopen maandagavond zei een bestuurslid in de pauze:
‘Hè Pien, je weet toch dat enkel leden met een kort postuur daar staan, vrouwen van jouw lengte horen achter.’ Pien vertelt het aan haar zus.
‘Daar heb ik toch zo’n moeite mee,’ zegt ze. ‘Geen koorlid had me ooit verteld over die regel. Ook als ik vroeger thuis iets anders deed dan anders, ik weet niet eens meer wat, toverden ze een voorschrift uit de hoge hoed. Dat had ik dan plots overtreden, en ik kreeg straf, of op zijn minst een standje.’
‘Ik weet er alles van,’ zegt haar zus. ‘Vandaar dat ik met iedereen van alles afspreek. Dan weten we waar we aan toe zijn.’

Als Pien die avond bij Roel aanbelt, hij opendoet, haar zoent, trekt ze het tijdschrift ‘Luister’ uit haar tas.
‘Wat attent, liefje’ zegt Roel en drukt haar aan zijn borst. ‘Je hoeft niet elke keer wat mee te nemen, hoor. Dat je er bent, vind ik ook heerlijk.’
‘Ik wil je een plezier doen,’ zegt Pien.
‘Wanneer je in de keuken helpt, of even tafel dekt, ben ik net zo blij.’
‘Stop jij dan ook met elke keer een flesjes wijn en bloemen?’
‘Alleen af en toe een keertje voor de leuk,’ zegt hij. Tijdens het toetje, haar kousenvoeten op zijn sokken, zegt Pien:
‘Een afspraak geeft houvast.’

De volgende ochtend zegt ze, bij een haastig boterhammetje:
‘We zijn al weken zowat dagelijks bij elkaar, straks schiet ons eigen leven er bij in. Alleen het weekend, of enkel doordeweeks, zou dat niet beter zijn?’
‘Denk je?’ vraagt Roel.
‘Spreken we dat voorlopig af?’ vraagt ze ’s avonds voor de zekerheid.
Hun keus valt op het weekend, op weekdagen zullen ze elkaar ’s avonds bellen.
Tijdens zo’n onderonsje door de telefoon, komen ze ook overeen voortaan in restaurants en in de supermarkt de rekening te splitsen.
‘En als we met vrienden of vriendinnen uitgaan, vragen we elkaar niet altijd mee. Okay?’
‘Alleen als er iets te vieren valt.’
Wanneer ze naast Roel door het Amsterdamse Bos fietst, zegt Pien:
‘Die afspraken luchten me zo op. Ik weet nu wat ik van jou kan verwachten, jij van mij.’

Twee weken later op een dinsdag, komt Pien rillerig en snipverkouden van haar werk. Ze slaat het avondeten over en kruipt meteen in bed. Wanneer ze even wakker wordt, neemt ze haar temperatuur op, ze dommelt weer in. Roel belt.
‘Hoe gaat het?’ vraagt hij. Met dikke keel zegt ze:
‘Ziek, negenendertig drie.’
‘Maar lief, ik kom onmiddellijk naar je toe.’
‘Dat hebben we niet afgesproken,’ zegt ze schor.
‘Dan improviseren we maar,’ zegt Roel. ‘Tot zo.’
‘Dat spreken we dan af,’ zegt Pien met moeite. ‘Bij ziekte improviseren we maar wat.’

Geplaatst in liefde, op de fiets, thuis, uitje | Een reactie plaatsen

De trein zoeft perrons voorbij

Al zou Pien altijd met Roel samen willen zijn – haar nieuwe vriend sinds enkele maanden-, ze heeft nu eenmaal ook haar eigen bezigheden. Zo rijdt ze bijna dagelijks naar de bibliotheek die ze beheert.
Onderweg in de Van Baerlestraat botst een vrouw zowat tegen haar aan. De fietser praat met oortjes in luidt voor zich heen.
‘Let op!’ roept Pien. ‘Je bent hier niet met iemand anders, maar met mij.’
‘Tuthola, zout jij op,’ krijgt Pien te horen.

’s Avonds vertelt ze het aan Roel.
“Zo’n mens maalt niet om mede-fietsers,” zegt Pien. ‘Ze zit met haar mobiele navelstreng aan haar geliefden vast.’
Op zaterdag koopt Pien bloemen voor Roels bejaarde moeder.
‘Wat mooi,’ zegt de oude vrouw. ‘Dankjewel, Loes.’ Roel zegt:
‘Maar mam, Loes is je dochter. Zij is toch Pien, mijn hartsvriendin?’
Wanneer ze weer bij Roel thuis is, zegt Pien:
‘Je moeder leeft vooral in haar gedachten.’ Roels kat strijkt langs Piens benen.

Riny belt:
‘Ik wil weer eens een filmpje met je pakken. Komende vrijdag?’
‘Ik zou eigenlijk iets met Roel gaan doen,’ antwoordt Pien.
‘Je kunt je lover toch wel even missen?’
‘Het klinkt een beetje suf, maar ik vind dat moeilijk,’ antwoordt Pien.
‘Neem hem maar mee,’ zegt Riny. ‘Die kale prins van je wil ik wel eens met eigen ogen zien.’
Naast Pien voor een spiegel in de bioscoop werkt Riny haar lipstick bij, Pien duwt haar grijze haar een beetje in model.
‘Leuke vent,’ zegt Riny.
‘Ik heb het je gezegd.’ Pien glimt.
Aan het einde van de avond zegt Riny:
‘Laten we ook weer eens iets met z’n tweeën doen. Die man loopt heus niet weg.’

Twee weken later lopen ze samen door een tentoonstelling van de Ploeg, in het Groninger museum. Pien vertelt over Roels moeder, zijn vrienden, en zijn strijkje.
‘Wat hoor ik je toch telkens over Roel?’ vraagt Riny.
‘Sorry.’
‘Verdiep je nou maar in die schilderijen voor je.’
Op de terugweg zoeft de trein lege perrons voorbij, Nunspeet, Nijkerk. Een jonge meid tegenover hen in parka, zwarte laarzen, zegt luid in haar mobiel:
‘We zijn net Baarn gepasseerd.’
‘Ze praten altijd met mensen ergens anders,’ zegt Pien vlakbij het oor van haar vriendin.
‘Doen ze het niet hardop, dan zijn ze wel in hun gedachten bij hen,’ zegt Riny.

Na een saunabezoek, de maand erna, nippen Pien en Riny met natte haren van hun sapje.
‘We hebben een nieuw wandmeubel,’ zegt Riny.
‘O ja?’ vraagt Pien, denkend aan Roels mahonie kasten.
‘In het voorjaar gaan we een week naar Umbrië.’
‘Heerlijk!’ zegt Pien. Met in gedachten Roels schoonzus die daar woont.
‘Kijk, foto’s van mijn kat,’ zegt Riny.
‘Leuk!’ Pien kan Roels poezenbeest bijna nog langs haar kuiten voelen.
Met jas aan en muts op bij de voordeur, zegt Pien:
‘Nou meissie, het was weer heel gezellig.’
‘Zie je wel,’ zegt Riny. ‘Je liefje hoeft er heus niet altijd bij te zijn.’

Geplaatst in liefde, uitje, vrienden | Een reactie plaatsen

Het had zomaar gekund

Met Linda aan de lijn, staart Pien naar buiten. Een vliegend stipje trekt een witte streep aan een azuurblauwe lucht.
‘De laatste tijd heb ik behoorlijk goede films gezien, den Skyldige, BlacKkKlansman, Dogman. Jij?’
‘Ik heb het druk gehad met visites, etentjes en feestjes,’ antwoordt Pien.
“Zo’n rustig type als jij?” vraagt Linda. ‘Is er iets gaande?’
‘Herinner jij je nog dat je in Eye een man ontmoette, eind van de zomer, toen ik niet meeging naar die horrorfilm? Roel heette hij, hij speelde cello.’
‘Ik geloof het wel.’
Pien peilt aandachtig Linda’s toon: houdt ze iets af? De witte vliegstreep aan de hemel is uitgewaaierd tot een wattenstaart.

‘Ik blijk hem ook te kennen,’ zegt Pien.
‘Dat noem ik pas toevallig. Wat is er met die vent?’
‘Ik ben verliefd op hem.’
‘Echt waar, Pien? Wat enig, wat een goed nieuws. Dat had je me nog niet verteld.’
‘Ik wilde je niet vermoeien met de zoveelste bevlieging,’ zegt Pien. ‘Maar dit is serieus.’
‘Wat heerlijk, rozengeur en maneschijn,’ zegt Linda. ‘Een heel nieuw begin.’
‘Drie maanden pas, nog maar heel kort. Roel is een lieverd, we hebben vreselijk veel gemeen, we praten over zowat alles.’
‘En de seks?’ vraagt Linda.
‘Onovertroffen.’

Pien loopt de keuken in, ze vult haar koffieapparaat, en zegt:
‘Ik wilde je iets vragen, maar dan moet je niet boos worden.’
‘In al die jaren dat ik je nu ken, Pien, ben ik ooit boos op jou geweest?’
‘Dat niet,’ zegt Pien. ‘Nou goed. Toen jij Roel had ontmoet, hè, toen zei je door de telefoon toch tegen me, dat je de hele avond met hem had gepraat?’ Piens handen worden klam.
‘Hooguit een uur.’
‘Een uur maar?’ vraagt Pien. ‘Je vertelde toen zo enthousiast. Ik dacht dat jullie samen waren doorgezakt. En ook dat er iets tussen jullie was gebeurd.’ Het is eruit. Pien ritst haar vest open, met moeite schut ze de gedachte van zich af aan Roel en Linda aan een bar, haar lach, zijn bruine ogen.
‘Dacht je soms dat ik …?’ vraagt Linda.
‘Je wist toen nog van niets,’ haast Pien zich te zeggen. ‘Het was nog amper aan.’
‘Ik doe niet meer aan andere mannen,’ zegt Linda. ‘Ik heb nu toch René?’

Pien strekt de vingers van haar rechterhand, buigt, strekt ze weer, ze schraapt haar keel.
‘René was er toch die avond niet? Die zou in een hotel slapen, zei je, voor zijn werk. Wees eerlijk, Lin, het had zomaar gekund.’
‘Er is echt niets gebeurd,’ zegt Linda. ‘Heb je het al aan Roel gevraagd?’
‘Nog niet.’ Pien zucht, de witte waaier in het blauw vervaagt.
‘Ik ga daar niet over liegen,’ antwoordt Linda, met nadruk op Ik. ‘Daar ken ik jou al veel te lang voor.’ Pien zegt:
‘Gelukkig maar. Daarom vraag ik het eerst aan jou.’

Geplaatst in liefde, thuis, uitje, vrienden | Een reactie plaatsen

Geen stap van elkaar vandaan

Roels moeder woont sinds kort in een tehuis. Tijdens het koffie-uurtje treft Roel haar in de conversatiezaal. De meeste oudjes, ook zijn moeder, zitten in hun eentje, zonder conversatie. Enkel aan een tafel rechts klinkt soms wat gebabbel. Daar zit een groepje van vijf stijf gepermanente besjes, een lange, magere vrouw in het midden.

‘Moest jij niet bij hen zitten?’ vraagt Roel, wanneer hij met zijn moeder schuifelend aan zijn arm de zaal uitloopt.
‘Dat willen ze niet,’ antwoordt ze. ‘Ze leggen tassen op de stoelen, en zetten hun rollator zo dat niemand er meer langs kan. Die lange wil dat. Ze heet, geloof ik, Boerhout, net als mijn juffrouw van de eerste klas.’
‘Wat vervelend, mam.’ Roel slaat zijn arm om zijn moeders schouders, en trekt haar tegen zich aan. ‘Sommige oudjes krijgen kleuterneigingen. Je moet ze gewoon negeren.’
‘Dat doe ik maar niet. Ik wens de dames elke ochtend goedemorgen.’
‘Wat zeggen ze dan?’ vraagt Roel.
‘Niets.’
‘Ze schamen zich natuurlijk,’ zegt hij.
‘Denk je?’

‘Kom, we gaan een ommetje maken,’ zegt Roel, en helpt zijn moeder in haar jas. Buiten loopt hij met haar de hoek om, langs de waterkant, met riet en bomen waar bruingeel blad af dwarrelt. ‘Mam, kijk uit voor de eendenpoep, of wat is het, misschien van die ganzen.’ Er waggelt een heel groepje een eindje voor hen uit.
‘Het zal wel een familie zijn,’ zegt Roel. ‘Pa, ma en jongen.’ Wanneer ze dichterbij komen, vluchten de vogels snel de berm in.
‘Bange schijterds zijn het,’ zegt zijn moeder. ‘Ze durven geen stap van elkaar vandaan.’
‘Net als de dames bij de koffie,’ zegt Roel. Zijn moeder lacht.

Onderweg naar huis belt Roels broer op.
‘Hoe was het met mama?’
‘Ik maak me zorgen,’ zegt Roel. ‘Een paar oude wijven in dat huis sluiten haar uit. Ze houden de stoelen om hen heen bezet. Tegen zulke kleuters heeft ma geen verweer.’

Week in week uit maakt Roel hetzelfde ommetje met zijn bejaarde moeder, meestal na de koffie. Een enkele keer, als hij een afspraak elders heeft, ervoor. Dan brengt hij haar vervolgens naar de zaal. Daar zegt zijn moeder steevast tegen de vijf vrouwtjes:
‘Goedemorgen, lekker geslapen?’ Haar toon als altijd vriendelijk.
Het kluitje vrouwen zegt geen boe of bah, en kijkt eendrachtig langs haar heen.

Op een ochtend zit aanvoerster Boerhout er niet bij. Roels moeder groet de anderen.
Een lid van het kransje vraagt:
‘Wilt u soms bij ons zitten?’
‘Heel aardig van u.’ Roel helpt zijn moeder naar de tafel.

Weken later leest hij bij de receptie een overlijdensbericht: Mevrouw Boerhout. Die ochtend zit zijn moeder alweer tussen de gepermanente bessen. Zodra ze Roel ziet, pakt ze haar tas van de stoel naast haar, en geeft een klapje op de lege zitting.
‘Ik heb hem voor jou bezet gehouden,’ zegt ze. ‘Schuif mijn rollator maar opzij, die staat een beetje in de weg.’

Geplaatst in familie, wandelen | 2 reacties

Doeken op een rij tegen een wand

Adri verfrommelt in zijn atelier de ene na de andere schets. Zijn doeken op een rij tegen een wand, in wording, en schilderijen die al af zijn. Hij wil een voorstelling maken van twee geliefden samen onderweg.
‘Lukt het?’ vraagt zijn vrouw, als ze aan tafel zitten.
‘Ik heb iets in mijn hoofd, wat er niet uit wil komen.’ Dag in dag uit bestrijkt Adri een nieuw canvas met groen, geel, en rood acryl, totdat er een fors wiel staat, een man met zwarte integraal helm een stuur met beide handen vasthoudt, een vrouw met wapperende sjaal zich met een arm vanachter om zijn middel klemt.
Ene Arnoud, die Adri vaker in de buurt ontmoet, vraagt:
‘Jij schildert toch? In de buurtkrant stond iets over een wedstrijd.’
Thuis leest Adri: Thema van de inzendingen is de Liefde, hoofdletter L. De hoofdprijs: een expositie in het stadsdeelkantoor. Wordt het uw doorbraak?

Twee weken later loopt hij in een vol buurthuis langs de inzendingen. Op veel schilderijen staan stellen in suggestieve poses, omhelzingen, innige blikken.
Vlakbij zijn eigen werk hoort Adri zeggen:
‘Die vent houdt enkel van zijn Harley Davidson.’
“Zo’n vrouw moet de berijder wel vertrouwen,” zegt Adri. ‘Dat is toch liefde?’
‘Zij wel. Maar hij vertrouwt hooguit op zijn motor, niet op haar.’ Een ander zegt:
‘Ze wil hem enkel vanwege die machine. Zonder dat ding haakt ze af.’
‘Als zij niet mooi meer is, zet hij haar aan de kant,’ zegt een derde toeschouwer.
Adri wist niet dat mensen zulke dingen in zijn doeken zagen. Hij had de ware Liefde willen schilderen, in voor- en tegenspoed. Het is hem niet gelukt.

Diep in gedachten bij de motorrijder op zijn doek, loopt Adri kort erna Arnoud weer tegen het lijf. Die vraagt:
‘Je had toch met die wedstrijd meegedaan?’
‘Ben je toevallig dit weekend wezen kijken?’ vraagt Adri.
‘Nee, sorry,’ antwoordt Arnoud.
Adri haalt ruimer adem.
‘Mijn buurman had een aanrijding,’ zegt Arnoud. ‘Zijn hand lag er zowat af. Ik heb hem naar de eerste hulp gebracht. Daar hebben ze hem opgelapt.’
In Adri’s gedachten ligt zijn eigen motorrijder verkreukeld op de straat.
‘Je buurman heeft mazzel gehad, stel dat het niet gelukt was,’ zegt Adri. ‘Zullen we komende week eens samen in het buurthuis kijken?’

Hij belt de wedstrijdorganisatie en vraagt:
‘Wanneer beslist de jury?’
‘Over twee weken.’
‘Zou ik, in dat geval, mijn schilderij nog een dagje kunnen lenen?’ vraagt hij.

Thuis schildert Adri de linkerarm van de berijder over, en hangt daarna zijn inzending weer op. Later in de week staat Arnoud naast hem er aandachtig naar te turen.
‘Heeft die motorrijder maar een arm?’ vraagt hij.
‘Zijn vrouw heeft ze wel allebei,’ antwoordt Adri. ‘Kijk maar, ze houden ieder een hand aan het stuur.’
‘Dat is pas ware Liefde,’ oordeelt de jury later.

Geplaatst in buren, museum, thuis | 2 reacties

Dat heb ik niet zo in de gaten

Terug van zijn werk loopt Frits de hal in van zijn flatgebouw, en wacht beneden op zijn lift. Zijn bovenbuurvrouw – felgroene jas, dito vlinderbril- loopt binnen.
‘Ha Frits!’
‘Hallo.’ Door het ronde raampje in de deur kijkt hij naast haar hoe de rechterlift omlaag zakt. Frits houdt de zware deur open.
‘Na jou.’ In het kale hok onderweg naar negen hoog, zij naar tien, vraagt Frits:
‘Kom jij mijn onderbuurman wel eens tegen?’
‘Van Gram, met die hond?’ vraagt ze. ‘Gatver, wat stinkt dat beest, iedereen klaagt steen en been.’
‘Ik heb er ook zo zoetjesaan tabak van. Heeft iemand het hem ooit gezegd?’
‘Zo’n man is daar niet vatbaar voor,’ zegt de buurvrouw. ‘Wil je het leefbaar houden in een flat, dan zeg je ja en amen, en je slikt.’ De negende.
‘Prettige avond.’
‘Jij ook.’

Een week later staat Frits net in de lift of hij stopt, en Van Gram stapt met zijn herder binnen. Diens snuit al even grijs als de haren van zijn baas. De adem van het beest, of misschien zijn vale vacht, is niet te harden. Frits krijgt het warm van hoofd tot voeten, hij ritst zijn jack open.
‘Mag ik u wat zeggen?’ vraagt hij. ‘Bruno ruikt nogal sterk, om het zacht uit te drukken. Neemt u me niet kwalijk.’
‘Ik ruik niets,’ zegt Van Gram, zijn wangen purperrood. ‘Jij bent de eerste die dat zegt, ik krijg nooit klachten.’
‘Zo ingewikkeld is het toch niet om je hond te wassen?’ Op dat moment kan Frits geen vriendelijker woorden vinden.
‘Zal ik jou eens wat zeggen?’ zegt Van Gram. ‘Ik hoor jullie de hele tijd boven mijn hoofd lopen, bonken, tikken. En je tv klinkt ook behoorlijk door. Daar hoor je mij niet over.’
‘Dat spijt me dan,’ zegt Frits. ‘Dat heb ik niet zo in de gaten.’
Begane grond, de deuren schuiven open. Frits bromt:
‘Tot ziens,’ en beent naar buiten.

Twee weken later loopt hij op zondagochtend vroeg zijn trainingsrondje door een verlaten Amstelpark, een enkeling rent ook, een eekhoorntje schiet weg. In joggingpak loopt Frits de hal binnen. De onderkant van de linker lift hangt stil voor het ronde ruitje. Een mannenstem roept:
‘Help!’
‘Zit je vast?’ vraagt Frits.
‘Ik kan er niet meer uit,’ roept een bekende stem. Van Gram. ‘Ik heb mijn telefoon niet bij me.’
Frits belt het nummer van de liftenservice dat Van Gram hem noemt. Na een poosje bemoeien andere bewoners zich ermee. Man en hond zijn na een halfuur vrij.

Weken later stapt Van Gram opnieuw bij Frits de lift in, ditmaal zonder hond. Aandachtig naar het marmoleum turend, zegt hij:
‘Tegenwoordig gebruik ik de goederenlift als ik met Bruno ben.’
‘Mooi.’
‘Wassen helpt niet. Bruno wordt erg oud, het zal helaas niet lang meer duren.’

Geplaatst in buren, thuis | 2 reacties