In hun geheel

Die nacht krijgt Roel het Spaans benauwd. Hoe stom kan iemand zijn? Virusdeeltjes zijn micro-nanoklein, ook de schoonste kapper sproeit die zo over je heen. Roel draait zich op zijn linker zij. Je hoeft maar even aan je nieuwe haar te voelen en je hand zit vol. Roel rolt naar rechts. Vervolgens krab je aan je oog, je veegt je mond af en hop ze vreten zich naar binnen. Een leger ongedierte lijkt hem te bekruipen. Rustig ademen nu, wees een flinke vent.
Om acht uur maakt Pien hem wakker.
‘Je sliep zo lekker,’ zegt ze.
‘Vannacht anders niet,’ zegt Roel met lodderige ogen.

Een haastig ontbijt. Opnieuw kust Roel zijn bruid in spé gedag en fietst hij naar zijn huis. Zo ook de dag erna. Hij dwingt zich niet elk kuchje als zijn laatste oordeel op te vatten. Normaal snotter ik ook wel eens, houdt hij zich voor. Als ik hard fiets, krijg ik een loopneus, met pollen moet ik altijd niezen. Het duurt nog dagen voor hij durft te denken: alles ruikt en smaakt me als gewoonlijk.  Zijn onrust zakt. Hij denkt er soms uren niet aan, soms een hele ochtend, vaak ontglipt het hem nog langer.
Ook zijn dagelijkse fietstochtje naar Buitenveldert voelt nu gewoon. Al blijft Roel het een raar soort thuiswerk vinden. Vanuit Piens huis gezien, waar hij nu woont, is het in feite buitenshuis. Maar prettig is het wel.

Intussen video-belt hij Giel. Niet dat zijn hele vriend in beeld komt, meer een soort pasfoto. Giel prijst hun snelle ondertrouw.
‘Zie je wel dat het ervan zou komen. Ik wist het. Veel geluk alvast met je aanstaande huwelijk.’
‘Onze kinderen treden als getuigen op,’ zegt Roel. ‘Jos voor mij en voor Pien haar dochter Esther. Heb jij soms zin om naar het stadhuis te komen? Piens beste vriendin is er ook.’
Natuurlijk doet Giel dat.
‘Je denkt toch niet dat ik het stiekem laat passeren?’

Dat ze gaan trouwen wordt in Roels gedachten steeds groter en gewichtiger. Ook een beetje spannend. Al weet hij niet zo goed waaraan het ligt. Het weekend voor de grote stap zegt hij tegen Pien:
‘We zijn nu voor het laatst nog vrijgezel.’
‘Je kan nog terug,’ zegt ze.
‘Geen denken aan,’ zegt hij.

’s Maandags de week erna staan vrienden en familie op gepaste afstand op het stadhuisplein wanneer Roel in feesttenue met Pien naar buiten loopt. Hun stortvloed aan confetti verwaait zo’n anderhalve meter in de richting van het nieuwe paar.
Buiten op het openbaar ameublement drinken ze met zijn allen wat,  alweer een eindje van elkaar vandaan. Het verheugt Roel ieder weer in zijn of haar geheel te zien. Zonder een beeldscherm dat hen inkadert, alsof stiekem de lockdown van iedereen een stukje afsnoept.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Geknipt en geföhnd

Meent ze dat nou van die latrelatie?
‘Maar Pientje,’ zegt Roel. ‘Thuiswerk is toch heel wat anders.’
Pien trekt een wenkbrauw op.
‘Laten we ermee stoppen als we straks getrouwd zijn,’ zegt hij.
‘Mij best,’ zegt Pien luchtig. ‘Dan neem jij je instrumenten en zo mee en stal je die hier thuis. Zoek alvast maar een plekje.’
‘Maar zolang de bibliotheek dicht is en de scholen, werk ik in Buitenveldert,’ gooit hij voorzichtig in de strijd.

De regels laten het nu toe, Roel bezoekt zijn kapper. Tony, die een eenmanszaakje drijft en aan wie Roel verknocht is. Met aanzienlijk korter haar, bijgepunt en zelfs geföhnd, komt Roel weer thuis. Pien prijst zijn nieuwe voorkomen uitbundig.
‘Ik ben jaloers,’ zegt ze. Zelf heeft ze lange lokken. ‘Mijn kapper zat meteen al vol tot eind volgende week.’ Ze kijkt Roel onderzoekend aan.
‘Je trek er een gezicht bij als een oorwurm,’ zegt ze.
Open kaart, denkt Roel, hij zegt:
‘Tony had alles gedesinfecteerd. Hij had speciale schorten –een lap doorzichtig plastic trouwens. Die kreeg ik om. Wat zou hij opdoen, vroeg hij. Een helm van plexiglas of een mondkapje? Het kon ook zonder, dat hing er vanaf hoe relaxed ik er zelf tegenover stond, zei Tony. Wat doe je in zo’n geval?’ Roel ratelt door.
‘Ik was blij dat ik hem na al die maanden terugzag, dat ik al zo snel kon komen. Hoe moeilijk ga ik het ons maken, dacht ik. Straks versta ik hem niet eens of moet hij vanachter zijn kapje of zijn helm tegen me schreeuwen. Als ik gezichtsbescherming vraag lijkt het misschien alsof ik Tony niet vertrouw,’ zegt Roel.
‘En alsof je niet relaxed bent,’ zegt Pien. ‘Dat steekt het meeste.’ Roel knikt, Pien begrijpt me helemaal.

‘Dus zei ik: doe maar zonder. Je staat toch achter me.’ Al moesten ook de voor- en zijkant van zijn haar geknipt. ‘Tony ging er grif op in.’
Het lucht Roel op dat Pien nu weet wat hij zich op de hals gehaald heeft.
‘Maar nu,’ gooit hij er ook maar uit, ‘nu ben ik er niet zeker van. Had ik geen mondkap moeten eisen, vraag ik me af. Wie weet krijg ik corona en steek ik jou ook aan. En dat uitgerekend net voordat we trouwen.’ Pien kijkt peinzend voor zich uit. Ze zegt:
‘Het is alsof je onbeschermd gevreeën hebt.’ Ze lacht een beetje schamper. ‘Vroeger heb ik het weleens gedaan, ik zat weken in mijn piepzak.’

‘En?’ vraagt Roel.
‘Er was niets aan de hand,’ antwoordt Pien.
‘Tony was zeker niet verkouden, geen kuchje.’ Het staat Roel helder voor de geest. ‘Het was brandschoon in de zaak.’
‘Wees jij dan ook maar gerust,’ zegt Pien.
En dat doet Roel dan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Oude jas

Dat dacht Roel al: Pien heeft geen zin in al mijn spullen. Mijn instrumenten, foto’s en mijn luie stoel.
‘En mijn cello dan, mijn muziekboeken en zo?’ vraagt hij. ‘Hoe moet ik dan mijn lessen geven?’
‘Daar vraag je wat,’ zegt Pien die zondagmiddag. ‘Je cello kan wel in mijn kamer staan als ik ben uitgewerkt en als jij klaar bent.’
‘Tja,’ zegt hij. ‘Ach.’
‘Nou ja,’ zegt Pien. ‘Het heeft geen haast, eerst maar in ondertrouw.’
Maar het zit Roel niet lekker. Hij denkt aan zijn besluit: hij zou niet langer aarzelen en dralen. Kom op Roel, zeg het nou, pept hij zichzelf op. En ’s avonds volgt er een gesprek.

Maandag draagt hij zijn mooiste overhemd en een nieuwe broek. Met bretels, zodat de taille niet zo spant. Pien heeft de feestjurk aan die haar met kerst nog knelde, maar nu wat minder trekt, zegt ze. Dankzij online dieettips van hun goeroe Els en oefeningen voor de buis.
’s Middags fietsen ze naar het stadhuis, identiteitsbewijs op zak. De ceremonie is een fluitje van een cent, al wenst de ambtenaar hen – sorry, geen hand- van harte geluk toe.
Binnen de kortste keren staan ze weer buiten in de zon. Terrassen in de buurt zijn nog niet open. Maar Pien weet bij de ingang van het Amsterdamse Bos een tentje waar je aan een luik een cappuccino kopen kunt met iets erbij. Wat coronair gezien het feestelijkste is wat er te doen valt.

Die avond al slapen ze bij Pien. Na het ontbijt de dag erna loopt ze haar werkkamer in.
‘Werk plezierig.’ Roel kust zijn aanstaande bruid.
‘Jij ook, tot straks dan.’ Nog maar eens.
Hij gaat aan het werk. Niet in Piens zithoek, slaapkamer of aan haar leeg geruimde tafel. Indachtig hun gesprek van zondagavond fietst Roel naar huis. Zijn hoofd vervuld van louter trots. Hij is de man die keuzes maakt, barrières slecht, niet star is, niet lichtvaardig, maar flexibel. Pien heeft het zelf gezegd, en dat ze daarom van hem houdt. Ook vindt ze hem grappig en origineel. Hij heeft haar geprezen om haar vasthoudendheid, geduld en haar vertrouwen, haar vrolijkheid en humor. Waarna hun bijna-echtelijk bed hen dringend wenkte. Onderweg denkt Roel er met een brede glimlach aan.

Zijn eigen kamer past hem als een oude jas, hij pakt zijn werkroutine op. Net als elders in de stad is het in Buitenveldert stil, Roel hoort een roodborst, koolmees en een merel fluiten. Rond lunchtijd belt hij Pien. Ze verlangt al naar hem, zegt ze. Hij naar haar.

Roel rondt zijn lessen af, stapt op zijn fiets. Eenmaal thuis omhelst Pien hem.
‘En, hoe was het?’ vraagt ze.
‘Als vanouds,’ antwoordt hij tevreden.
‘Wie van ons tweeën ook alweer,’ vraagt ze poeslief, ‘moest niets van latrelaties hebben?’

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Jij bij mij

Margot leest hem voor: klik hier

‘Het klinkt een beetje zunig,’ zegt Pien. ‘Wat ik bedoel is: met jou durf ik alles aan.’ Roel grijpt zijn kans:
‘Laten we er dan niet meer mee wachten.’
‘Ja,’ zegt Pien. ‘Nee.’ Stilte. ‘Je hebt gelijk. Wie weet hoe lang die lockdown duurt.’
‘Morgen in ondertrouw dan maar?’ vraagt hij langs zijn neus weg.
Maandagmiddag, besluiten ze eendrachtig.

‘En dan niet weer over mijn huis beginnen hè,’ zegt Pien. Het klinkt meer als een constatering dan als vraag. Roel moet verbaasd hebben gekeken.
‘Ik bedoel,’ zegt ze, ‘over dat ik nu thuis werk, in de Pijp. Je hoopt toch stiekem niet dat ik van stek verander als we trouwen?’
Niet in het verborgene, dat was Roel niet van plan. De kwestie zit hem hoog. Hun behuizing lijkt hem nu te veel op zo’n vermaledijde Latrelatie. Wat hij vrijblijvend vindt, dat weet ze toch?
‘Wanneer de crisis over is, dan hoef je toch niet daar te werken?’ vraagt hij. ‘Dan werk je op de bibliotheek, zoals altijd. Neem ik tenminste aan.’ Hij spiedt of Piens gezicht ontspannen blijft.
Ze wrijft haar lippen over elkaar, zoals hij haar bij aarzeling wel eens ziet doen. Ze heft haar hoofd en kijkt hem rechtstreeks in zijn ogen.
‘We zouden toch,’ vraagt ze, ‘om beurten bij de een en bij de ander wonen?’ Ze likt haar onderlip. ‘Wanneer kom jij nou eens bij mij?’

Roel heeft er wel eens over nagedacht, niet vaak en ook niet lang. Het valt hem mee dat ze die vraag niet eerder heeft gesteld. Mijn hemel, ik bij Pien, bij mij thuis gaat het juist zo goed. Als het aan Roel ligt blijft het zoals het is. Vanwege de vertrouwdheid van zijn eigen huis. Nu Piens spullen daar ook staan, is het gezelliger en knusser. Maar waar het hem om gaat, is zijn eigen kamer. Waar hij zijn lessen online geeft, zijn cello speelt, wat broddelt op papa’s gitaar, wat voor zich uitstaart in zijn luie stoel. Hoe moet hij dat nou zeggen tegen Pien? “Ik wil ook wel eens dingen doen zonder dat jij ze hoort of ziet. Waar in jouw huis kan ik dat dan?” of “Soms moet ik stoom afblazen. Als jij erbij bent, krijgt het zoveel lading”? Zoiets zegt Roel voor geen goud. Dan haalt Pien zich maar muizenissen in haar hoofd, denkt hij. Ik zou me niet blootgeven, geheimen hebben of haar mijn diepste ik onthouden. Of zoiets. Na drie jaar samen moet ze beter weten. Maar voor de zekerheid zegt Roel maar niets. In alle stilte neemt hij zijn besluit.

‘Goed,’ antwoordt hij. ‘We gaan bij jou op de Govert Flinckstraat wonen.’
‘O Roel!’ roept Pien. Ze smoort hem zowat met haar kussen.
‘Morgen in ondertrouw, overmorgen verhuis ik de spullen uit mijn kamer naar jouw huis,’ zegt hij.
Pien staart hem aan.
‘Maar lief,’ roept ze. ‘Waar laten we die allemaal?’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Hun eigen broek

Liever voorlezen? Klik hier

Roel kan er slecht van slapen. Bij het ontbijt zwijgt hij erover, beperkt zich tot de nieuwtjes in de krant. Wanneer Pien eenmaal wegfietst in de richting van haar huis, peinst hij: zal ik de jongens bellen? Maar niet meteen, bedenkt hij, want Jos werkt of is net uit de nachtdienst. En Mike ligt op één oor in Canada, daar is het middenin de nacht.

Roel moet wat lessen voorbereiden, maar concentreren lukt hem niet. Misschien moet hij Giel eerst eens bellen? Wie weet werpt die een ander licht op Piens bezwaren. Somber zegt Roel tegen zijn vriend:
‘Pien komt opeens met twijfels. Ons huwelijk staat op losse schroeven.’
‘Koudwatervrees?’ vraagt Giel. Roel haalt zijn schouders op tegen de telefoon.
‘Dat weet je nooit natuurlijk, zij gooit het op de erfenis. Wanneer ik kom te overlijden erft zij mijn huis. Ze is bang dat mijn zoons daar op uit zijn, dat die haar dan als boze stiefmoeder beschouwen, die dat afpakt, zei ze gisteren. En dat ze past voor ruzie in de tent.’
‘Wat heb jij toen gezegd?’ vraagt Giel.
‘Dat ze me overviel. Wat had ik moeten zeggen?’

Giel sproeit zijn antwoord door Roels kamer heen.
‘Wat ben je toch een slapjanus. Pien wil geruststelling, snap je dat niet? Je steun. Wat moet ze als je doodgaat? Soebatten met jouw zoons? Heeft ze op dat moment niets anders aan haar hoofd? Natuurlijk past ze voor ruzie, halve gare.’
Roels oren klapperen.
‘Weet je wat jij had moeten zeggen?’
Giel oreert, legt uit, drukt Roel van alles op het hart.
Wat ben ik weer een slappeling geweest, denkt Roel na afloop, een lapzwans. Van nu af aan nooit meer, neemt hij zich heilig voor.

Wanneer Pien net na vijven thuiskomt, omhelst ze Roel.
‘Ha lieverd, zegt ze. ‘Het is zulk heerlijk weer! Ben je buiten geweest?’
‘Alleen een poosje op het balkon, de planten water geven,’ antwoordt Roel. Veel ruimte voor wat prietpraat heeft hij niet. Zijn hoofd zit barstensvol met Giels boodschap, die hij de hele middag heeft herkauwd en met zijn zoons gedeeld. Die moet er eerst maar uit.

‘Ik weet niet wat me gisteren bezielde,’ zegt Roel ferm. ‘Terwijl het zo eenvoudig is: mijn zoons houden hun eigen broek maar op. Als hun moeder mij had overleefd, dan kreeg zij het huis. Maar zo is het nu eenmaal niet gelopen. Zodra jij mijn vrouw bent, erf jij het, stiefmoeder of niet. Dat heb ik ze gezegd, daar zijn ze het mee eens.’

Als Pien alleen een uitvlucht zocht, als ze een huwelijk niet ziet zitten, heeft Giel voorspeld, dan hoor je het meteen. Roel wacht. Pien kijkt hem onderzoekend aan.
‘Dat klinkt simpel,’ zegt ze. Haar ogen klaren op. ‘Dan durf ik het wel aan.’

Geplaatst in huwelijk, liefde, thuis | Een reactie plaatsen

In haar ondertoon

Ook in voorlees versie (met ondertoon)

Na een paar dagen al is Roel gewend aan Piens uithuizigheid. Alsof ze ‘s ochtends weer naar de bibliotheek fietst, ondanks Covid zoveel. Dat ze niet daar, maar in haar huis werkt, negeert hij maar zo’n beetje.

Om vier uur wuift hij online zijn laatste leerling  weg en gaat op internet op zoek naar opties om te trouwen. Het moet er nu maar eens van komen, vindt hij. De pandemie is bij lange na niet afgelopen. Op de tv heeft hij gezien dat tegenwoordig stellen dan maar zonder vrienden en familie trouwen. Het grote feest komt later wel.
Roel scrollt wat op de site van het stadhuis in Amstelveen. Nauwkeurig leest hij alle regelingen. Zodra ze in ondertrouw zijn gegaan, staat er, kunnen ze veertien dagen later trouwen.
Het wordt Roel warm om het hart. In ondertrouw zou zelfs al morgen kunnen. Zal ik Pien verrassen? Dan vraagt ik straks gewoon zoiets als: “Wordt het niet eens tijd om maar te trouwen?” En als ze dat ook vindt: “Dan fietsen we morgen meteen naar het stadhuis.” Pien zal verbaasd staan over mijn voortvarendheid.

Wanneer Pien thuiskomt, drinken ze eerst wat, loom zit Roel naast haar op de bank. Hij wil niet al te snel zijn met zijn voorstel en vraagt:
‘Had je veel werk vandaag?’ Pien antwoordt:
‘Gaat wel.’ Dan zegt ze: ‘Ik zat net op de fiets over ons trouwen na te denken.’ Biedt ze hem nu een opmaat voor zijn plannen?
‘Een huwelijk beschouwde ik altijd als iets voor met z’n tweeën,’ vervolgt ze. ‘Een soort statement dat we bij elkaar horen en samen verder gaan.’

In haar ondertoon beluistert hij een grote ‘maar.’ Alsof Pien daar nu anders over denkt.
‘Ik ook,’ zegt Roel. ‘Hoezo?’
‘Wat ik ingewikkeld vind,’ zegt ze stijfjes rechtop, ‘is wat jij zei voordat je moeder viel en zo. Je was op stap geweest met Giel. Die had verteld over zijn overleden nicht en van haar vriend die toen zijn huis uit werd gezet. Jij zei: zoiets mag jou niet overkomen. Ik moest je huis erven, zei je. Als we snel trouwden, dan was dat maar geregeld.’
‘Zo is het.’ Hij zet zich schrap: nu ik met mijn verrassing. Maar Pien is hem voor.
‘Net op de fiets dacht ik over je zoons,’ zegt ze. ‘Ik vroeg me af: Wat vinden die ervan? Die rekenen waarschijnlijk op jouw huis. In plaats daarvan krijg ik het, hun stiefmoeder. Nota bene. Dat geeft maar ruzie in de tent, daar pas ik voor.’

Stiefmoeder, ruzie om zijn huis? Mijn hemel, Roel voelt zich overdonderd. Zijn zoons zijn dol op Pien. Nietwaar?
‘Zo heb ik er nooit over nagedacht,’ zegt hij timide en hij bedwingt de onrust in zijn lijf door maar eens op te staan. Daar gaat mijn plannetje, vreest hij, wil Pien nog wel? Zo klinkt ze niet.
Dus houdt hij zijn verrassing voor zich.

Geplaatst in feest, huwelijk, liefde | 2 reacties

Huiswerk

De week na Pasen gaan ze weer aan het werk. Roel in zijn eigen kamer, Pien aan de eettafel. Achter in Roels hersenpan zeurt het dat zij dat maar zozo vindt.
Woensdagochtend. Aan zijn bureau bestudeert Roel net een partituur of Pien steekt haar hoofd om zijn deur.
‘Ik haal nog wat papieren van kantoor,’ zegt ze.
‘Mmm,’ neuriet Roel. ‘Blijf je lang weg?’
‘Het wordt denk ik vanmiddag.’ Verdiept in zijn muziek, mompelt hij:
‘Tot straks.’ En trekt zich weer terug in zijn denkbeeldige concertzaal.

Tegen vieren, na zijn laatste les online, is de huiskamer nog altijd leeg. Geen Pien. Hij ruimt wat op, zet thee, leest zijn krant, bladert door recepten voor Indiase dahl. Zal ik op internet alvast een feestzaal zoeken? Of kan ik beter wachten tot Pien terug is, piekert hij. Wat duurt dat lang, denkt hij benauwd. Zal ik bellen waar ze blijft? Nou nee. Daar houdt ze niet zo van, zegt ze altijd.
Om zes uur snijdt Roel alvast zijn broccoli in roosjes. Hij pleegt weer eens een plasje, zijn zoveelste. Een half uur later loopt Pien binnen, omringd door frisse wind, een blos op beide konen.
‘Het ruikt hier lekker, zeg.’
In plaats van opgelucht te zijn, houden zijn muizenissen hem gevangen.
‘Waar bleef je nou?’ Ongewild klinkt er wrevel in door.
‘De bibliotheek was dicht en er was geen portier,’ antwoordt Pien. ‘Toen ben ik naar de Pijp gefietst en heb ik in mijn huis gewerkt,’ zegt ze.

Later denkt hij wel eens aan die late woensdagmiddag terug. Aan de onzekerheid die hem toen overviel: of zo’n heerlijk mens wel bij hem wilde blijven, of ze hem wel nodig had. Ze was immers al jarenlang koningin in eigen rijk. Die toegeknepen maag toen was onzekerheid, denkt hij wanneer hij later terugkijkt. Maar op dat moment voelt het niet zo.

Roel wordt er boos om, wat hij niet weg kan houden uit zijn toon.
‘Moet dat in de Pijp?’ vraagt hij met nadruk. ‘Werken kan je hier toch ook?’
‘Ik moest met zoveel mensen bellen,’ zegt ze. ‘En zoomen.’
‘Staat daar dan een computer?’
‘Ik had mijn laptop bij me.’
‘Ben je er expres naartoe gegaan?’ In Roels keel buitelen de ongenoegens over elkaar heen. ‘Ga je nou toch weer latten? Die oude schoolvriendin van je, die An… , hoe heet ze ook alweer, die vond dat toch een goed idee?’ Met moeite lukt het hem zijn woordenvloed te stuiten.

‘Hoe bedoel je nou?’ vraagt Pien stijfjes. ‘Ik werk daar, dat is alles.’
‘En morgen dan?’ vraagt hij opeens timide, op het ergste voorbereid.
‘Morgen werk ik daar ook,’ antwoordt ze.
Stilte.
‘En na het werk zijn we gewoon gezellig samen thuis.’

Geplaatst in liefde, thuis, werk | 2 reacties

Anderhalve meter

Het is hollen of stilstaan. Eerst die hectiek met mama, Pien was toen steun en toeverlaat. Maar niet bepaald het middelpunt, wat zij toch hoort te zijn nu ze pas samenwonen. Lange wittebroodsweken had Roel gewild. De actualiteit schrijft nu iets anders voor. ‘Thuis werken’ is het motto. Vanuit datzelfde appartementje waar Pien pas ingetrokken is. Bij Roel.

Vanochtend is de verbinding toch weer geslaagd, godlof, en is Roel in zijn nopjes dat hij zijn leerlingen weer ziet. Jongens met vlassnorren, een enkeling laat iets baardachtigs groeien. De meiden onbevangen als de meisjes die ze waren, met het voorkomen van vrouwen. En zo getalenteerd. Hun geinige koppen levensgroot in beeld. Als Roel een melodie voorgalmt en daarna speelt, roept Pien:
‘Kan het wat zachter?’
‘Nou nee,’ slikt Roel maar in. De irritatie in haar stem ontgaat hem niet. Het is niet voor het eerst dat hij muziek op afstand maak. Ze heeft er last van, zit net in de zoveelste vergadering op groepsskype, kampt met dezelfde digitale klunzigheid als hij.

Hij heeft een eigen kamer, zo is zijn flat nu eenmaal ingericht. Maar zij werkt in gezamenlijke ruimte, aan tafel in de huiskamer. Dat zint haar niets, gaf ze hem pas nog te verstaan.
‘Roel, wil je niet een poosje met mij ruilen? Jij hier, ik daar?’ vroeg ze. Diplomatiek, dat wel. Roel glimlachte het zo’n beetje weg, voelde meteen dat het er bête uitzag. Hij snapt Pien wel, maar hij ziet louter beren op de weg. Zijn instrumenten, zijn muziek, nou ja, alles in zijn kamer, moet hij dat naar hiernaast verkassen? Het verontrust hem ook. Hij zou Pien graag gelukkig maken.

Sinds dat virus rondwaart, is niets meer gewoon. Het zet hun leven op z’n kop. Pien en hij de hele dag over de vloer, dat hoort toch niet? Roel verlaat zijn cocon hooguit voor een bezoekje aan de supermarkt. Waar hij wantrouwig om zich heen kijkt. Loopt een winkelende klant niet te dicht langs, staat hijzelf wel anderhalve meter van de caissière af? Het virus is onzichtbaar, maar het nadert. Of het is er al. Roel weet het niet. Dat is het dreigende eraan. Heeft hij de pinautomaat, een lift- of deurknop aangeraakt met blote hand? Dan kan hij al besmet zijn, zijn werk niet doen, wordt hij afhankelijk van Pien, die hem dan moet verplegen. Of hij haar, hoe moet dat dan?

Zelf acteurs in films en hun geliefde series bekijkt hij nu met achterdocht. Alert door de vermaningen en voorschriften wegens de pandemie.
‘Zie je hoe dicht Robert de Niro op die zakenpartner zit?’ vraagt hij als ze Netflix kijken. ‘Hij kent hem nauwelijks.’ Geen anderhalve meter afstand.
‘Moet je die Meryl Streep nou zien,’ roept Pien. Al dat buitenechtelijk gezoen met die charmante fotograaf verontrust hen beiden. Weten die sterren niet wat er gaande is? Nee dus, houdt Pien hem en Roel haar telkens voor: dat beeld op de tv stamt al van jaren her. Toen alles nog gewoon was.

Geplaatst in gezondheid, liefde, muziek, school, werk | Een reactie plaatsen

Uitgesteld effect

Roel loopt alweer achter de feiten aan. Zaterdag bij mama op bezoek? Geen denken aan. Verpleeghuizen houden hun voordeur dicht, is afgekondigd. Dan blijft hij zaterdag maar thuis. Naast Pien doet hij in ondergoed mee met de ochtendgymnastiek op de tv. Nederland in beweging met Olga Commandeur. Zijn moeder deed dat ook altijd.
‘Wat een tempo!’ zegt hij hijgend tegen Pien, terwijl hij drie keer links en dan naar rechts stapt. ‘Ik word oud.’
‘Maar wel fit,’ zegt Pien haar linker knie optrekkend.
Dat is dan wel weer leuk aan isolatie, vindt hij. Dat hij in boxer short voor de tv met Pien saamhorig staat te zwoegen.

De telefoon, de verzorging van zijn moeders huis:
‘Uw moeder had een slechte nacht, ze is benauwd, heeft geen ontbijt gegeten en wil ook niet meer drinken. We waarschuwen de huisarts voor de zekerheid. Ze zal u bellen,’ zegt het hoofd verzorging.
Dat voorspelt weinig goeds, ze bellen niet voor niets, denkt Roel, die mensen zijn ervaren.
‘Ik vrees het ergste,’ zegt hij tegen Pien.

De arts belt:
‘Ik trof uw moeder slapend aan. Ze haalde moeizaam adem en werd niet wakker toen ik haar onderzocht.’
Roel stelt zich de struise jonge dokter voor met een wit snoetje aan twee elastieken om haar achterhoofd met welig donker haar. Hoe ze over zijn moeder heen gebogen haar beluistert en bevoelt met latex handen.
‘Het lijkt of na haar val toch een infarct is opgetreden. Een soort uitgesteld effect,’ zegt de arts. ‘Het kan nu hard gaan. De familie kan maar beter komen,’ zegt ze. ‘Voor een noodgeval als dit laat het team wel bezoekers toe.’ Of Roel details daarvan zelf met de verzorging wil bespreken. ‘Ik kom geregeld kijken.’

Infarct, familie, bezoek, details, het duizelt Roel. Hij houdt zich sterk, belt de verzorging terug en stelt zijn vragen. De coördinator zegt:
‘U moet begrijpen, een crisis als nu hebben we nooit aan de hand gehad. Gegeven dat uw moeder terminaal is, gelden er andere restricties aan bezoek. Coronadreiging geldt nu alleen medebewoners van het huis en de familie.’ Ze passen en meten binnen de regels voor afstand en hygiëne. De verzorging zet ontsmettingsmiddel klaar.
Roel krijgt het Spaans benauwd: zijn moeder stervend en dan die voorschriften en hij een potentiële overtreder. Heel vervreemdend.

Toms zonen en schoondochter komen afscheid nemen, net als Roels jongste zoon. Elk uur één over de trap naar boven en later naar omlaag. Bijna onzichtbaar, beducht voor barse woorden van de staf. Ze zijn er niet voor in de stemming. Roel, Loes en Tom – allang uit Engeland terug- volgen als laatsten. Zij mogen blijven.
Mijn hemel, mama! Haar borst zwoegt, maar haar gezicht is rustig, alsof ze er geen erg in heeft.

Rond middernacht zitten de broers en zus in mama’s huiskamer. De deur naar waar ze schrapend ademt staat wijdopen. Bleekjes zegt Tom:
‘We zullen …’
‘Stt,’ maant Roel. ‘Ik hoor mama niet meer.’ De stilte is verpletterend.

Geplaatst in familie, gezondheid, thuis | 1 reactie

Vlakbij huis

Roel kijkt slaperig opzij. Op het tafeltje naast zijn bed staat in rode cijfers op zijn wekker 06:37. Zijn mobiel zwijgt in alle talen. Hij draait zich maar weer om, dommelt wat en stapt om half acht uit zijn bed. Behoedzaam grabbelt hij zijn telefoon mee. In de woonkamer toetst hij het nummer in van Torendael.
‘Hoe is het met mijn moeder, mevrouw Dullaert?’ Een verzorgster zegt:
‘Mevrouw had een heel goede nacht.’
Roel klaart op. Ze is er nog. Niet stiekempjes ertussenuit gepiept. Verkreukeld staat Pien in de deuropening. Rillend trekt ze haar zijden kamerjas met kraanvogelmotief vast om zich heen.
‘Goed nieuws,’ zegt Roel. Zijn bonkend hart bedaart tegen het hare.

Roel belt zijn broer, vertelt het hem.
‘Goed gedaan.’ Het valt mee dat Tom dat zomaar zegt. Zijn grote broer. Vroeger kreeg die zoiets niet uit zijn mond. Erkenning van zijn kleine broertje Roel? Tom peinsde er niet over. Voor dat onderdeurtje zou het zomaar een reden kunnen zijn om naast zijn schoenen te gaan lopen. Alsof zoiets ooit in Roel opkwam.

Roel belt zijn zus.
‘Ik ga wel even langs,’ zegt Loes. ‘Ga jij maar aan je werk.’
Roels middelbare school is dicht. Muziekles in de klas zit er niet in. Hij geeft de lessen nu online vanuit zijn huis.
‘Dan kom ik morgen,’ zegt Roel. Zaterdag, zijn vaste dag. ‘Geef haar een kus van mij.’
Loes sputtert iets met ‘corona.’

Bij zijn lunch leest hij haar whatsapp: Het is met mama dik in orde. Hij belt, Loes zegt:
‘Mama zat als gewoonlijk te dommelen in haar stoel.’ Blij om haar dochter weer te zien. ‘Ze wist niets van een gaasje met pleisters op haar hoofd.’ En ook de avond in het ziekenhuis was in haar nevelen gehuld. Roel? Was ze er met Roel geweest? ‘Dat weet ik niet hoor,’ zei ze volgens Loes. Maar wel vond ze het heerlijk dat Loes er zomaar was.

Om de zinnen te verzetten -en voor de broodnodige beweging- fietsen Roel en Pien eind van de vrijdagmiddag eventjes naar Amstelveen. Het is alweer veel langer licht. Straks, met de zomertijd al helemaal.
‘Als we daar nou eens zouden gaan trouwen, Pien.’ Amstelveen, een heel aardig stadhuis, vlakbij het water. Met restaurantjes in de buurt. Al zijn ze nu uit voorzorg stuk voor stuk gesloten. ‘In de zomer lijkt me de ligging heel romantisch.’
‘Laten we daar ergens ook een feestzaal reserveren,’ zegt Pien. ‘Zoiets moet je ruim van tevoren doen.’ Ook dat maar via internet. ‘Zou zo’n site nu wel bemand zijn? Weet jij hoe dat werkt?’

Ze fietsen langs de Amstel terug. Vlakbij zijn huis, het Amstelpark in zicht, vraagt Pien:
‘Wil je misschien nog eventjes langs Torendael? Voor een praatje met je moeder?’
Maar zo eenvoudig is dat met corona niet.
‘Per dag laten ze bij mama nog maar één bezoeker toe,’ antwoordt Roel. ‘Ik mag pas morgen weer.’

Geplaatst in familie, gezondheid, horeca, huwelijk, school | Een reactie plaatsen