Feestplannen

‘Een feest?’ vraagt Roel maar eens. Hoe wring ik me hier onderuit?
‘Natuurlijk. Zoiets heuglijks moet je vieren. Dat kan je niet onopgemerkt laten passeren,’ antwoorden zijn collega musici.
‘Nou zeg, ik ben geen twintig meer,’ zegt Roel.

Al staat zijn vierentwintigste hem levendig voor ogen. Toen hij zich met Anne verloofde. Ze spaarden voor servies en voor bestek van Sola. Op het feest draafden alle tantes en ooms op. Vol ornaat. Bij zijn ouders thuis was het, in de Bronckhorststraat, één hoog. Een feest tussen de schuifdeuren. Vader en ooms deden een sketchje. Dit keer komen ze niet, dood zijn ze. Of stokoud zoals mamma, denkt Roel. Mamma herkent Pien niet eens.
‘Feest kan altijd, Roel.’
Roel zucht maar eens inwendig.
‘Ik zal erover denken.’
‘En Pien dan? Heeft die dan geen inspraak?’
‘We zullen het overwegen.’

Thuis struikelt hij zowat over de tassen in zijn gang. De inhoud van de ene moet naar Marktplaats. Die van een andere naar het grofvuil. Morgen maar, vanavond even niet. En naar de kringloop kan ook best wachten.
Pien belt. Laat.
‘Ik heb het op het koor verteld,’ zegt ze door de telefoon.
‘Wat?’
‘Dat we verloofd zijn natuurlijk.’
Verloofd, het klinkt als muziek. Ondanks de poespas. Pien blijft bij me, zelfs tot ze met rollator loopt. Daar gaat het om.

‘Het hele koor riep om een feest,’ zegt Pien.
Shit. Zij ook al.
‘Wat heb je ze gezegd?’
‘Dat ik erover na zal denken. We. Dat we erover nadenken.’
Roel glimlacht naar zijn telefoon.
‘Welterusten, lief. Ik ga gezellig van je dromen.’

De volgende dag leegt hij één tas. Een paar spullen neemt hij weer mee naar binnen. Op het moment dat hij de andere tassen in de gangkast zet, speelt zijn geweten op: maak nou toch ruimte voor Piens spullen man, schiet op, ga door. Met tegenzin grijpt hij een boekje uit zijn kast, met tekeningen van Van Straaten. Er dwarrelt een papiertje uit. Twee regels: Als ik knor, dan knor jij terug. Wat gaan vijf jaren toch weer vlug.’ Ondertekend: Je Anne. Een cadeautje voor een huwelijksverjaardag, meent Roel zich te herinneren. Ze had gelijk. Ze knorden in die tijd aardig wat af. Zachtjes uitgedrukt. Bekvechten was het. In de eerste jaren van hun huwelijk. Daarna ook. Zo gladjes ging ons huwelijk niet, denkt hij. Roel slikt maar eens en nog eens. Lurkt water uit de keukenkraan. Dat brok moet uit zijn keel.
Zou dat met Pien ook zo gaan? Nu zijn we het haast altijd eens.

‘Heb jij nog over dat feest nagedacht?’ vraagt hij bij hun avondtelefoontje.
‘Ik voel er wel voor,’ zegt Pien.
‘O, echt? Wanneer dan, denk je?’
‘Als ik bij je intrek.’
Als? Raak ik haar kwijt? Ze zal toch alsjeblieft ‘wanneer’ bedoelen of ‘zodra.’ Zodra ik bij je intrek. Wanneer is dat dan: over een maand? Twee maanden? Zijn mond wordt droog, hij slikt. Heb ik maar af te wachten?
‘Of trek ik bij jou in?’ vraagt hij.


REACTIES VAN HARTE WELKOM (hieronder of op Facebook)

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Appeltje, eitje

Red me, bidt Roel. Straks is mijn huis leeg. Dwars door de enge beelden in zijn hoofd dringt een wijsje tot hem door. Het melodietje van de telefoon. Pien, godlof.
‘Wat klink je slaperig.’
Met moeite worstelt Roel zich uit zijn nachtmerrie. Avondmerrie eigenlijk.

‘Ik moet ingedommeld zijn,’ zegt hij.
‘Was je zo moe?’ vraagt Pien. ‘Hoe was het bij Menno en de boys?’ O ja, de repetitie.
‘Het spelen ging wel goed,’ antwoordt Roel. ‘Marcel, die nieuwe, had weer eens een Rus gelezen. Geen goed woord voor het huwelijk, vertelde hij.’
‘Wat dacht je? Waar ben ik aan begonnen?’
‘Natuurlijk niet.’ Roel kent het huwelijk toch. Wat hij niet zegt. Pien wil niet vergeleken worden met zijn overleden Anne. ‘Russische adel werd toen uitgehuwelijkt,’ legt hij uit. ‘Die had maar af te wachten of het wat zou worden.’
‘Wij niet dan?’ vraagt Pien.
‘Tussen ons wordt het geweldig. Denk je niet?’
‘Zeker. Bovendien zijn we enkel maar verloofd.’ Appeltje eitje. Veel simpeler dan trouwen.
‘Ga je straks nog wat doen?’
‘Oefenen voor het koor morgen,’ antwoordt Pien. ‘Jammer dat dat orkest niet meedoet waar jij toen in speelde. Dan zag ik je nog even.’
‘Ja,’ zegt Roel. ‘Jammer.’ Meteen krijgt hij vreselijke zin om planken en kasten leeg te ruimen. Om ruimte in zijn huis te maken zodat Pien erin kan. Wat een lul-de-behanger ben ik toch. Altijd maar uitstellen.
‘Morgen vroeg op,’ zegt hij. ‘Voor de muziekschool.’
‘Slaapze dan maar.’
‘Kus.’

Om kwart voor zeven staat Roel naast zijn bed. Hij doucht en scheert zich. Met welgevallen kijkt hij naar drie tassen in zijn gang. Vol met spullen. Op een ervan staat Marktplaats, op nummer twee ‘weg’ en op de derde: Kringloop. Dat heeft hij gisterenavond toch maar mooi gefikst.
Om kwart voor negen opent hij zijn leslokaal. Hij knipt de lichten aan, pakt zijn cello uit, klapt zijn muziekstandaard open en zoekt in een kast naar partituren. Als alles klaar staat haalt hij op de gang snel koffie uit een automaat.
Op lunchtijd schuift hij in een lokaal aan tafel bij collega’s die daar hun brood opeten. Ze praten over optredens, de feestdagen, het koufront van het komend weekend. En mijn eigen nieuwtje dan? Roel wil het wel graag kwijt, maar heeft geen zin om hen te overvallen. Een collega vraagt:
‘Hoe is het met de liefde, Roel?’
‘Moet ik dat in het openbaar vertellen?’
‘Ik vraag het zomaar hoor.’
‘Ga je wat doen met Sinterklaas?’ vraagt een percussielerares.
‘Misschien geef ik Pien een ring. Van marsepein,’ zegt Roel. Waar haal ik het vandaan?
‘Zo, zo. Grote plannen,’ zegt ze. ‘Dat zal Pien leuk vinden.’
‘We hebben ons verloofd,’ zegt Roel. Nu moet de hele wereld het maar weten, vrijblijvendheid behoort tot zijn verleden. Dit is stap één. De simpelste.

‘Ha, feest!’ roepen er een paar.
‘Ja, Roel, wanneer geef je je feest?’
Roel schrikt. Wat een poespas, niets voor mij. Wie zei er dat verloven simpel was?

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Strijk en zet

Dat van die dozen en de opslag vraag ik straks, denkt Roel. Aan Menno of aan Giel. Of aan die nieuwe. Hoe heet hij ook alweer? Marcel. Voor de repetitie van zijn strijkje rijdt Roel met tram lijn 2 naar Menno’s flat in Slotervaart. Cellokoffer in de arm.

Kort na zijn komst beginnen ze hun oefening van een kwartet. Roel leidt zijn strijkstok behoedzaam over de g-snaar, d-snaar, a. Menno gebiedt:
‘Stop. Giel, zet jij een achtste tel later in?’
Zes maten later is Menno zelf voorbarig.
‘Vier tellen vooraf maar weer. Tweede systeem.’
Vele malen beginnen ze opnieuw. Dan hebben ze het allegro wel zo’n beetje gladgestreken. Het is hoog tijd voor pils met nootjes.

Marcel vertelt dat hij de huwelijksverhalen van Tjechov leest.
‘Moet je ook lezen,’ zegt hij gnuivend. ‘Die man laat geen spat van het huwelijk heel.’ Misschien, denkt Roel, bakten die oude Russen er niets van. Kan zijn. Voor mijn aanstaande huwelijk geldt dat niet. Nou ja, aanstaande. Op den duur dan.
‘Pien en ik hebben ons verloofd,’ zegt hij plompverloren.
‘Wat een nieuws, man!’
‘Dat zeg je nu pas?’
Roel ontvangt een omhelzing, een hand, een schouderklop.
‘Pien komt bij me wonen,’ zegt hij.
Weer hoera. En ook nieuwsgierigheid.
‘Nu we het er toch over hebben. Weet iemand misschien een adres voor dozen?’ vraagt Roel. ‘Waarin ik mijn boel kan opslaan.’

Het is alsof hij een bom in de groep gooit.
‘Weg met die spullen. Afstand doen,’ zegt Marcel.
‘Hoezo opslag?’ vraagt Menno. ‘Jij wilt van twee walletjes eten.’
Betweter. Nou ja, denkt Roel, ik ken hem langer dan vandaag.
‘Van alles waar je er twee van hebt, doe je er één weg,’ zegt Menno ‘Twee platen, één weg. Twee boeken, één weg. Pannen, foto’s idem dito.
‘Waarom zou ik?’ sputtert Roel.
‘Omdat je straks gestrekt de deur uit wordt gedragen, net als ik en de rest hier. Wie ruimt het dan voor je op?’ vraagt Menno. ‘Je kinderen soms?’
Roel schraapt zijn keel maar eens.

‘Je bent roofzuchtig, zou Tjechov zeggen. Je ontfutselt aan je bestaan meer dan het kan geven,’ zegt Marcel.
‘Zo, zo,’ zegt Roel. ‘Zegt ie dat allemaal?’ Giel laat van zich horen:
‘Ik zou ook niet graag afstand doen van mijn spullen. Zo gemakkelijk is dat niet. Allemaal herinneringen aan oude tijden.’
‘Zo is het maar net,’ zegt Roel.

Stilte. Menno verbreekt hem. Een kringloopwinkel, is dat wat? Zo heeft een ander nog wat aan je huisraad. Marcel valt in met Marktplaats. Dan praten ze over e-books, uploaden, opslag in de Cloud, Spotify en streaming. Als moderne mannen.

Uitgeput valt Roel thuis op zijn bank in slaap. In zijn droom stopt voor zijn deur een vrachtwagen. Kringloop staat erop. Een ijzingwekkend schouwspel speelt zich in Roels innerlijke blikveld af. Forse mannen sjouwen zijn dressoir, platen, kleding, bad en bed zijn deur uit. Die stapelen ze in hun wagen. Verstard kijkt Roel hen na.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Vreselijk oud

Mamma zal het enig vinden, heeft Roel gezegd. Of niet, bedacht hij zich, eigenlijk kent hij zijn moeder soms niet meer. De laatste keer dat Pien hem naar zijn moeder vergezelde, is al even geleden. Vaak zal het er niet meer van komen, vreest hij.
Pien wil zijn moeder graag weer zien. Roel vindt dat vreselijk lief en ook dat Pien bedenkt om bloemen mee te nemen.

Ze lopen de conversatiezaal binnen van Torendael, zijn moeders tehuis. Vroeger babbelde zijn moeder daar mee met zes andere oude dametjes. Een jaar geleden nog waren die gewend de beste plaatsen op te eisen. Als een vestingwal drapeerden ze rollators en rolstoelen om zich heen. Geen medebewoner kwam erdoor. Inmiddels laten de bessen hun moede kinnetjes hangen op hun ingekrompen borst.

Wanneer Roel op zijn moeder toeloopt en haar een kus geeft op haar vlekkerige wang, kijkt ze naar hem omhoog.
‘Roel,’ zegt ze alsof haar prins zojuist komt aangereden op zijn witte paard. ‘Wat een verrassing!’ Ze kent haar standaardzinnen nog.
‘Kijk mam, ik heb Pien meegenomen,’ zegt hij.
‘Dag mevrouw,’ zegt Roels moeder.
‘Pien, mam.’ Ken je haar nog, laat hij maar achterwege. Het zal wel niet. ‘Mijn verloofde,’ zegt hij er ferm achteraan.
‘Anne?’ vraagt zijn moeder aarzelend.
‘Nee, mam, Anne is al tien jaar dood.’

Gedrieën schuifelen ze naar haar kamer. Pien pakt een vaas uit het aanrechtkastje, zet de chrysanten die ze hebben meegebracht erin en houdt ze in Roels moeders blikveld.
‘Wat een mooie herfstkleur, hè,’ zegt ze.
‘Heel mooi, mevrouw. Waar heb ik het aan te danken?’ Ook die frase beheerst zijn moeder nog.
‘Zeg maar Pien hoor,’ nodigt ze. Een en al geduld.
‘Mam, Pien en ik zijn nu verloofd,’ zegt Roel. Laat daar geen misverstand over bestaan.
‘Wat leuk, jongen.’ Zijn moeder kijkt hem vorsend aan. Mompelt ze nou ‘Anne’?

Roel stelt een wandelingetje voor. Hij wijst op afgevallen bladeren, Pien spreekt van ‘herfst.’ Zijn moeder: heel mooi. Wanneer ze de Zuidelijke Wandelweg achter haar huis oversteken, wordt zijn moeder moe. Ze duwt haar karretje steeds trager voort.
‘We moeten terug,’ zegt Pien.
‘Denk je? Nu al?’ Gelukkig heeft Pien daar oog voor, denkt Roel. Hij overschat zijn moeder steeds. Haar achteruitgang valt amper bij te benen.

Als ze gedrieën in de lift staan naar zijn moeders kamer, laat ze windjes.
‘Oeps,’ zegt ze vriendelijk.
Ze zetten zijn moeder in haar luie stoel.
Roel kust gedag, Pien geeft een hand ten afscheid.
‘Dag mevrouw,’ zegt zijn moeder.
‘Pien, mam.’ Roel weet niet of zijn moeder hem nog hoort, haar ogen vallen dicht. In de deuropening zwaait hij. Geen reactie.

‘Ik hoop nooit zo oud te worden,’ zegt Roel op de gang.
‘Ook niet als ik dan met je meeloop achter mijn rollator?’
Zo ver vooruit heeft Pien hem nog niet eerder in haar toekomst toegelaten. Stevig grijpt Roel haar hand vast.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Rust en reinheid

Wat koopt hij voor ideeën die alsmaar langer rijpen, mijmert Roel onder de douche. Hooguit wat hij tot nu toe heeft bereikt: een huis dat er nog net zo uitziet als dertig jaar geleden. Van toen hij nog met Anne woonde. En dat hij pas tien jaar na haar dood een vriendin heeft. Wel de allerliefste, maar één die hij alleen maar in het weekend ziet.
Waar is zijn vastberadenheid van pas geleden? Wanneer gaat hij zijn lot in eigen handen nemen? Pien moet niet denken dat zijn voorstel voor een toekomst met zijn tweeën een fantasietje was.

‘Als je zo lang onder die douche blijft staan, kom ik erbij,’ roept Pien vanaf zijn gang. Ze opent de badkamerdeur, hangt haar ochtendjas aan een haakje en duwt zich poedelnaakt tegen hem aan om ook een straaltje van het warme water op te vangen. De zaterdagse wasbeurt wordt er aanzienlijk door vertraagd en Roels gedachten raken weer langdurig afgeleid.

Eindelijk zit hij geschoren en gekleed in zijn woonkamer achter zijn derde koffie. Pien zit over een uitgaansrubriek gebogen.
‘Voor vanavond zie ik niets,’ zegt ze. ‘Nou ja, morgen gaan we toch al uit.’ Roel mompelt enthousiast en verzinkt alsnog in zijn gedachten. Hij weet het zeker: het roer moet om. Maar iedereen behalve hij weet hoe dat moet. Het mag een wonder heten dat hij anderhalf jaar terug op Pien is afgestapt, denkt hij. Waardoor hij nu in elk geval niet langer vrijgezel is. Misschien nam achteraf gezien Pien wel het initiatief, peinst hij, zonder dat hij haar doorzag. Zou kunnen. Echt iets voor hem. Nu ligt het anders. Hij heeft a gezegd, nu b, kom op.

Met een half oog op de krantenkoppen, Koerden, Trump, kwetsbare ouderen, neemt Roel zich voor: ik ga dozen kopen om spullen in op te slaan. Meteen volgende week, hoeveel en voor hoelang dat zie ik later wel. Tegen die tijd weet hij vast ook welke kast hij leeg zal ruimen, zoals Pien heeft voorgesteld. Een deel van het dressoir misschien en het badkamermeubel. Maar zeker niet zijn kastenwand met de cd’s en evenmin zijn platen. En in zijn werkkamer kan er ook niets worden veranderd.
‘Shit,’ roept hij. Lamzak. Zo gebeurt er alweer niets.
‘Wat is er?’
‘Niets.’

Zijn machteloze gevoel ebt weg. Hij vermant zich. Langzaamaan nou maar, kleine stapjes.
‘Lieverd, Pien,’ zegt hij. ‘Gaan we uit eten of laten we iets brengen?’ Ze gaan gezellig naar de Turk vlakbij.
En als ze zich om tien uur stijf gearmd de deur door persen, vraagt hij:
‘Wat denk je van één Shtiseltje?’

Drie afleveringen van hun favoriete serie worden het. Hoofdrolspeler Akiva blaast tweemaal een aanstaand huwelijk af. Pas ver na middernacht verlooft hij zich met zijn gedroomde vrouw.
‘Verloven wij ons ook?’ vraagt Roel slaperig doch ferm.
‘Hè ja, gezellig,’ mompelt Pien. ‘Maar wij doen het maar één keer.’
Roel kan zich daar helemaal in vinden.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Weekendrelatie

Net zette Roel op vrijdagavond een lasagne in zijn oven of hij hoorde zijn voordeur opengaan. Pien. Eindelijk. Ze knuffelde hem en kroelde in zijn nek.
Samen dronken ze een wijntje en nog een, knabbelden nootjes. Hun gesprek ging over alles behalve trouwen en samenwonen. Geen geschikte tijd om dat nu aan te snijden vond hij. Zijn lasagne was precies zoals zij die graag at, zei Pien. En zo mooi bruin van boven. Behaaglijk wentelde hij zich in haar woorden.

Ze hadden kunnen uitgaan, maar binnen was het lekker warm en buiten niet. Op de buienradar weinig goeds. En bovendien waren ze net vorig weekend begonnen aan een nieuwe serie, Shtisel, over een familie in ultraorthodox Jeruzalem. Pien was weg van de jongste zoon, Akiva. Vooral van zijn melancholieke oogopslag onder zijn zwarte hoed die op zijn keppel balanceerde. Akiva wilde trouwen met een vrouw die dat een beetje afhield. Roel voelde innig met hem mee.

Vorig weekend hadden ze drie uur achtereen gekeken. In de hoop dat Akiva eindelijk gelukkig werd, dat zijn pa’s bemoeizucht werd bestraft en zijn zus haar ontrouwe echtgenoot zijn vet zou geven. Maar dat gebeurde niet. Misschien vanavond dan? Knikkebollend bleven ze kijken naar het ene na het andere vervolg. Met lede ogen zagen ze dat de familie zich alsmaar verder in de nesten werkte.

Zaterdagochtend na een laat ontbijt –op bed natuurlijk, met de krant, koffievlekken en kruimels in de lakens – begon Roel uiterst voorzichtig:
‘Heb je er nog over nagedacht?’
Pien hapte niet meteen, maar Roel had zich vast voorgenomen door te zetten. De kans om alle dagen knus met zijn geliefde door te brengen wilde hij zich niet laten ontgaan.
‘Dat trouwen heeft toch niet zo’n haast,’ zei Pien heel poezig. Eerst moesten ze bedenken wie bij wie ging wonen.

Zover was Roel in zijn gedachten ook gekomen. Of zijn huishouden in Piens appartement zou passen. Zo niet, wat deed hij met de rest? Kon hij de spullen waar zijn Anne zaliger zo aan gehecht was in de opslag zetten? Of zou hij die thuis laten staan als hij naar Pien verkaste en ging hij af en toe terug om heel alleen nog wat te mijmeren in zijn halflege huis? Van al die vragen kreeg hij het zo benauwd dat hij het daarbij had gelaten.
Maar tot zijn opluchting vroeg Pien:
‘Zal ik voorlopig maar bij jou intrekken?’
‘Heb ik al eens gezegd hoe lief je bent?’ Zijn zwaard verhief zich. Hij boog zich naar haar toe voor een lange zoen op haar mond.

‘Ja hoor,’ antwoordde ze. Ze had gedacht, zei ze, als hij de helft van zijn kasten en laden leeg zou maken, dan kon zijn keuken voor even wel zo blijven. En daarna zouden ze ook iets bedenken voor zijn meubilair. Roels geheven lid kromp ineen. Meende zijn Pien dat nou?
Bij nader inzien vond hij het toch beter dat onderwerp eerst maar eens rustig te laten rijpen.

 

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Alleen in het weekend

Wanneer Roel op maandagavond zijn Pien opbelde begon hij alweer naar het weekend te verlangen. Op dinsdag werd het vuurtje groter, vier dagen nog, hij werd er warm van. Als het hem een dagje tegenzat, dacht hij: vrijdagavond ben ik lekker weer bij Pien. In het weekend genoot hij van haar stem, haar geur, haar zachte vel, de manier waarop ze zich bewoog.
Toch zat hem iets niet lekker. Er wrong iets.

Toen hij zich op een ochtend bij zijn tweede kopje koffie afvroeg waar dat gevoel van crisis toch vandaan kwam, wat hij nou eigenlijk wilde, kwam de waarheid levensgroot bij hem aan tafel zitten. De gedachte drong zich op dat hij met Pien wilde samenwonen.
Van schrik morste Roel zijn koffie over tafel. Hij kreeg spontaan de hik. ‘Samenwonen!’ fluisterde hij ontzet. Hik. Beurtelings kreeg hij het warm en koud, zijn ogen traanden.

‘Is er iets?’ zeurde een stemmetje in zijn hoofd.
‘Dat doen enkel mensen zonder lef,’ kreunde hij als een soort antwoord, ‘mensen met bindingsangst willen dat, types die zich niet durven vast te leggen.’ Zo was hij niet. Hoopte hij.
‘Dat nooit,’ besloot hij ferm.

Hij rechtte zijn rug, haalde een kam door zijn haar en raadpleegde zijn horloge. Het was een beetje vroeg, maar beter vroeg dan nooit. Toen pakte hij kordaat zijn telefoon en toetste Piens nummer in.
‘Met mij,’ zei hij.
‘Dat zag ik al,’ zei Pien, zonder een spoortje van verbazing in haar stem. ‘Je belt vroeg.’
‘Pien,’ zei hij. ‘Ik wil niet meer met weekendtasjes sjouwen, het moet nu maar eens afgelopen zijn met die vrijblijvendheid. Laten we trouwen. Zeg je appartement op en kom bij mij wonen. Ik wil dat ook best doen, dan kom ik bij jou.’ Zijn stem ketste tegen de vloer en wanden van zijn woonkamer.
‘Waar ben je?’ vroeg ze.
‘Thuis,’ antwoordde hij.
‘Kom je soms even langs?’ vroeg ze.

Pien is een schat, dacht hij, toen hij uren later in slaap dommelde. Ze had hem geduldig en met veel overtuiging uitgelegd dat ze best haar appartement kon aanhouden en hij het zijne. Zonder dat zoiets vrijblijvend was. ‘Je hoeft jezelf toch niet meteen maar in een strop te hangen?’ zei ze en aaide over zijn rug.
‘Eventueel kunnen we best trouwen.’
‘Zou je dat willen?’ vroeg hij.
Liever niet natuurlijk, want die keer dat ze het had gedaan was haar totaal niet bevallen, ze was niet voor niets gescheiden. Hij vond het lief van haar aangeboden.

Pien had haar warme adem in zijn oor geblazen, hem zachtjes gestreeld waar hij het graag had, ze waren in haar bed beland waar ze de liefde hadden bedreven.
Naast hem hoorde hij haar kalme ademhaling, ze sliep al. Roel lag nog een seconde met zijn ogen open. Er was niet veel veranderd, maar hij had het prettige gevoel dat hij lef had getoond en dat zijn crisis was bezworen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De kant op van de Kalverstraat

Misschien had niemand door hoe eerlijk ik het meende als ik me heilig voornam nooit meer te gaan shoppen in de Kalverstraat. Geen cent zou ik er nog besteden, geen sou meer voor het voortbestaan van winkels. Als ik besloot de straat te mijden, was het trouwens niet om de winkeliers, maar louter voor mezelf –mijn overvolle huis, mijn lege beurs. En om mezelf te tonen dat ik goed zonder eeuwig shoppen kon.

Soms riep mijn garderobe een paar dagen lang geen nieuwe kriebels op. Of dacht ik van tevoren dat ik spijt zou krijgen van een nieuwe koop. En zei ik tegen een collega: de komende tijd heb ik het zo druk, ik heb niet eens tijd om de Kalverstraat te doen. Ik werkte om de hoek en elke lunchpauze liep ik te winkelen.

Ook was er wel eens een verbouwing, waardoor een winkel weken dicht zou gaan. Ook zo’n geval greep ik dan dapper aan om mijn geliefde straat te mijden, tot die zaak weer open ging. Geen enkele andere shop heeft iets van mijn gading, hield ik me dan voor. Ook dan viel het me tijdelijk lichter niet aan mijn kooplust toe te geven.

Zo gaat dat met een dierbaar voorwerp ook. Bij een mooi schilderij bijvoorbeeld, vroeg ik me wel eens af of ik het missen zou als ik het niet meer had. Om het te testen zette ik hem een poosje in een kast. Intussen bleef hij prachtig en bleef ik de bezitter en wisten mensen dat. Vanwege het tijdelijk karakter van mijn test bleven die associaties allemaal intact. Daardoor kreeg ik de kans niet het werkelijk te missen. Je weet pas of je zonder kunt als je het opgeeft, er compleet afstand van doet. Dat gold ook voor mijn eeuwig shoppen. Ook daar kleefden associaties aan – jaloerse blikken, altijd iets nieuws in mijn kast, dankbare winkeliers. Opschorten was tot daaraantoe, maar opgeven was van een  andere orde.

Uitgerekend als ik mezelf een tijdelijk verbod had opgelegd, las ik over een uitverkoop of dat één winkel korting gaf. Waarom net dan? De moed zonk me onmiddellijk in de schoenen. Zelfs wanneer mijn collega ‘dan maar niet’ gemompeld had toen ik vertelde van die drukte, moest ik opeens weer heel erg nodig shoppen.

Bij de minste tegenslag of lichamelijk ongemak, keerde onmiddellijk het idee terug om de Kalverstraat weer af te struinen. Als een gespannen elastiek dat losgelaten wordt. Het idee was onweerstaanbaar. Zozeer dat zelfs de weken dat ik niet was wezen shoppen me minder zwaar gevallen waren dan de tien minuten die me restten tot mijn lunchpauze. Waarin ik mijn Kalverstraat weer zou zien. Die tien minuten bracht ik door in smachtende vervoering met duizendmaal opnieuw het glanzende vooruitzicht met nieuwe buit de winkels in en uit te mogen lopen.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Na de daad

Die ochtend stond ik vanaf zeven uur achter een heg in een hofje. In het zwart met hoodie over mijn kop. Daar wachtte ik hem op. Zodra hij om half acht zijn rijtjeshuis uitliep -met dakopbouw- herkende ik hem van de foto’s: tenger, golvend kort haar, diepliggende ogen. Midden op straat zwaaide hij achterom naar de kindjes op één hoog die tegen het raam tikten en kushandjes bliezen. Iemand sloot een gordijn achter hen en ze verdwenen.

Toen hij zijn autodeur opende, zijn aktentas naar binnen gooide en net zou instappen, liep ik naar voren, ontgrendelde mijn revolver, richtte en trok. Schot één doorboorde zijn linker schouder, zijn arm liet het autoportier los, hij draaide zijn hoofd naar me toe.
‘Wat doe je, man?’ riep hij. Opnieuw raakte ik. Wankelend trok hij zijn been bij. ‘Stop!’ Zijn ogen boorden zich in de mijne. Drie. Languit viel hij op straat. Bloed. Schot vier, vijf. Meer bloed, precies zoals mijn baas had gewild.

Acuut draaide ik me om, passeerde garages, de hoek om voor eendere woningen langs. Aan de overkant glipte ik tussen twee bungalows door een smal met gras omzoomd pad op naar de grens van de wijk. In de verte loeiden sirenes. Een motor stond startklaar om mij naar mijn safe house te rijden.

Safe maar oersaai, om al na een week knettergek te worden van mijn eigen gedachten. Dag en nacht stelde die nette meneer me zijn vraag, keer op keer, alsof hij een antwoord verwachtte. Steeds klonk zijn ‘stop!’ Elk moment zag ik dat verwrongen gezicht, zijn wijkende haargrens, zwaaiende hand. Na drie weken was het genoeg.

Eén bewaker was eten gaan halen, de andere ging poepen –wat altijd lang duurde-, ik jatte de motor. Op de grens van de wijk stapte ik af. In jack en spijkerbroek, ook mijn haar had ik net zo geknipt als het zijne.
Zo loopt het dus af, dacht ik lusteloos: ik ga het vertellen, dan komt er een eind aan. Alleen omdat ik dat wil, niemand anders. Ik vloekte binnensmonds.

Voor het dichtstbijzijnde politiebureau zou ik via het smalle pad door het gras naar het straatje toe moeten lopen met de bungalows aan één kant. Aan het eind ervan moest ik rechtsaf en drie straten verder naar links.

Op de stoep voor het eerste rijtjeshuis hield ik mijn pas in en dacht even na. Ik liep een hoek eerder naar rechts, wachtte niet tot het eind van de straat. Zo kwam ik er ook, wist ik, al was het dan met een omweg.
Waarvoor ging ik niet direct op mijn doel af? Wilde ik tijd rekken om mijn hart te kalmeren? Tijdens het lopen keek ik niet op of om. Een kille wind sneed door mijn jack en een gevoel drong zich op dat iemand iets in mijn oor siste.
Toen ik mijn hoofd ophief zag ik dat ik in dat hofje beland was en pal voor dat huis met die dakopbouw stond.

Geplaatst in Uncategorized | 6 reacties

De kant van mijn huis op

Op donderdagavonden bedolven een paar oude stamgasten me onder hun klaagzangen, over hun eenzame lot, verwoeste gebit, hun kijvende wijf, hun visie op wereldhervorming. Ik hoorde ze aan en knikte. Waarover moest ik vertellen? Over de spoken onder mijn bed, mijn ijskoude kamer? Bij hun was het erger. Mijn enige troost donderdags kwam van Gerda, als ik weer naar huis moest. Haar wang op mijn lippen.

Ik volgde haar met mijn ogen, hoe ze rond tafeltjes liep en glazen ophaalde, nootjes neerzette, een vriendelijk woord zei en lachte. Ik kon het niet opbrengen haar ook maar een tel uit het oog te verliezen, als ik bedacht dat ze straks in de kroeg achterbleef. Al mijn hoop was erop gevestigd te worden gesust en bedwelmd door haar zachte huid, zoals altijd op de donderdagavond.

Als mijn hand de gladde stof van haar gebloemde bloes raken zou en haar schouder zou grijpen, dan boog ze zich boven de toog naar me toe om mijn kus te ontvangen. Graag had ik langer haar parfum opgesnoven, langer haar wang bij mijn lippen gevoeld. Maar zo’n afscheid duurde altijd heel kort, meteen erna stond ze haar klanten alweer te bedienen of spoelde haar glazen.
Het moment dat ik haar om een kus vroeg had daardoor iets pijnlijks. Het was een soort voorbode van het moment er vlak na, als ze snel weer haar rug rechtte om met haar werk door te gaan.

Soms wilde ik teruglopen als ik haar al gekust had en ik de deur van de kroeg open duwde om weg te gaan. Dan wilde ik zo graag ‘nog één’ tegen haar zeggen, maar nu een kus op haar lippen. Alleen zou ze dan boos naar me kijken, dat wist ik. Ze kwam toch al aan mij tegemoet, met mijn afschuw van mijn eenzame huis, van de angstige uren alleen in mijn bed met de dreigende afgrond van mijn slapeloosheid. Ze was me toch al ter wille door me haar zachte wang te lenen.

Bovendien ergerde het haar man, die ook achter de toog stond en mijn kuise kus wel gedoogde, maar me liever van die gewoonte had afgeholpen. Een nieuwe gewoonte erbij – teruglopen als ik al bij de deur stond- was wel het laatste dat hij zou toestaan. Wanneer hij boos werd zou dat bovendien alle rust verjagen die zij me even tevoren gegund had toen ze haar wang toestak, die naar een parfum rook. Haar wang als een bron waaruit mijn lippen haar gezelschap putten.

Die broze indruk van haar huid op mijn mond droeg ik dan van de kroeg naar de overkant van de straat, een abri in met wachtenden, de tram in en uit naar mijn voordeur, de kale gang door mijn slaapkamer in. Ook bij het uitkleden hield ik haar de hele tijd bij me, dat gaf mij de moed aan mijn slaap toe te geven.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties