De anderen geeft hij een overhoring

Wim heeft zijn tuin voor een balkon verruild. Daar is hij dagelijks in de weer met aarde, kweekkasjes en planten. Misschien wel meer dan vroeger, toen woonde hij op de begane grond naast een buurman die het niet zo op hem had begrepen. Met zijn bladblazer joeg de man geregeld de afgevallen bladeren van hun gezamenlijke heg er dwars doorheen naar Wims tuin toe.
‘Die zijn van jou!’ zei hij er altijd bij.

Op koningsdag is er een feestje in Wims oude buurt, waar zijn vriendin Renske heen wil.
‘Ik heb geen zin die kerel weer te zien die vroeger naast me woonde,’ zegt Wim.
‘Ach joh, die is allang weer ouder en aanzienlijk wijzer, net als jij,’ zegt ze.
Op de bewuste dag loopt Wim rond elven daar langs rood-wit-blauw-oranje kraampjes en staat dan oog in oog met zijn gewezen buurman.
‘Hallo,’ zegt Wim en steekt zijn hand op. De man kijkt langs hem heen, keert hem zijn rug toe en loopt van hem weg. Andere buurtbewoners die Wim lang heeft gekend spreken hem aan.

Om twaalf uur zit hij op het stoepje van zijn overbuurtjes aan de koffie, de plaaggeest van voorheen staat aan zijn kant van de straat voor eigen huis te praten met een onbekende. Wanneer Wim opkijkt, zwenkt voormalig buurmans blik een andere richting op.
‘s Middags in zijn appartement zegt Wim tegen zijn Renske:
‘Die vent verandert niet, en in zijn ogen blijf ik ook dezelfde.’
Niet lang erna bezoekt Wim bij een reünie weer eens de school waar hij ooit lesgaf. Oud-leerlingen –allang volwassen- voeren een sketchje op. In korte broek, T-shirt met slogan, pet achterstevoren zitten ze breed in een schoolbank. Voor hen oreert iemand in colbert met aanwijsstok, die zo te zien een jonge meester Wim uitbeeldt. Een van zijn vroegere pupillen roept dwars door hem heen:
‘Dat hoeven we toch niet te weten.’
‘Vraag dat maar aan de rector,’ zegt de Wim van toen. ‘Eruit.’ De anderen geeft hij een overhoring.

Na afloop bij de borrel loopt de hedendaagse Wim -alweer zo’n jaar of dertig ouder- een van de spelers tegen het lijf.
‘Dat heb je leuk gedaan,’ zegt hij.
‘U had het toen altijd op mij begrepen,’ zegt zijn oud-leerling.
‘Ach toen,’ zegt Wim. ‘Dat is toch allang over.’

Thuis zegt hij tegen Renske:
‘Altijd die oude koeien uit de sloot, alsof je nooit verandert. Ik ga niet meer naar die gelegenheden toe.’

Een maand later is hij op een receptie van een oud-collega. Met een petitfourtje in zijn hand staat Wim te kijken naar de gasten. Hij groet wat voormalig vakgenoten, veel bezoekers kent hij niet. Een vrouw van in de veertig, in strakke korte jurk, loopt op hem af.
‘Ik zat vroeger bij u in de klas,’ zegt ze.
Wim verwacht de zoveelste bevroren anekdote uit lang vervlogen tijden.
‘Vroeger is voorbij,’ zegt hij maar meteen.
‘Fijn om te horen,’ zegt ze. ‘Ik kon toen echt een kreng zijn.’

Geplaatst in buren, feest, liefde, school, thuis, uitje, werk | Een reactie plaatsen

Ik kan je nauwelijks meer verstaan

Op maandagavond draagt Gerda voor haar dichtersgroep zelf gecomponeerde poëzie voor over vrienden, hun eigenaardigheden en respect. Na de laatste strofe kijkt ze benieuwd de kring rond.
‘Mooi,’ zegt er een, een ander:
‘Origineel.’
‘Een helder thema,’ zegt ene Addie, voormalig docent geschiedenis.
Gerda glimlacht.
‘Alleen het metrum overtuigt niet en er lopen te veel invalshoeken door elkaar,’ zegt de oud-lerares.
Gerda perst haar lippen op elkaar. Haar vriendin Elly legt haar hand op Gerda’s arm en sist:
‘Wat is dat mens weer streng!’
‘Vreselijk,’ fluistert Gerda.

Op zaterdag reist ze met dezelfde Addie per metro naar Amsterdam Zuid-Oost. Naar een open podium, waar ze hun gedichten mogen lezen. Voor de gelegenheid heeft Gerda haar lippen gestift, haar witte haar bol geföhnd, Addie draagt een rood bloezend jackje. Een eindje voor hen in het metrostel zit een groepje pubers, ruime broeken, sportschoenen en grijze sweatshirts met capuchons over hun hoofd. Zodra ze het Amstelstation uitrijden zet een van hen – zijn rug naar Gerda toe- zijn smartphone op de speakers. Zijn maten rappen met zijn knallende muziek mee.
‘Wat een lawaai,’ zegt Gerda. ‘Ik kan je nauwelijks meer verstaan.’
‘Alsof wij lucht zijn en zij de enigen in de coupé,’ fluistert haar reisgenote. ‘Ik kan er niet goed tegen.’
‘Zullen we uitstappen?’ vraagt Gerda vlak naast Addies oor. ‘Dan nemen we een volgende metro.’

Haar mededichteres lijkt het niet te horen. Ze staat op, loopt naar voren toe -waar de herrie vandaan komt-, stopt achter de jongen met de speaker en buigt zich naar zijn oor. De jongere wijkt achteruit, kijkt strak naar haar omhoog terwijl ze praat en zegt iets terug. Zijn maten rappen door. Addie knikt en steekt haar duim op. Geeft ze dat sujet een pluim? Wanneer ze terugloopt naar haar plaats, klinkt de stampmuziek een heel stuk zachter.
‘Hé man wat doe je? Heeft dat wijf je dat gezegd?’ vraagt luid een van zijn matties.
‘Welnee.’ Met rechte rug pal naar de beide vrouwen toe, deint de jongen van de speakers met zijn maten mee.

Eenmaal thuis vertelt Gerda over het voorval.
‘Mijn petje af,’ zegt haar man. ‘Die Addie durft te zeggen wat ze vindt en wil.’

De maandagavond erna is Gerda’s dichtersgroep opnieuw bijeen. Haar vriendin Elly leest een kakelvers gedicht voor waar Gerda geen touw aan vast kan knopen.
‘Mooi,’ zegt een groepslid. Een ander:
‘Leuk.’ Gerda houdt haar mening voor zich.
‘Helder woordgebruik,’ zegt Addie. ‘Wel een lastig rijmschema, strofen van dezelfde lengte liggen makkelijker in het gehoor.’ Elly buigt haar hoofd.
Terwijl een volgende dichtkunstenaar zijn eerste couplet opleest, fluistert Elly in Gerda’s oor:
‘Wat vond jij van mijn schema?’
‘Ach,’ mompelt Gerda.
‘En mijn strofen dan?’ sist Elly.
‘Nou ja,’ fluistert Gerda.
‘Die Addie is zo streng,’ zegt haar vriendin.
‘Vind je?’

Geplaatst in kunst, openbaar vervoer, reizen, uitje, voorlezen, vrienden | Een reactie plaatsen

Zodat er nog een stukje uitsteekt

Marleen is sinds een maand met prepensioen, ze heeft zeeën van tijd en bergen goede voornemens. Zo gaat ze wis en zeker niet haar dagen in de boeken slijten, zoals haar man Wil dat doet.
‘Met jouw romans leef je in je fantasie,’ zegt ze.
‘Denk maar niet dat iemands ware leven daar zoveel van afwijkt,’ zegt hij.
Marleen werkt liever eerst aan haar belabberde conditie. Thuis trekt ze haar legging aan, een T-shirt met een wijde taille. Anderen hoeven niet te zien dat losse vellen rond haar middel een eigen leven zijn gaan leiden.

In jack en op haar sneakers, loopt ze een lege kleedkamer in van Basic Fit vlak bij haar om de hoek. Alleen een jonge vrouw zit er te bellen.
‘Hai,’ zegt Marleen.
Pratend kijkt de vrouw een andere kant uit. Marleen pakt haar handdoek uit haar tas, schuift tas met jack en sjaal een kluisje in en rolt de nummers van haar cijferslotje op haar geboortejaar, 1956.

Met handdoek om haar schouders loopt ze een lange zaal in, waar toestellen voor ongeveer een kwart bezet zijn. Op apparaten staan onder eiervormige hoofden torso’s en ledematen afgebeeld met spierbundels, rood en roze gearceerd. Op de dreun van workout beat duwt Marleen stangen naar zich toe en van zich af, buigt zich voorover en terug. Een jongeman naast haar zegt:
“Als er op Funda ‘netjes’ staat of iets als dat je kamers naar je eigen smaak kunt inrichten, dan bedoelen ze een slooppand, met tonnen achterstallig onderhoud.” Zijn maat vertelt:
‘Verleden week hebben we een bod gedaan, tien procent boven de vraagprijs, niet gekregen.’

 

Wanneer Marleen moe en verhit met sporttas thuiskomt, vraagt Wil:
‘Wat doe je in zo’n centrum nou zoal?’ Haar antwoord ‘Apparaten,’ stuit op een blanco blik van haar belezen echtgenoot.
‘Zoals een toestel waar je een stang beetpakt boven je hoofd,’ zegt ze. ‘Zodat er aan weerskanten nog een stukje uitsteekt. Die trek je naar je toe.’
‘Dat lijkt me niets voor mij,’ zegt Wil.
‘Strekken en buigen, veel meer gebeurt daar niet. En kletsen. Ze praten met elkaar alsof ik achtergrondbehang ben, over huizen, ouders en hun avondeten.’
‘Zo hoort een mens eens wat,’ zegt haar man en hij verdiept zich in zijn boek.

Bij een volgend sportschoolbezoek zegt een jonge vrouw vlakbij Marleen:
‘Na hun derde meisje nemen ze nu nog een kind. Ze willen coûte que coûte een jongetje.’
Haar maatje vraagt:
‘Wat als het weer een meisje is?’

Thuis aan de koffie met haar man vraagt Marleen:
‘Hoe kan die vrouw zoiets nu hardop zeggen terwijl ik pal naast haar zit? Denkt ze soms dat ik haar niet kan horen, omdat mijn haar toevallig grijs is?’
‘Wat spannend, Mar,’ zegt haar eega. ‘Het lijkt wel een roman. Misschien ga ik er ook maar eens naartoe.’

Geplaatst in gezondheid, huwelijk, liefde, sportschool, thuis, voorlezen | 2 reacties

Ik heb hem meteen maar gewassen

Zondag, Eric is jarig. Tegen twaalven loopt zijn zoon Richard binnen. Passende spijkerbroek, overhemd. Niet die verwassen troep uit zijn studiejaren, constateert Eric in stilte. Zijn zoon deed lang over zijn master, maar nu werkt hij dan toch bij een bank. Zoals Eric steeds gehoopt had.
‘Gefeliciteerd, pap. Zesenzestig al!’ Zijn zoon geeft hem een plat rond pak: een cijferloze klok met opschrift Who Cares; I’m Retired.
‘Leuk, man.’ Eric kust zijn zoon.

Aan de lunch vraagt hij: ‘Heb ik bij jou een huishoudtrapje laten staan toen ik met je lampen heb geholpen? Dat ding is van tante Marleen, ze vraagt er telkens om.’
‘Dat had je toen niet bij je, pa, ik heb er zelf toch een.’
‘Ik kan het nergens vinden. Straks verwijt ze me van alles, je weet hoe ze is.’
Richard haalt zijn schouders op, en vraagt:
‘Kan ik straks even je auto lenen?

Rond vijf uur belt Richard aan, en geeft hem zijn autosleutels terug.
‘Ik heb je bolide meteen maar gewassen. Dat had hij wel eens nodig.’
‘Bedankt! Het bedrijfsleven heeft een goede invloed op je.’

De volgende dag, maandag, ziet Eric een deuk in zijn autoportier zitten. Onmiddellijk belt hij zijn zoon:
‘Waarom heb je me dat gisteren niet gezegd?’
‘Ik had het niet gezien.’
‘Wat een pech,’ zegt Eric. ‘Nou ja, overmacht.’

Op zaterdag gaat Eric met zijn zoon naar een jazzconcert. Met de big band nagalmend in zijn oren, zit hij met hem in een druk café naast de concertzaal van het Bimhuis. Bij zijn derde biertje zegt zijn zoon ietwat bedrukt:
‘Pa, het was flauw van me, sorry, maar ik wist het van die deuk.’
‘Dacht ik het niet,’ zegt Eric. ‘Behoorlijk stom van je, die leen ik je voorlopig niet meer uit.’ Zijn hart klopt veel te snel. ‘Onverantwoordelijk.’ Zijn zoon zit met gebogen hoofd, Erics woordenvloed betijt, hij nipt van zijn pils, veegt schuim van zijn lippen en gaat plassen.

De zondag erna belt Erics zus Marleen aan, voor een verlaat verjaarsbezoek. Meteen begint Eric over zijn zoon, dat hij zijn auto had geleend en het portier beschadigd was.
‘Het stoort me dat hij loog, zo heb ik hem niet opgevoed.’
‘Behalve dan dat jij iemand altijd meteen verwijten maakt. Ik zou er ook niet makkelijk voor uitkomen,’ zegt zijn zus.
Eric zwijgt, Marleen ook altijd met haar harde woorden. Hij haalt maar eens taart uit zijn koelkast, ze praten over werk en zijn recente pensionering. Tot zijn opluchting komt Marleen trapje niet ter sprake.
‘Ik ga weer eens.’ Zijn zus trekt haar jack aan, groen met geel. Met de deurknop in haar hand zegt ze:
‘Ik ben met de auto, ik neem meteen die trap mee die ik je geleend heb.’
‘Een trap?’ Naarstig speurt Eric naar woorden. ‘Daar staat me niets van bij,’ zegt hij.

Geplaatst in familie, reizen, thuis, verjaardag | Een reactie plaatsen

Vanaf morgen, vrijdag 29 maart, weer wekelijks een nieuw cursiefje

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tijdelijk uit de lucht

Wegens oogperikelen van Margot tijdelijk geen nieuw vrijdags cursiefje.

Wel verkrijgbaar: tien gebundelde cursiefjes over de romance tussen Pien en Roel. Pien en Roel knie aan knie.

Te bestellen via Margot@Cursiefje.nl of  te koop op zondag 10 maart tijdens The Mad Tea Party van theaterkoor Voice Female in Diemen (De Ark, vanaf 15.00 uur).

Geplaatst in diversen, gezondheid | Een reactie plaatsen

Voortaan liggen ze te piekeren in hun bed

Marleen is van de flower power generatie. Phil Bloom op de tv, de blote vrouwenborst, van meer verschillen tussen man en vrouw –behalve dan het kruis- wil ze niet weten. Net zo min als van verschillen tussen arm en rijk, dik en dun, geel, bruin en blank. Laat iedereen zijn best doen, luidt haar motto.

Op een dag, haar man Wil verliest zich weer eens in zijn boek, vraagt Marleen:
‘Na het ontbijt zou je de woonkamer toch stofzuigen?’
‘Dat kan morgen ook,’ antwoordt hij. Met haar liefste meisjesstem zegt ze:
‘Doe het nou even, Willie. Je hebt het gisteren al beloofd.’
‘Oo-Kay.’ De tweede lettergreep zindert lang na. Nog even rust Wils blik op een dicht bedrukte bladzij, voor hij zijn lijvig boekwerk dichtklapt.

Bij de koffie vraagt Marleens buurvrouw of ze kruidkoek blieft.
‘Nee, dank je. In december ben ik vreselijk aangekomen. En het is er nog niet af.’ Vervolgens lucht Marleen haar hart over Wils huishoudelijke inbreng.
‘Dat is nu eenmaal niets voor iemand zoals hij,’ zegt de buurvrouw.
‘Iemand zoals hij? Komt hij soms van een andere planeet?’ vraagt Marleen. ‘Wil is heel best in staat de stekker van een Miele in een stopcontact te steken. Net zo goed als jij en ik.’
Tegen lunchtijd, net terug van Jumbo, ruimt Marleen haar boodschappen in kasten en in laden. Wil legt servies, bestek, brood en beleg op tafel.
Marleen eet haar tweede boterham, en een crackertje met Brie.
‘Wat een zalig kaasje,’ zegt ze. Met moeite weerhoudt ze zich ervan een volgend toastje te beleggen.
‘Schrijft die Tolstoi van je nog iets leuks?’ vraagt ze aan Wil.
‘Over Russische herenboeren, twee eeuwen terug,’ antwoordt hij. ‘Ene Pierre wil zijn landarbeiders onderwijs aanbieden.’
‘Goed plan,’ zegt Marleen.
‘Een andere grootgrondbezitter vindt dat kolder,’ zegt Wil. ‘Na hun werk in de buitenlucht rollen die kerels, volgens hem, meteen voldaan in slaap. Als je ze schoolt, liggen ze voortaan te piekeren in hun bed, denkt hij. Alleen adellijke heren hebben baat bij scholing, zoals Pierre en hij.’
‘Flauwekul,’ zegt Marleen. ‘Die boeren zijn dezelfde mensensoort als zij.’

Halverwege de middag belt haar gitaardocent, Linda aan. Marleen wijst op haar uitwaaierende jersey jurk.
‘Wat staat die je goed,’ zegt ze.
‘Dank je.’ Linda pakt haar gitaar uit.
‘Ik wou dat ik zo slank als jij was, dan kon ik dat ook dragen. Wil je thee?’ Marleen schenkt in, snijdt twee stukken van haar zelfgebakken appeltaart. Nu ze zich bij de koffie en de lunch zo goed heeft ingehouden, kan een keertje zondigen vast geen kwaad. ‘Slagroom erbij?’
‘Geen van beide,’ antwoordt Linda. ‘Ik let een beetje op de calorieën.’ Marleen staart haar met wijdopen ogen aan.
‘Calorieën,’ zegt ze, ‘zijn voor mensen zoals ik. Toch niet voor iemand zoals jij?’

Geplaatst in huwelijk, muziek, thuis, voorlezen | Een reactie plaatsen

Het is wel aan de dure kant

Vroeger speelde Adri in een band, sinds zijn pensioen schildert hij enkel nog. Zijn doeken hangen in zijn kamers thuis, op de gang en langs de trap. Op een ochtend komt zijn jongere broer Guus, een gitarist, onverwacht langs.
‘Je wordt grijs, man, zegt hij. ‘Zijn die schilderijen allemaal van jou? Exposeer je wel eens?’
‘Hoe zou ik dat moeten doen?’ antwoordt Adri. ‘Het is een heksentoer om in een circuit te komen, net als bij muzikanten. Vroeger speelden we voor lege zaaltjes, die we zelf hadden gehuurd.’
‘Met schilderijen is dat veel eenvoudiger,’ zegt Guus. ‘Je zet ze op Facebook of een blog, en meteen ben je bekend.’
‘Probeer het maar eens,’ zegt Adri’s vrouw, Riny. ‘Je klaagt altijd dat alleen vrienden en familie je doeken zien. En dat ze hooguit kijken of het leuk boven hun bank past. Misschien dat kenners je Facebooksite bezoeken, met oog voor compositie, vlakverdelingen en zo.’

Adri fotografeert zijn stillevens met vazen en fles, zijn fors neergekwaste koeien, en zet ze op zijn tijdlijn. Riny, zijn zussen, en de drummer van zijn oude band zetten er opgeheven duimpjes bij. Meer reacties krijgt Adri niet, hoe vaak hij ook nieuwe creaties post.
‘Ik houd maar weer met Facebook op,’ zegt hij op een avond bij de afwas. Wel schildert hij vervolgens neuriënd vergezichten, zijn straat, zijn Riny, en stillevens. Zijn doeken hangt hij thuis en in zijn atelier op, net als vroeger.

Bij een buurtwedstrijd over ‘de ware Liefde’, zal de jury uit deskundigen bestaan, zegt men. Adri stuurt een schilderij in van een motorrijder met een vrouw. Hij wint. De jury roemt zijn originaliteit.
‘Zeer vereerd,’ zegt Adri bij de prijsuitreiking. Stiekem betreurt hij dat hun lof niet gaat over zijn vlakverdeling, gedurfde lijnenspel en kleurgebruik.

Bij wijze van hoofdprijs hangen zijn doeken wekenlang in het stadsdeelkantoor. In de laatste week krijgt hij een telefoontje.
‘Mijn vrouw en ik hangen graag kunst in huis,’ zegt een aspirant koper. ‘We zien wel wat in uw doek met die lege straat.’
‘Heel leuk om te horen,’ zegt Adri.
‘Het heeft dezelfde kleurstelling als van ons interieur.’
Diep in zijn hart zou Adri willen dat het stel ook was getroffen door zijn perspectief, verhoudingen en lichtval.
‘Het is wel aan de dure kant,’ zegt de man. Hij biedt een schamele vergoeding, ver onder de gevraagde duizend Euro.
‘Okay,’ zegt Adri. ‘Ik breng het naar u toe.’ Hij pakt het doek in bubbeltjesplastic, tapet het dicht. In de avondkou rijdt hij naar een chique straat in Amsterdam oud-zuid.
‘Die zogenaamde liefhebbers ontgaat het wezenlijke van mijn kunst,’ zegt Adri thuis bij zijn soep.

De volgende ochtend maakt hij in het zonnetje zijn dagelijkse wandeling door het Amstelpark. Over een glanzend donkerbruin bladerdek hipt een roodborstje, in dezelfde tinten als de bemoste kale heg achter hem. Adri’s handen jeuken. Snel loopt hij naar zijn atelier.

Geplaatst in familie, huwelijk, kunst, social media, thuis | Een reactie plaatsen

Waar hij zijn krantje uit de bus pakt

Vier maanden al woont Lou achter een hooggelegen stukje kust van Lake Erie, Canada. Zijn dochters huis staat daar. Ze vroeg hem bij haar te komen wonen, zodat ze hem verzorgen kon wanneer hij oud en krakkemikkig werd. Wat had een man als hij nog in een grote stad te zoeken?
‘Ik kan het in elk geval proberen,’ had hij geantwoord.

Bij zijn wekelijkse skype met zijn vriend Henk in Amsterdam, zegt Lou:
‘Het is hier berenkoud, grote schotsen op het meer. Als ik er niet op let, zit ik de godganse dag alleen, in Francis’ huis, ver van de bewoonde wereld. Dus tuf ik naar het dorp twintig kilometer verderop, en waag me aan een praatje bij de boodschappen, de lunchroom, of het poolen.’
‘Je bent een held dat je dat allemaal probeert,’ zegt Henk.
‘Het blijft oppervlakkig.’ Zijn poging om de Amsterdamse straten, de tram, zijn kaartavond, de mensen die hij kent voor een bestaan in Canada te ruilen, drukt zwaar op Lous gemoed. Maar een held is hij graag.
‘Kan je niet in dat dorp gaan wonen?’ vraagt Henk. ‘Je hebt je dochters zorg nog lang niet nodig.’

De volgende ochtend vroeg schiet Lou net op tijd uit bed om Francis en haar kinderen dik ingepakt haar truck in te zien stappen. Hij zwaait even, ze zien hem niet. Zijn kop diep in zijn capuchon, loopt hij naar de weg, waar hij zijn krantje uit de bus pakt. Binnen schenkt hij zichzelf een restje filterkoffie in, en ruimt hun cornflakes, pindakaas, en vleeswaren van tafel.
‘Ik las een advertentie voor een eigen woning in het dorp,’ zegt hij ‘s avonds. ‘Ik ga hem eens bekijken.’ Eerst zegt Francis:
‘Blijf nou toch hier.’ Wanneer ze naar hem kijkt, wordt het: ‘In een dorp is het wel gezelliger, daar maakt je nieuwe vrienden.’

De dag erna rijdt Lou, gedoucht, geschoren, langs de vacante flat. De straat is stukken breder dan in Amsterdam, maar zonder winkels, kapper, of cafeetje zoals daar.
‘Mijn dochter spreekt van nieuwe vrienden,’ zegt Lou wanneer hij met Henk skypet. ‘Als stadsmens pas ik niet goed bij die kerels hier, met hun dorpshistorie. Had ik dat maar vooraf geweten.’
‘Als je alles van te voren weet, of het je nooit eens afvraagt, dan waag je nooit een gokje. Dan roest je vast in je gewoontes,’ zegt Henk. ‘Zoals wij hier.’

Op zaterdag kijkt Lou naast Francis op de tribune van een indoor atletiekbaan naar zijn rennende kleinzoons. Hij zegt:
‘Ik ben nog langs die flat gereden.’ Het wordt hem eventjes te veel, hoe moet hij het haar zeggen? Hij schudt zijn hoofd.
‘Ik ga terug naar Amsterdam. Ik kom gewoon elk jaar weer bij je logeren. Wie weet dat ik later dan blijf, wanneer ik helemaal stokoud ben.’
Zijn dochter slaat haar armen om hem heen. Ze zegt:
‘Je hebt het hier tenminste geprobeerd.’

Geplaatst in familie, reizen, vrienden | Een reactie plaatsen

Hij had het voor zich moeten houden

Wanneer Henks zus hem weer eens belt, zit hij net na te denken over de verhuizing van zijn vriend. Lou. Ver weg, naar zijn dochter in Ontario, ruim drie maanden terug alweer. Het houdt Henk steeds maar bezig.
‘Pa had vroeger nooit vrienden, besef je dat?’ vraagt Henk. ‘Op zijn verjaardag kwam hooguit een enkele collega van de zaak, en verder altijd broers en zussen van hem, en van mama. Vrienden, herinner jij je die?’
‘Voor ma gold ongeveer hetzelfde,’ zegt zijn zus, Gerda.
‘Van hem heb ik dus nooit geleerd vrienden te maken.’
‘We zijn vijftig jaar verder, Henk, die ballast hebben we wel van ons afgeschud,’ zegt Gerda. ‘En trouwens, Lou is toch je vriend, en je hebt vrienden bij de klaverjas.’

‘Dat dacht ik ook, maar Lou verhuist zomaar naar Canada. Ik nam tot dan toe aan dat hij voor altijd hier zou blijven. Net als iedereen, zoals jij, en zoals pa’s broers en zussen.’
‘Is Lou dan nu geen vriend meer?’
‘Natuurlijk wel. Alleen is hij een vriend van vroeger aan het worden. Een die ik zowat een leven lang gekend heb, en die ik heel vaak zag voor zijn verhuizing.’
‘Je blijft via skype toch met hem in gesprek, zoals altijd?’ vraagt Gerda.
‘Niks niet ‘altijd’, Ger. Tegenwoordig halen we herinneringen op, en ik vertel erbij wat er verandert met de mensen die hij kent, of met de club, of Amsterdam,’ zegt Henk. ‘Maar dat maken we niet samen mee. En plannen zijn er ook niet bij.’
‘Dat klinkt somber, Henk.’
‘Ach, wat.’ Hij had het voor zich moeten houden, nu komt zijn zus er weer op terug, hij zal het zien. En ja, de dag erna belt ze hem weer.

‘Ik heb erover nagedacht,’ zegt Gerda. ‘Je mist je vriend gewoon, heel logisch. Zeg je hem dat wel eens?’
‘Dat ik hem mis? Wat moet hij daarmee, Ger? Moet hij me dan beklagen, zich schuldig voelen, terugkomen desnoods? Houd op, we zijn geen stelletje. Ik zet mijn oude leventje hier voort, hij bouwt in Canada een nieuwe toekomst. Met nieuwe mensen, die ik niet ken.’
‘Leer ze dan kennen, vraag ernaar, zoals een goede vriend betaamt.’

De week erna ziet Henk bij het skypen Lous vertrouwde grijze kop weer op zijn scherm, zijn zwarte wenkbrauwen met witte sprieten, zijn donkergroen met rood geruite shirt.
‘Hé Loutje,’ zegt hij. ‘Lukt het een beetje met biljarten?’
‘Dat poolen hier gaat heel anders, maat, het wil niet vlotten. Die nieuwigheid op onze leeftijd valt niet mee.’
‘Zitten er leuke kerels op je club?’ vraagt Henk.
‘Ze maken grappen over geile wijven, en over koeienvlaaien. Dat zijn ze op die club gewend.’ Aan Lous toon ontbreekt elk enthousiasme. ‘Alleen ene Jim lijkt me wel wat.’
Net wil Henk naar Jim gaan vragen, of Lou zegt:
‘Ik mis jullie daar wel behoorlijk hoor.’

Geplaatst in familie, social media, vrienden | Een reactie plaatsen