Doeken op een rij tegen een wand

Adri verfrommelt in zijn atelier de ene na de andere schets. Zijn doeken op een rij tegen een wand, in wording, en schilderijen die al af zijn. Hij wil een voorstelling maken van twee geliefden samen onderweg.
‘Lukt het?’ vraagt zijn vrouw, als ze aan tafel zitten.
‘Ik heb iets in mijn hoofd, wat er niet uit wil komen.’ Dag in dag uit bestrijkt Adri een nieuw canvas met groen, geel, en rood acryl, totdat er een fors wiel staat, een man met zwarte integraal helm een stuur met beide handen vasthoudt, een vrouw met wapperende sjaal zich met een arm vanachter om zijn middel klemt.
Ene Arnoud, die Adri vaker in de buurt ontmoet, vraagt:
‘Jij schildert toch? In de buurtkrant stond iets over een wedstrijd.’
Thuis leest Adri: Thema van de inzendingen is de Liefde, hoofdletter L. De hoofdprijs: een expositie in het stadsdeelkantoor. Wordt het uw doorbraak?

Twee weken later loopt hij in een vol buurthuis langs de inzendingen. Op veel schilderijen staan stellen in suggestieve poses, omhelzingen, innige blikken.
Vlakbij zijn eigen werk hoort Adri zeggen:
‘Die vent houdt enkel van zijn Harley Davidson.’
“Zo’n vrouw moet de berijder wel vertrouwen,” zegt Adri. ‘Dat is toch liefde?’
‘Zij wel. Maar hij vertrouwt hooguit op zijn motor, niet op haar.’ Een ander zegt:
‘Ze wil hem enkel vanwege die machine. Zonder dat ding haakt ze af.’
‘Als zij niet mooi meer is, zet hij haar aan de kant,’ zegt een derde toeschouwer.
Adri wist niet dat mensen zulke dingen in zijn doeken zagen. Hij had de ware Liefde willen schilderen, in voor- en tegenspoed. Het is hem niet gelukt.

Diep in gedachten bij de motorrijder op zijn doek, loopt Adri kort erna Arnoud weer tegen het lijf. Die vraagt:
‘Je had toch met die wedstrijd meegedaan?’
‘Ben je toevallig dit weekend wezen kijken?’ vraagt Adri.
‘Nee, sorry,’ antwoordt Arnoud.
Adri haalt ruimer adem.
‘Mijn buurman had een aanrijding,’ zegt Arnoud. ‘Zijn hand lag er zowat af. Ik heb hem naar de eerste hulp gebracht. Daar hebben ze hem opgelapt.’
In Adri’s gedachten ligt zijn eigen motorrijder verkreukeld op de straat.
‘Je buurman heeft mazzel gehad, stel dat het niet gelukt was,’ zegt Adri. ‘Zullen we komende week eens samen in het buurthuis kijken?’

Hij belt de wedstrijdorganisatie en vraagt:
‘Wanneer beslist de jury?’
‘Over twee weken.’
‘Zou ik, in dat geval, mijn schilderij nog een dagje kunnen lenen?’ vraagt hij.

Thuis schildert Adri de linkerarm van de berijder over, en hangt daarna zijn inzending weer op. Later in de week staat Arnoud naast hem er aandachtig naar te turen.
‘Heeft die motorrijder maar een arm?’ vraagt hij.
‘Zijn vrouw heeft ze wel allebei,’ antwoordt Adri. ‘Kijk maar, ze houden ieder een hand aan het stuur.’
‘Dat is pas ware Liefde,’ oordeelt de jury later.

Geplaatst in buren, museum, thuis | 2 reacties

Dat heb ik niet zo in de gaten

Terug van zijn werk loopt Frits de hal in van zijn flatgebouw, en wacht beneden op zijn lift. Zijn bovenbuurvrouw – felgroene jas, dito vlinderbril- loopt binnen.
‘Ha Frits!’
‘Hallo.’ Door het ronde raampje in de deur kijkt hij naast haar hoe de rechterlift omlaag zakt. Frits houdt de zware deur open.
‘Na jou.’ In het kale hok onderweg naar negen hoog, zij naar tien, vraagt Frits:
‘Kom jij mijn onderbuurman wel eens tegen?’
‘Van Gram, met die hond?’ vraagt ze. ‘Gatver, wat stinkt dat beest, iedereen klaagt steen en been.’
‘Ik heb er ook zo zoetjesaan tabak van. Heeft iemand het hem ooit gezegd?’
‘Zo’n man is daar niet vatbaar voor,’ zegt de buurvrouw. ‘Wil je het leefbaar houden in een flat, dan zeg je ja en amen, en je slikt.’ De negende.
‘Prettige avond.’
‘Jij ook.’

Een week later staat Frits net in de lift of hij stopt, en Van Gram stapt met zijn herder binnen. Diens snuit al even grijs als de haren van zijn baas. De adem van het beest, of misschien zijn vale vacht, is niet te harden. Frits krijgt het warm van hoofd tot voeten, hij ritst zijn jack open.
‘Mag ik u wat zeggen?’ vraagt hij. ‘Bruno ruikt nogal sterk, om het zacht uit te drukken. Neemt u me niet kwalijk.’
‘Ik ruik niets,’ zegt Van Gram, zijn wangen purperrood. ‘Jij bent de eerste die dat zegt, ik krijg nooit klachten.’
‘Zo ingewikkeld is het toch niet om je hond te wassen?’ Op dat moment kan Frits geen vriendelijker woorden vinden.
‘Zal ik jou eens wat zeggen?’ zegt Van Gram. ‘Ik hoor jullie de hele tijd boven mijn hoofd lopen, bonken, tikken. En je tv klinkt ook behoorlijk door. Daar hoor je mij niet over.’
‘Dat spijt me dan,’ zegt Frits. ‘Dat heb ik niet zo in de gaten.’
Begane grond, de deuren schuiven open. Frits bromt:
‘Tot ziens,’ en beent naar buiten.

Twee weken later loopt hij op zondagochtend vroeg zijn trainingsrondje door een verlaten Amstelpark, een enkeling rent ook, een eekhoorntje schiet weg. In joggingpak loopt Frits de hal binnen. De onderkant van de linker lift hangt stil voor het ronde ruitje. Een mannenstem roept:
‘Help!’
‘Zit je vast?’ vraagt Frits.
‘Ik kan er niet meer uit,’ roept een bekende stem. Van Gram. ‘Ik heb mijn telefoon niet bij me.’
Frits belt het nummer van de liftenservice dat Van Gram hem noemt. Na een poosje bemoeien andere bewoners zich ermee. Man en hond zijn na een halfuur vrij.

Weken later stapt Van Gram opnieuw bij Frits de lift in, ditmaal zonder hond. Aandachtig naar het marmoleum turend, zegt hij:
‘Tegenwoordig gebruik ik de goederenlift als ik met Bruno ben.’
‘Mooi.’
‘Wassen helpt niet. Bruno wordt erg oud, het zal helaas niet lang meer duren.’

Geplaatst in buren, thuis | 2 reacties

Hij zou het overwegen

Op de verjaardag van zijn zus pakt Eric in een kamer vol visite, koffie van het blad dat ze hem voorhoudt. Hij vraagt:
‘Heeft Richard jou verteld dat hij die baan niet heeft gekregen? Je kunt wel raden hoe het komt. Bij hem is het voortdurend enerzijds en anderzijds.’
‘Help even,’ zegt ze.
Zijn zus, Marleen, loopt verder met de koffie, Eric biedt gasten uit een grote doos gebakjes aan. Als iedereen bediend is, gaat hij aan tafel zitten. Marleen schuift later aan.
‘Wat wil je? Het was de eerste keer dat hij solliciteerde,’ zegt ze. ‘Het zal nog wel een paar keer misgaan. Een beetje nuance kan voor zo’n jongen toch geen kwaad?’
‘In het bedrijfsleven zitten klanten niet verlegen om mitsen en maren, optie dit en optie dat. Doorpakken moet je, heldere keuzes maken, grenzen stellen,’ zegt Eric.

Marleen schenkt wijn en gedistilleerd in voor haar gasten, Eric praat met een paar van haar vriendinnen. Pas als de meeste bezoekers zijn vertrokken, komt Marleen er weer op terug.
‘Weet je zeker dat Richard het bedrijfsleven in wil?’
‘Dat is de enige plek waar een jongeman als hij wat kan verdienen, bij de overheid is dat een kale boterham. Hij heeft zijn Masters nu, laat hij zich stevig opstellen.’
‘Is Richard daar het type voor?’
‘Een jonge werknemer van me waaide ook met alle winden mee. Bij zijn jaargesprek heb ik geadviseerd: Volg jij maar eens een cursus assertiviteit.’
‘Weigeren was er zeker niet bij?’ vraagt Marleen.
‘Bij die jongeman hielp het reusachtig. Tegen Richard heb ik gezegd: Probeer jij dat nou ook eens.’
‘En?’
‘Hij zou het overwegen.’
‘We hebben het er nog wel eens over.’ Marleen staat op, loopt naar een groepje gasten toe.

Weken erna belt Eric zijn zoon op:
‘Kom je weer eens eten? Ik heb je veel te lang niet meer gesproken.’
Die zaterdag draait Richard om half zeven het slot van Erics voordeur open. Met ferme pas loopt hij de woonkamer binnen.
‘Heb je iets lekkers voor me gemaakt, of wordt het een bezorgdienst?’ vraagt hij aan zijn pa.
‘Lasagne, zelfgemaakt. Wil je een pilsje?’
‘Wat heb je allemaal in huis?’

Als Richard op de bank zit, vraagt Eric:
‘Heb je nog zo’n cursus gedaan, die ik je heb aangeraden?’
‘Uiteindelijk wel,’ antwoordt Richard. ‘Ik zeg het je niet graag, maar het was erg nuttig.’
‘Goed om te horen. Wat heb je er zoal geleerd?’
‘Ik weet nu wel weer beter wat ik wil.’
‘Daar was het me ook om te doen.’ Eric doopt een tortillachip in een bakje guacamole.
‘Voor mij en mijn vriendin zat er geen toekomst in, heb ik ontdekt,’ zegt Richard. ‘Ik heb het uitgemaakt. En ik heb ook bedacht dat ik niet het bedrijfsleven in wil.’
‘En wat dan wel?’
‘Dat moet je me niet vragen hoor, alle opties liggen open.’

Geplaatst in familie, thuis, verjaardag, werk | 2 reacties

Om elk moment weer door te kunnen lopen

In een dure winkelstraat nabij het Amsterdamse Vondelpark –Lacoste, Diesel, Chanel- loopt een vrouw met zwierige rok, en jasje in dezelfde kleur, op Juul af.
‘Ken ik jou niet?’
Haar stem en dictie komen bekend voor. Van opzij gluurt Juul naar een coupe met oplichtende lokken, strak gestifte lippen. De vrouw staat stil.
‘Ik ben het, Renske’ zegt ze. ‘Jij bent toch Juul, VWO Moreelsestraat?’ De vrouw zet haar drie volle tassen neer.
Juul houdt haar pas in, om elk moment weer door te kunnen lopen. Ze knikt.

‘Je ziet er goed uit,’ zegt de vrouw. ‘Vertel eens hoe het je vergaan is in de tussentijd. Ben je getrouwd, heb je kinderen?’
‘Geen van tweeën,’ antwoordt Juul. ‘En jij?’
‘Een zoon, vijf gym, natuur en techniek. Toen op de reünie was hij al onderweg.’

‘O ja, de reünie.’
Toen in een schoollokaal, onder fleurige versiering een van de oud-klasgenoten vroeg:
‘Wat doe jij tegenwoordig voor de kost?’
‘Op een kantoor,’ antwoordde Juul. ‘In de administratie.’
‘Ik zit in de PR,’ had Renske geantwoord. Tegen de ex-leerling naast haar zei ze, voor Juul hoorbaar:
‘Een ton per jaar.’
‘En waar wonen jullie tegenwoordig?’ vroeg een klassevertegenwoordiger van eertijds.
‘In Geuzenveld,’ had Juul geantwoord.
‘Ik aan het Vondelpark,’ vertelde Renske. ‘Een herenhuis, acht kamers.’
‘Verliefd, verloofd, getrouwd?’
‘Het is er nog niet van gekomen,’ antwoordde Juul. Ze wilde uit het groepje weg, maar wist niet hoe ze zoiets doen kon zonder op te vallen.
Renske zei stralend:
‘Ik ben vier maanden zwanger. Daar staat mijn man.’ Een vent in merkkleding, die vlakbij hen aan een geïmproviseerde bar stond. Later, op het schoolbalkon, streek hij Juul over haar kont.

Juul was toen rechtstreeks naar de buitendeur gestapt, waar een jonge leerlinge haar halt hield:
‘Vult u alstublieft nog even de evaluatie in?’
Bij de laatste vraag op het formulier ‘Bent u van plan vaker een schoolreünie te bezoeken?’ had Juul ‘Nooit meer’ aangestreept.

‘En met je man?’ vraagt Juul nu, voor etalagepoppen met lange, smalle benen onder korte rokken.
‘Van die schuinsmarcheerder ben ik af. Zelfs op die reünie al flirtte hij met elke tiet,’ zegt Renske, haar stem schril, strak gezicht. ‘En de PR-branche komt ook mijn neus uit. Binnenkort ga ik misschien iets administratiefs doen, parttime, zoals jij.’
‘Mooi,’ zegt Juul.
‘Woon je nog in dat flatje?’ vraagt Renske. ‘In Osdorp, of waar was het, Diemen? Ik zal daar ook moeten gaan wonen.’
‘Geuzenveld,’ antwoordt Juul.

“Zo’n bohemien als jij heeft het daar maar gemakkelijk mee, jij lapt gewoonweg alles aan je laars.”
‘Nou ja,’ zegt Juul. ‘Wat heet.’
‘Kon ik dat maar,’ zegt Renske. ‘Ik kan veel van je leren.’
‘O ja?’
‘Er komt een nieuwe reünie, heb ik gehoord,’ zegt Renske. ‘Ik weet niet of ik ga.’ Juul zegt:
‘Ik heb er, denk ik, wel weer zin in.’

Geplaatst in huwelijk, kantoor, liefde, school, werk, winkel | 2 reacties

Als je skypet, zit hij als het ware in je huis

Net na de lunch schroeft Henk een deurkruk vast, vervangt een lampje, dan belt zijn zoon op, Pim.
‘Hoe gaat het?’
‘Niet zo denderend. Je kent Lou toch?’
‘Is ie dood?’
‘Ik moet er niet aan denken. Hij is van plan naar Canada te emigreren.’
‘Canada ligt om de hoek,’ zegt Pim. ‘Je bent er in acht uur. Zo moeilijk is dat niet. Je hebt toch ook nog andere vrienden?’
‘Niet zoals Lou, hem ken ik al van jongs af aan. Hij kende mama goed, hij kent jullie,’ zegt Henk.
‘Vliegen kost tegenwoordig niets,’ zegt Pim. ‘Maar waar ik eigenlijk voor bel, is de woonkamermuur. Vind je die goed genoeg gedekt, of verven we er nog een laagje overheen?

’s Avonds op zijn bank spatelt Henk zijn opgewarmde prak naar binnen, geen show, film of serie op tv weet hem te boeien. Tussen het zappen door, belt Henks zus op.
‘Heb je nog nieuws?’ vraagt ze.
‘Niet zo best,’ antwoordt hij. ‘Lou, gaat naar Canada verhuizen.’ De rest van zijn verhaal blijft steken in Henks keel.
‘Hè Henk, dat vind ik nou echt jammer voor je,’ zegt ze. “Zo’n trouwe vent.”
‘Van Pim mag ik alleen maar klagen als hij dood is.’
‘Trek het je niet aan,’ zegt zijn zus. ‘Weet je, wanneer je met Lou skypet, zit hij als het ware in je huis.’
‘Maar niet echt.’
‘Nou, dan niet.’

Later in de week, spreekt Henk zijn zus toevallig weer, op een verjaardag. Ze zegt:
‘Ik heb een tip van een vriendin, die zweert bij groepsreizen. Dat moet jij ook gaan doen, met fitte medereizigers, een graadje jonger dan jij en ik. Zij doet dat elk jaar, met veel plezier.’
‘Zij is haar beste maat niet kwijt.’
‘Je kunt niet blijven kniezen, Henk,’ zegt zijn zus.

Niet lang erna belt Henk bij zijn bejaarde buurvrouw aan. Haar man is onlangs overleden.
‘Ik zet meteen koffie,’ zegt ze. Leunend op haar stok stapt ze naar haar keuken.
‘Wat hangt je aanrechtdeurtje scheef,’ zegt Henk.
‘Dat is al sinds hij ziek werd.’
Door haar keukenraam tuurt Henk naar het groen, rood en geel van struiken en van bomen in haar tuin. Ze komt naast hem staan.
‘Mooi zijn die herfstkleuren,’ zegt ze. ‘Hij was daar ook zo dol op.’
‘Heb ik je al van Lou verteld, dat hij naar Canada wil emigreren?’ vraagt Henk, terwijl zijn buurvrouw koffie schenkt.
‘Wat vreselijk,’ roept ze.
‘Van iedereen krijg ik alleen maar goede raad in plaats van medeleven.’
‘Hè, wat een tegenvaller. Je hebt zo’n hechte band met Lou, je kent hem al zo lang. Man, man, kom hier.’
Ze trekt Henk tegen haar boezem aan, ongemakkelijk leunt hij op haar schouder. Ze laat hem los, zet haar bril af, en wrijft haar ogen droog.
‘Ik zal even dat deurtje voor je recht hangen,’ zegt hij.

Geplaatst in familie, huwelijk, thuis, vrienden | 2 reacties

Meisjes die voortdurend op hun telefoontjes kijken

Tijdens een rondje door het Amstelpark vraagt Henk aan Lou:
‘Ken ik je echt al vijftig jaar? Niet te geloven, man, wat worden we toch oud.’
‘Mijn dochter zei ook al zoiets. Maar wat heet oud?’
‘Hoe is het met je knie, is die nog stijf?’
‘Het gaat al stukken beter,’ antwoordt Lou. ‘En jouw schouder?’
‘Die speelt nog af en toe een beetje op.’

Bij een boekenmolen staan ze stil, Lou tilt de plastic klep op, pakt er een pocket uit.
‘Maigret op school. Die ken ik niet.’ Hij stop het in zijn jaszak.
‘Heb je nog iets leuks megemaakt?’ vraagt Henk.
‘Mijn naam staat in de krant.’
‘Wat heb je uitgespookt, een overval, fraude, terrorisme?’
Ze gaan op een bank zitten. Behoedzaam trekt Lou uit zijn binnenzak een uitgescheurde dagbladpagina en strijkt hem glad over zijn dij.
‘Kijk, ik heb het cryptogram van vorige week gewonnen.’
‘Goed zeg. Wat ben je toch een stugge doorzetter,’ zegt Henk. ‘Ik ben trots op je.’ Hij klopt Lou op zijn rug.
Lou vouwt de bladzij van zijn glorie op, en stopt hem in zijn jas terug. Hij zegt:
‘Ik moet je trouwens wat vertellen.’

Henks binnenste wordt kil van Lou’s rare, lage toon. Van opzij kijkt hij zijn maatje aan.
‘Vertel op.’
‘Mijn dochter,’ zegt Lou. ‘Die twintig jaar terug naar Canada geëmigreerd is.’
‘Ja, ja, Francis, die ken ik toch, van baby af. Heeft ze iets?’
‘Ze heeft gevraagd of ik haar kant op kom.’
‘Voor vakantie?’
‘Ditmaal niet. Het komt erop neer… Ze wil dat ik bij haar kom wonen. Ze wil een beetje voor me zorgen als ik straks oud ben,’ antwoordt Lou.

Henks mond verstrakt. Met dichtgesnoerde keel loopt hij langs een orangerie, met kuipplanten. Lou zegt:
‘Ze stelde voor dat ik het eerst een jaartje zou proberen. En als het ons dan allebei bevalt, blijf ik voorgoed.’
‘Potdomme man, we zien elkaar niet meer.’
‘Canada is heus het einde van de wereld niet.’

Diep in gedachten loopt Henk naast zijn grijze vriend, hij balt zijn vuisten, zegt:
‘Een man hoort zoiets misschien niet tegen je te zeggen, maar: Wat denk je van de wereld die wij samen hebben opgebouwd? In al die jaren. Onze wandelingetjes, de klaverjas, onze gezamenlijke vrienden.’
‘Ik zit er ook vreselijk mee, de hele dag loop ik erover na te denken,’ zegt Lou schor.
‘Nou ja, mensen zoals hier heb je overal: zo’n kleine krullenbol, en meisjes die voortdurend op hun telefoontjes kijken.’
‘Daar zijn ze anders,’ zegt Lou met zijn kop omlaag.

Henk zucht, Lou zegt:
‘Wij tweeën blijven altijd samen vrienden.’
‘Dat spreekt vanzelf.’ Henk pauzeert.
‘Alleen, de makke is,’ zegt hij. ‘Als jij daar woont, en ik blijf hier, dan worden we niet samen oud. En zeg nou zelf: wat heeft dat nu voor zin?’

Geplaatst in vrienden | 6 reacties

Ben je hier met je man?

Marcel is een weekend alleen thuis. Gisterenavond is hij met een vriend naar de film geweest, Dogman. Ze hebben er lang over nagepraat. Vanochtend stoft hij lampenkappen af, zoals hij zijn vrouw heeft beloofd. Hij draait een was, hangt hem te drogen. Dan is het welletjes en gaat hij in zijn oorstoel zitten.

Hij leest over ene Verna, die per cruiseschip met een gezelschap naar de noordpool gaat. In gedachten reist hij met haar mee. Bij de kennismakingsborrel, ziet Verna op de naamplaatjes een Ken, een Fred, drie Bobs. Naar Verna’s borsten kijkend, zegt een van hen:
‘Zo, je heet Verna.’
‘En jij bent Bob?’ leest ze.
‘Bob Goram.’

Opeens herkent ze hem van vijftig jaar geleden. Een gevierde jongen, die haar toentertijd bruut had verkracht. Ze raakte zwanger, bij de nonnen in een internaat beviel ze van een baby die ze onmiddellijk moest afstaan. Haar toekomst zag er aardedonker uit. En nu? Zou Bob haar niet herkennen? Ze verslikt zich, hij klopt haar op haar rug.
‘Sorry.’ In de wc spuugt ze een toastje uit en witte wijn, ze spoelt haar mond, werkt haar mascara bij, en loopt terug.

‘Gaat het weer?’ vraagt Bob. ‘Ben je hier met je man?’
‘Ik ben weduwe,’ antwoordt Verna. ‘Sinds een paar jaar.’
‘Een halfjaar terug is mijn vrouw ook overleden. De liefde van mijn leven.’
Verna knikt.
‘Laten we onze kennismaking vieren,’ zegt Bob. ‘We drinken er een flesje op.’
Verna zou hem het liefst ermee de kop inslaan.
Het gezelschap gaat op een rotseiland naar een fossiele steensoort kijken, stromatoliet. Net wanneer Bob Verna heeft meegelokt achter een hoge richel, legt Marcel zijn boek terzijde voor zijn lunch.

Hij smeert zijn boterhammen, snijdt bruine plekken uit een appel, schaaft jong belegen kaas. In zijn fantasie zegt hij tegen de heldin van het verhaal:
Je laat je toch niet inpalmen door die engerd, hè?
En als de vrouw in zijn gedachten hem smalend aankijkt, zegt Marcel:
Ach nee, iemand als jij natuurlijk niet.
Marcel wast zijn bord en bestek af, en leest gauw verder.
Op het eiland maakt Verna zich aan Bob bekend, hij heeft er geen idee van wie ze is.

Aan het einde van de zondagmiddag heeft Marcel zijn boek uit. Een beetje doelloos loopt hij door zijn huis. Hij moet hoognodig de kattenbak verschonen, en planten begieten. Dat hoefde niet toen hij nog met zijn hoofd op Antarctica vertoefde.

De telefoon gaat: Marcels dochter, die de laatste weken op de Mallorca op vakantie was.
‘Ha lieverd, ben je allang terug?’ vraagt Marcel. ‘Hoe heb je het gehad?’
‘Heerlijk gewandeld, we boften met het weer. En hoe is het met jou?’
‘Goed,’ antwoordt Marcel. Hij zwijgt over het schip, de excursies, over Verna.
‘Het is hier thuis weer zo gewoon,’ zegt zijn dochter zuchtend. ‘Wat moet ik hier?’
‘Ja,’ zegt Marcel. ‘Dat vraag ik me ook af.’

Geplaatst in reizen, thuis | Een reactie plaatsen

Het zal hem aan gespreksstof niet ontbreken

Vanmiddag gaat Giel repeteren met zijn strijkje. Zijn viool op zijn rug en in zijn rechterhand een tas met oude kranten, loopt hij de trap af. Die zal hij onderweg in de papierbak legen.
Als hij een stap de stoep op zet, ligt voor de deur een grote hondenvla. Daar staat hij met zijn milieutas, wat moet hij doen?

De buurvrouw van drie hoog loopt hem toevallig achterop.
‘Ha, buurman.’
‘Moet je toch zien,’ zegt Giel. ‘Midden voor de ingang.’
‘Gatver, wie laat er nou zoiets gebeuren?’
Giel neemt de troep in ogenschouw, hij kijkt maar eens opzij en voor zich uit, alsof zijn redding daarvandaan zal komen. De buurvrouw vraagt:
‘Hebben we misschien iets om het op te ruimen?’

Al was hij het liefst weggerend, hij vist wat kranten uit zijn tas, deelt ze de bovenbuurvrouw uit, pakt er een voor hemzelf. Zijn gezelschap hurkt voortvarend, en schraapt het gore spul met proppen van de stenen. Giel klemt zijn kaken stijf opeen, en zakt ook door de knieën.
‘Wat voor een asociaal laat dat zijn hond pal voor een huisdeur doen?’ vraagt hij.
‘Het is van de gekke,’ zegt de buurvrouw. IJverig zitten ze naast elkaar te vegen tot het trottoir schoon is.

De vijf minuten op de fiets naar Menno, de bassist, herhaalt Giel het gebeuren in zijn hoofd, hij dikt de troep en walging aan, vergroot de schande uit. Straks zal het aan gespreksstof niet ontbreken.
‘Hello boys,’ zegt hij in Menno’s woonkamer. Ze stemmen instrumenten, spannen hun stokken, bestrijken de snaren alsof die aan hun lief behoren. Net zolang opnieuw, tot de papieren noten tot muziek geworden zijn. Aan het eind schudt Giel zijn handen los, draait met zijn schouders, en pakt zijn viool in. Menno haalt pils uit de koelkast.

Giel wil wel even horen over het feest van de cellist, en over Menno’s fiets, die laatst kapot was. Dan zal hij hen daarna laten gruwen van zijn verhaal over zijn stoep.
‘Is er nog wat gebeurd?’ vraagt hij.
‘Dat kan je wel zeggen,’ zegt Menno. ‘Ik zag de laatste tijd wat minder. Ik dacht, ik vraag het een collega, oogchirurg.’
‘En?’
‘Ik heb een progressieve ziekte aan mijn netvlies. Het zit hem in mijn macula, waarmee ik scherp stel, daar zit te weinig glasvocht voor, steeds minder. Het zit er dik in dat ik slechtziend ga worden. Misschien wel blind.’

Giel legt een arm om Menno’s schouders.
‘Wat een ellende.’
Menno slikt, strijkt met een vinger onder de rand van zijn bril. Hij kucht.
‘Genoeg erover. En met jullie?’
‘Mijn moeders gezondheid holt plotseling achteruit,’ zegt de cellist. ‘Ze kan niet langer zelfstandig in haar huisje wonen.’
‘Wat een rotbericht,’ zegt Giel.
‘Dat hakt erin, man.’
Menno kijkt naar Giel, en vraagt:
‘Is er bij jou nog wat gebeurd?’
‘Helemaal niets,’ antwoordt Giel.

Geplaatst in muziek, op de fiets, vrienden | Een reactie plaatsen

Er hebben een paar afgezegd

Roel zou zijn nieuwe Pien graag tonen dat een weduwnaar niet eenzaam is, of zielig. Misschien zijn zestigste verjaardag maar eens met al zijn vrienden vieren?
‘Ik vier het dit jaar groot,’ zegt hij als hij haar uitnodigt.
Een uur voordat zijn feest begint, staan er in zijn huiskamer rijen stoelen langs een wand en voor zijn boekenkast. Met zijn wijsvinger loopt hij zijn lijstje na, alles lijkt dik in orde. Schaaltjes met zoutjes op de bijzettafels, op de eettafel frisdrank, wijn, bier, en glazen. Zijn feest kan beginnen.

Zeven uur stipt belt de eerste aan.
‘Van harte,’ zegt ze, en kust hem op zijn wangen. ‘Wel veel stoelen. Verwacht je zoveel mensen?’
‘Een stuk of twintig, denk ik. Er hebben een paar afgezegd, vanwege hun vakantie, of een ander feest. Een paar mensen van mijn bridgeclub spelen een toernooi, die komen later.’
‘Wat een hoop, Roel, niets voor jou.’
Ze praten over het orkest waarin hij cello speelt, over de uitvoering waar zijn gast ook is geweest. Zijn kamer klink hol. De zitplaatsen naast hen ogen leeg, de kratten drank en schalen etenswaren overbodig. Gelukkig maar dat Pien er nog niet is. Hij heeft toch wel de juiste tijd en datum doorgegeven? De bel.
‘Ik doe even open.’

Zijn buren lopen binnen, meteen erna ook andere gasten. Met licht gemoed neemt Roel natte jacks aan, en scheurt papier van zijn cadeaus. Om half acht is zijn huis bomvol. Nu Pien nog.
Half negen. Boven muziek, gesprekken en gelach uit roepen zijn overburen:
‘Weet jij nog hoe dat stel hiernaast heette?’
‘Die van die honden? Wat een ellende,’ zegt hij.
‘Kom even bij ons zitten.’
Tegenover hen zitten orkestleden te praten. Zat Pien daar ook maar.

Terwijl hij hapjes rondbrengt, maken een paar gasten een dansje. Als Pien er was geweest, had Roel graag meegedaan. Een oud-klasgenootje tikt hem aan. Ze wisselen herinneringen uit aan hun leraren geschiedenis en Engels. Een goede kennis laat hem foto’s van zijn jongste kleinkind zien, Roel wordt toegezongen.
‘Had jij niet een nieuwe vlam?’ smiespelt een vriend vlakbij zijn oor.
‘Ik vrees,’ zegt Roel, ‘dat die het toch niet zo op weduwmannen heeft begrepen.’
Net heeft hij om half tien wat pilsjes koud gezet, of een studiemaat van vroeger pakt hem bij zijn schouder:

‘Ik ga er weer vandoor, gezellig feest, man.’ Pien had hem vast gemogen. Een bevriend stel zegt ook gedag.
‘We moeten nog naar de verjaardag van mijn broer.’ De buren lopen in hun kielzog mee.
Onmiddellijk erna klinkt de bel, Pien.
‘Gefeliciteerd,’ zegt ze. Ze overhandigt hem een roze fuchsia in cellofaan. Hij drukt haar aan zijn borst.
‘Ik dacht, ik kom wat later. Dan is het niet zo vol.’
Hij pakt haar hand en wenst met heel zijn hart dat iedereen, op haar na, snel vertrekt.

Geplaatst in feest, liefde, thuis, verjaardag, vrienden | 2 reacties

Hoe vaak ik toegeef aan iemands hongerende ogen

‘Als een verkoopster in een modezaak me een broek voorhoudt, een rok, sjaaltje erbij, ben ik verloren,’ zegt Linda. “Zo’n mens kijkt zo gelukzalig, als ik wat koop. Ik doe het voor die blik. Jammer genoeg blijken thuis nogal wat van die kleren alleen geschikt voor een gelegenheid die zich niet voordoet. Mijn kast hangt er vol mee.”
‘Deine Sorgen möchte ich haben,’ zegt Eveline.
‘Pardon?’
‘Als dat alles is waar je last van hebt.’
‘Alles? Met mannen gaat het bij mij net zo,’ zegt Linda. ‘Ik ben evengoed verloren als een vent me hunkerend aankijkt. Je wil niet weten hoe vaak ik toegeef aan iemands hongerende ogen.’
‘Niets om je voor te schamen.’
‘Behalve dat ik veel te vaak verkering heb met types die me achteraf niet liggen.’
‘Gelukkig heb je nu René,’ zegt Eveline. ‘De beste remedie tegen smachtende blikken.’
‘Zo is het,’ zegt Linda. ‘Ik ga nergens zonder hem naartoe.’

Sinds kort moet Linda rondkomen van gitaarles, haar kantoorbaan heeft ze opgezegd. Een vetpot is het niet. Bij het passeren van modezaken, loopt ze snel door, uit vrees voor lonkende verkoopsters.
‘Hoe doe jij dat?’ vraagt ze Eveline. ‘Voelt jij je nooit bezwaard?’
‘Ik heb wat standaard zinnen bij de hand,’ zegt haar vriendin. “Zoals: Ik denk nog even na, ik kom een andere keer terug.’ Of heel gewoon: ‘Tot ziens.’ En ik kijk nooit in de ogen van die vrouwen. Zo kan je ongestoord een winkel in en uit.”

Linda waagt het erop, stapt een modezaakje in, en past een jurk. In de spiegel ziet ze dat het model haar niet flatteert, de kleur al evenmin.
‘Heel leuk,’ zegt de verkoopster. ‘U heeft een mooi figuur.’
De jurk kriebelt, Linda wil hem niet, de hitte bekruipt haar konen. Met afgewende blik zegt ze:
‘Tot ziens.’ Over de drempel haalt ze vrijuit adem, en fietst neuriënd naar huis.

Haar vriend René is enkele dagen in retraite met collega’s. Linda wil ‘s avonds naar een thriller, waar haar vaste filmmaat niets voor voelt. Dan gaat Linda maar alleen.
Na afloop in het filmcafé raakt ze in gesprek met een vent die leuk vertellen kan, Roel. In het begin maakt ze soms oogcontact, hij kijkt heel lief. Tijdens haar plaspauze schemert René’s gezicht haar voor ogen, liefdevol lacht hij haar toe. Ze weet meteen wat haar terug in het café te doen staat: Ik pak mijn jas, ik kijk die leuke Roel niet aan, ik zeg tot ziens, en ik vertrek.

Als ze schoorvoetend terugloopt, ziet ze onverwacht Roel met zijn jack aan, pet op, naast de bar staan.
‘Hé, ga je al?’ vraagt Linda.
‘Het was gezellig, maar ik moet naar huis,’ zegt hij. Over haar schouder kijkt Roel langs haar in de verte.
‘Tot ziens,’ zegt hij, en loopt de deur uit.

Geplaatst in liefde, vrienden, winkel | Een reactie plaatsen