Vreselijk oud

Mamma zal het enig vinden, heeft Roel gezegd. Of niet, bedacht hij zich, eigenlijk kent hij zijn moeder soms niet meer. De laatste keer dat Pien hem naar zijn moeder vergezelde, is al even geleden. Vaak zal het er niet meer van komen, vreest hij.
Pien wil zijn moeder graag weer zien. Roel vindt dat vreselijk lief en ook dat Pien bedenkt om bloemen mee te nemen.

Ze lopen de conversatiezaal binnen van Torendael, zijn moeders tehuis. Vroeger babbelde zijn moeder daar mee met zes andere oude dametjes. Een jaar geleden nog waren die gewend de beste plaatsen op te eisen. Als een vestingwal drapeerden ze rollators en rolstoelen om zich heen. Geen medebewoner kwam erdoor. Inmiddels laten de bessen hun moede kinnetjes hangen op hun ingekrompen borst.

Wanneer Roel op zijn moeder toeloopt en haar een kus geeft op haar vlekkerige wang, kijkt ze naar hem omhoog.
‘Roel,’ zegt ze alsof haar prins zojuist komt aangereden op zijn witte paard. ‘Wat een verrassing!’ Ze kent haar standaardzinnen nog.
‘Kijk mam, ik heb Pien meegenomen,’ zegt hij.
‘Dag mevrouw,’ zegt Roels moeder.
‘Pien, mam.’ Ken je haar nog, laat hij maar achterwege. Het zal wel niet. ‘Mijn verloofde,’ zegt hij er ferm achteraan.
‘Anne?’ vraagt zijn moeder aarzelend.
‘Nee, mam, Anne is al tien jaar dood.’

Gedrieën schuifelen ze naar haar kamer. Pien pakt een vaas uit het aanrechtkastje, zet de chrysanten die ze hebben meegebracht erin en houdt ze in Roels moeders blikveld.
‘Wat een mooie herfstkleur, hè,’ zegt ze.
‘Heel mooi, mevrouw. Waar heb ik het aan te danken?’ Ook die frase beheerst zijn moeder nog.
‘Zeg maar Pien hoor,’ nodigt ze. Een en al geduld.
‘Mam, Pien en ik zijn nu verloofd,’ zegt Roel. Laat daar geen misverstand over bestaan.
‘Wat leuk, jongen.’ Zijn moeder kijkt hem vorsend aan. Mompelt ze nou ‘Anne’?

Roel stelt een wandelingetje voor. Hij wijst op afgevallen bladeren, Pien spreekt van ‘herfst.’ Zijn moeder: heel mooi. Wanneer ze de Zuidelijke Wandelweg achter haar huis oversteken, wordt zijn moeder moe. Ze duwt haar karretje steeds trager voort.
‘We moeten terug,’ zegt Pien.
‘Denk je? Nu al?’ Gelukkig heeft Pien daar oog voor, denkt Roel. Hij overschat zijn moeder steeds. Haar achteruitgang valt amper bij te benen.

Als ze gedrieën in de lift staan naar zijn moeders kamer, laat ze windjes.
‘Oeps,’ zegt ze vriendelijk.
Ze zetten zijn moeder in haar luie stoel.
Roel kust gedag, Pien geeft een hand ten afscheid.
‘Dag mevrouw,’ zegt zijn moeder.
‘Pien, mam.’ Roel weet niet of zijn moeder hem nog hoort, haar ogen vallen dicht. In de deuropening zwaait hij. Geen reactie.

‘Ik hoop nooit zo oud te worden,’ zegt Roel op de gang.
‘Ook niet als ik dan met je meeloop achter mijn rollator?’
Zo ver vooruit heeft Pien hem nog niet eerder in haar toekomst toegelaten. Stevig grijpt Roel haar hand vast.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Rust en reinheid

Wat koopt hij voor ideeën die alsmaar langer rijpen, mijmert Roel onder de douche. Hooguit wat hij tot nu toe heeft bereikt: een huis dat er nog net zo uitziet als dertig jaar geleden. Van toen hij nog met Anne woonde. En dat hij pas tien jaar na haar dood een vriendin heeft. Wel de allerliefste, maar één die hij alleen maar in het weekend ziet.
Waar is zijn vastberadenheid van pas geleden? Wanneer gaat hij zijn lot in eigen handen nemen? Pien moet niet denken dat zijn voorstel voor een toekomst met zijn tweeën een fantasietje was.

‘Als je zo lang onder die douche blijft staan, kom ik erbij,’ roept Pien vanaf zijn gang. Ze opent de badkamerdeur, hangt haar ochtendjas aan een haakje en duwt zich poedelnaakt tegen hem aan om ook een straaltje van het warme water op te vangen. De zaterdagse wasbeurt wordt er aanzienlijk door vertraagd en Roels gedachten raken weer langdurig afgeleid.

Eindelijk zit hij geschoren en gekleed in zijn woonkamer achter zijn derde koffie. Pien zit over een uitgaansrubriek gebogen.
‘Voor vanavond zie ik niets,’ zegt ze. ‘Nou ja, morgen gaan we toch al uit.’ Roel mompelt enthousiast en verzinkt alsnog in zijn gedachten. Hij weet het zeker: het roer moet om. Maar iedereen behalve hij weet hoe dat moet. Het mag een wonder heten dat hij anderhalf jaar terug op Pien is afgestapt, denkt hij. Waardoor hij nu in elk geval niet langer vrijgezel is. Misschien nam achteraf gezien Pien wel het initiatief, peinst hij, zonder dat hij haar doorzag. Zou kunnen. Echt iets voor hem. Nu ligt het anders. Hij heeft a gezegd, nu b, kom op.

Met een half oog op de krantenkoppen, Koerden, Trump, kwetsbare ouderen, neemt Roel zich voor: ik ga dozen kopen om spullen in op te slaan. Meteen volgende week, hoeveel en voor hoelang dat zie ik later wel. Tegen die tijd weet hij vast ook welke kast hij leeg zal ruimen, zoals Pien heeft voorgesteld. Een deel van het dressoir misschien en het badkamermeubel. Maar zeker niet zijn kastenwand met de cd’s en evenmin zijn platen. En in zijn werkkamer kan er ook niets worden veranderd.
‘Shit,’ roept hij. Lamzak. Zo gebeurt er alweer niets.
‘Wat is er?’
‘Niets.’

Zijn machteloze gevoel ebt weg. Hij vermant zich. Langzaamaan nou maar, kleine stapjes.
‘Lieverd, Pien,’ zegt hij. ‘Gaan we uit eten of laten we iets brengen?’ Ze gaan gezellig naar de Turk vlakbij.
En als ze zich om tien uur stijf gearmd de deur door persen, vraagt hij:
‘Wat denk je van één Shtiseltje?’

Drie afleveringen van hun favoriete serie worden het. Hoofdrolspeler Akiva blaast tweemaal een aanstaand huwelijk af. Pas ver na middernacht verlooft hij zich met zijn gedroomde vrouw.
‘Verloven wij ons ook?’ vraagt Roel slaperig doch ferm.
‘Hè ja, gezellig,’ mompelt Pien. ‘Maar wij doen het maar één keer.’
Roel kan zich daar helemaal in vinden.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Weekendrelatie

Net zette Roel op vrijdagavond een lasagne in zijn oven of hij hoorde zijn voordeur opengaan. Pien. Eindelijk. Ze knuffelde hem en kroelde in zijn nek.
Samen dronken ze een wijntje en nog een, knabbelden nootjes. Hun gesprek ging over alles behalve trouwen en samenwonen. Geen geschikte tijd om dat nu aan te snijden vond hij. Zijn lasagne was precies zoals zij die graag at, zei Pien. En zo mooi bruin van boven. Behaaglijk wentelde hij zich in haar woorden.

Ze hadden kunnen uitgaan, maar binnen was het lekker warm en buiten niet. Op de buienradar weinig goeds. En bovendien waren ze net vorig weekend begonnen aan een nieuwe serie, Shtisel, over een familie in ultraorthodox Jeruzalem. Pien was weg van de jongste zoon, Akiva. Vooral van zijn melancholieke oogopslag onder zijn zwarte hoed die op zijn keppel balanceerde. Akiva wilde trouwen met een vrouw die dat een beetje afhield. Roel voelde innig met hem mee.

Vorig weekend hadden ze drie uur achtereen gekeken. In de hoop dat Akiva eindelijk gelukkig werd, dat zijn pa’s bemoeizucht werd bestraft en zijn zus haar ontrouwe echtgenoot zijn vet zou geven. Maar dat gebeurde niet. Misschien vanavond dan? Knikkebollend bleven ze kijken naar het ene na het andere vervolg. Met lede ogen zagen ze dat de familie zich alsmaar verder in de nesten werkte.

Zaterdagochtend na een laat ontbijt –op bed natuurlijk, met de krant, koffievlekken en kruimels in de lakens – begon Roel uiterst voorzichtig:
‘Heb je er nog over nagedacht?’
Pien hapte niet meteen, maar Roel had zich vast voorgenomen door te zetten. De kans om alle dagen knus met zijn geliefde door te brengen wilde hij zich niet laten ontgaan.
‘Dat trouwen heeft toch niet zo’n haast,’ zei Pien heel poezig. Eerst moesten ze bedenken wie bij wie ging wonen.

Zover was Roel in zijn gedachten ook gekomen. Of zijn huishouden in Piens appartement zou passen. Zo niet, wat deed hij met de rest? Kon hij de spullen waar zijn Anne zaliger zo aan gehecht was in de opslag zetten? Of zou hij die thuis laten staan als hij naar Pien verkaste en ging hij af en toe terug om heel alleen nog wat te mijmeren in zijn halflege huis? Van al die vragen kreeg hij het zo benauwd dat hij het daarbij had gelaten.
Maar tot zijn opluchting vroeg Pien:
‘Zal ik voorlopig maar bij jou intrekken?’
‘Heb ik al eens gezegd hoe lief je bent?’ Zijn zwaard verhief zich. Hij boog zich naar haar toe voor een lange zoen op haar mond.

‘Ja hoor,’ antwoordde ze. Ze had gedacht, zei ze, als hij de helft van zijn kasten en laden leeg zou maken, dan kon zijn keuken voor even wel zo blijven. En daarna zouden ze ook iets bedenken voor zijn meubilair. Roels geheven lid kromp ineen. Meende zijn Pien dat nou?
Bij nader inzien vond hij het toch beter dat onderwerp eerst maar eens rustig te laten rijpen.

 

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Alleen in het weekend

Wanneer Roel op maandagavond zijn Pien opbelde begon hij alweer naar het weekend te verlangen. Op dinsdag werd het vuurtje groter, vier dagen nog, hij werd er warm van. Als het hem een dagje tegenzat, dacht hij: vrijdagavond ben ik lekker weer bij Pien. In het weekend genoot hij van haar stem, haar geur, haar zachte vel, de manier waarop ze zich bewoog.
Toch zat hem iets niet lekker. Er wrong iets.

Toen hij zich op een ochtend bij zijn tweede kopje koffie afvroeg waar dat gevoel van crisis toch vandaan kwam, wat hij nou eigenlijk wilde, kwam de waarheid levensgroot bij hem aan tafel zitten. De gedachte drong zich op dat hij met Pien wilde samenwonen.
Van schrik morste Roel zijn koffie over tafel. Hij kreeg spontaan de hik. ‘Samenwonen!’ fluisterde hij ontzet. Hik. Beurtelings kreeg hij het warm en koud, zijn ogen traanden.

‘Is er iets?’ zeurde een stemmetje in zijn hoofd.
‘Dat doen enkel mensen zonder lef,’ kreunde hij als een soort antwoord, ‘mensen met bindingsangst willen dat, types die zich niet durven vast te leggen.’ Zo was hij niet. Hoopte hij.
‘Dat nooit,’ besloot hij ferm.

Hij rechtte zijn rug, haalde een kam door zijn haar en raadpleegde zijn horloge. Het was een beetje vroeg, maar beter vroeg dan nooit. Toen pakte hij kordaat zijn telefoon en toetste Piens nummer in.
‘Met mij,’ zei hij.
‘Dat zag ik al,’ zei Pien, zonder een spoortje van verbazing in haar stem. ‘Je belt vroeg.’
‘Pien,’ zei hij. ‘Ik wil niet meer met weekendtasjes sjouwen, het moet nu maar eens afgelopen zijn met die vrijblijvendheid. Laten we trouwen. Zeg je appartement op en kom bij mij wonen. Ik wil dat ook best doen, dan kom ik bij jou.’ Zijn stem ketste tegen de vloer en wanden van zijn woonkamer.
‘Waar ben je?’ vroeg ze.
‘Thuis,’ antwoordde hij.
‘Kom je soms even langs?’ vroeg ze.

Pien is een schat, dacht hij, toen hij uren later in slaap dommelde. Ze had hem geduldig en met veel overtuiging uitgelegd dat ze best haar appartement kon aanhouden en hij het zijne. Zonder dat zoiets vrijblijvend was. ‘Je hoeft jezelf toch niet meteen maar in een strop te hangen?’ zei ze en aaide over zijn rug.
‘Eventueel kunnen we best trouwen.’
‘Zou je dat willen?’ vroeg hij.
Liever niet natuurlijk, want die keer dat ze het had gedaan was haar totaal niet bevallen, ze was niet voor niets gescheiden. Hij vond het lief van haar aangeboden.

Pien had haar warme adem in zijn oor geblazen, hem zachtjes gestreeld waar hij het graag had, ze waren in haar bed beland waar ze de liefde hadden bedreven.
Naast hem hoorde hij haar kalme ademhaling, ze sliep al. Roel lag nog een seconde met zijn ogen open. Er was niet veel veranderd, maar hij had het prettige gevoel dat hij lef had getoond en dat zijn crisis was bezworen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De kant op van de Kalverstraat

Misschien had niemand door hoe eerlijk ik het meende als ik me heilig voornam nooit meer te gaan shoppen in de Kalverstraat. Geen cent zou ik er nog besteden, geen sou meer voor het voortbestaan van winkels. Als ik besloot de straat te mijden, was het trouwens niet om de winkeliers, maar louter voor mezelf –mijn overvolle huis, mijn lege beurs. En om mezelf te tonen dat ik goed zonder eeuwig shoppen kon.

Soms riep mijn garderobe een paar dagen lang geen nieuwe kriebels op. Of dacht ik van tevoren dat ik spijt zou krijgen van een nieuwe koop. En zei ik tegen een collega: de komende tijd heb ik het zo druk, ik heb niet eens tijd om de Kalverstraat te doen. Ik werkte om de hoek en elke lunchpauze liep ik te winkelen.

Ook was er wel eens een verbouwing, waardoor een winkel weken dicht zou gaan. Ook zo’n geval greep ik dan dapper aan om mijn geliefde straat te mijden, tot die zaak weer open ging. Geen enkele andere shop heeft iets van mijn gading, hield ik me dan voor. Ook dan viel het me tijdelijk lichter niet aan mijn kooplust toe te geven.

Zo gaat dat met een dierbaar voorwerp ook. Bij een mooi schilderij bijvoorbeeld, vroeg ik me wel eens af of ik het missen zou als ik het niet meer had. Om het te testen zette ik hem een poosje in een kast. Intussen bleef hij prachtig en bleef ik de bezitter en wisten mensen dat. Vanwege het tijdelijk karakter van mijn test bleven die associaties allemaal intact. Daardoor kreeg ik de kans niet het werkelijk te missen. Je weet pas of je zonder kunt als je het opgeeft, er compleet afstand van doet. Dat gold ook voor mijn eeuwig shoppen. Ook daar kleefden associaties aan – jaloerse blikken, altijd iets nieuws in mijn kast, dankbare winkeliers. Opschorten was tot daaraantoe, maar opgeven was van een  andere orde.

Uitgerekend als ik mezelf een tijdelijk verbod had opgelegd, las ik over een uitverkoop of dat één winkel korting gaf. Waarom net dan? De moed zonk me onmiddellijk in de schoenen. Zelfs wanneer mijn collega ‘dan maar niet’ gemompeld had toen ik vertelde van die drukte, moest ik opeens weer heel erg nodig shoppen.

Bij de minste tegenslag of lichamelijk ongemak, keerde onmiddellijk het idee terug om de Kalverstraat weer af te struinen. Als een gespannen elastiek dat losgelaten wordt. Het idee was onweerstaanbaar. Zozeer dat zelfs de weken dat ik niet was wezen shoppen me minder zwaar gevallen waren dan de tien minuten die me restten tot mijn lunchpauze. Waarin ik mijn Kalverstraat weer zou zien. Die tien minuten bracht ik door in smachtende vervoering met duizendmaal opnieuw het glanzende vooruitzicht met nieuwe buit de winkels in en uit te mogen lopen.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Na de daad

Die ochtend stond ik vanaf zeven uur achter een heg in een hofje. In het zwart met hoodie over mijn kop. Daar wachtte ik hem op. Zodra hij om half acht zijn rijtjeshuis uitliep -met dakopbouw- herkende ik hem van de foto’s: tenger, golvend kort haar, diepliggende ogen. Midden op straat zwaaide hij achterom naar de kindjes op één hoog die tegen het raam tikten en kushandjes bliezen. Iemand sloot een gordijn achter hen en ze verdwenen.

Toen hij zijn autodeur opende, zijn aktentas naar binnen gooide en net zou instappen, liep ik naar voren, ontgrendelde mijn revolver, richtte en trok. Schot één doorboorde zijn linker schouder, zijn arm liet het autoportier los, hij draaide zijn hoofd naar me toe.
‘Wat doe je, man?’ riep hij. Opnieuw raakte ik. Wankelend trok hij zijn been bij. ‘Stop!’ Zijn ogen boorden zich in de mijne. Drie. Languit viel hij op straat. Bloed. Schot vier, vijf. Meer bloed, precies zoals mijn baas had gewild.

Acuut draaide ik me om, passeerde garages, de hoek om voor eendere woningen langs. Aan de overkant glipte ik tussen twee bungalows door een smal met gras omzoomd pad op naar de grens van de wijk. In de verte loeiden sirenes. Een motor stond startklaar om mij naar mijn safe house te rijden.

Safe maar oersaai, om al na een week knettergek te worden van mijn eigen gedachten. Dag en nacht stelde die nette meneer me zijn vraag, keer op keer, alsof hij een antwoord verwachtte. Steeds klonk zijn ‘stop!’ Elk moment zag ik dat verwrongen gezicht, zijn wijkende haargrens, zwaaiende hand. Na drie weken was het genoeg.

Eén bewaker was eten gaan halen, de andere ging poepen –wat altijd lang duurde-, ik jatte de motor. Op de grens van de wijk stapte ik af. In jack en spijkerbroek, ook mijn haar had ik net zo geknipt als het zijne.
Zo loopt het dus af, dacht ik lusteloos: ik ga het vertellen, dan komt er een eind aan. Alleen omdat ik dat wil, niemand anders. Ik vloekte binnensmonds.

Voor het dichtstbijzijnde politiebureau zou ik via het smalle pad door het gras naar het straatje toe moeten lopen met de bungalows aan één kant. Aan het eind ervan moest ik rechtsaf en drie straten verder naar links.

Op de stoep voor het eerste rijtjeshuis hield ik mijn pas in en dacht even na. Ik liep een hoek eerder naar rechts, wachtte niet tot het eind van de straat. Zo kwam ik er ook, wist ik, al was het dan met een omweg.
Waarvoor ging ik niet direct op mijn doel af? Wilde ik tijd rekken om mijn hart te kalmeren? Tijdens het lopen keek ik niet op of om. Een kille wind sneed door mijn jack en een gevoel drong zich op dat iemand iets in mijn oor siste.
Toen ik mijn hoofd ophief zag ik dat ik in dat hofje beland was en pal voor dat huis met die dakopbouw stond.

Geplaatst in Uncategorized | 6 reacties

De kant van mijn huis op

Op donderdagavonden bedolven een paar oude stamgasten me onder hun klaagzangen, over hun eenzame lot, verwoeste gebit, hun kijvende wijf, hun visie op wereldhervorming. Ik hoorde ze aan en knikte. Waarover moest ik vertellen? Over de spoken onder mijn bed, mijn ijskoude kamer? Bij hun was het erger. Mijn enige troost donderdags kwam van Gerda, als ik weer naar huis moest. Haar wang op mijn lippen.

Ik volgde haar met mijn ogen, hoe ze rond tafeltjes liep en glazen ophaalde, nootjes neerzette, een vriendelijk woord zei en lachte. Ik kon het niet opbrengen haar ook maar een tel uit het oog te verliezen, als ik bedacht dat ze straks in de kroeg achterbleef. Al mijn hoop was erop gevestigd te worden gesust en bedwelmd door haar zachte huid, zoals altijd op de donderdagavond.

Als mijn hand de gladde stof van haar gebloemde bloes raken zou en haar schouder zou grijpen, dan boog ze zich boven de toog naar me toe om mijn kus te ontvangen. Graag had ik langer haar parfum opgesnoven, langer haar wang bij mijn lippen gevoeld. Maar zo’n afscheid duurde altijd heel kort, meteen erna stond ze haar klanten alweer te bedienen of spoelde haar glazen.
Het moment dat ik haar om een kus vroeg had daardoor iets pijnlijks. Het was een soort voorbode van het moment er vlak na, als ze snel weer haar rug rechtte om met haar werk door te gaan.

Soms wilde ik teruglopen als ik haar al gekust had en ik de deur van de kroeg open duwde om weg te gaan. Dan wilde ik zo graag ‘nog één’ tegen haar zeggen, maar nu een kus op haar lippen. Alleen zou ze dan boos naar me kijken, dat wist ik. Ze kwam toch al aan mij tegemoet, met mijn afschuw van mijn eenzame huis, van de angstige uren alleen in mijn bed met de dreigende afgrond van mijn slapeloosheid. Ze was me toch al ter wille door me haar zachte wang te lenen.

Bovendien ergerde het haar man, die ook achter de toog stond en mijn kuise kus wel gedoogde, maar me liever van die gewoonte had afgeholpen. Een nieuwe gewoonte erbij – teruglopen als ik al bij de deur stond- was wel het laatste dat hij zou toestaan. Wanneer hij boos werd zou dat bovendien alle rust verjagen die zij me even tevoren gegund had toen ze haar wang toestak, die naar een parfum rook. Haar wang als een bron waaruit mijn lippen haar gezelschap putten.

Die broze indruk van haar huid op mijn mond droeg ik dan van de kroeg naar de overkant van de straat, een abri in met wachtenden, de tram in en uit naar mijn voordeur, de kale gang door mijn slaapkamer in. Ook bij het uitkleden hield ik haar de hele tijd bij me, dat gaf mij de moed aan mijn slaap toe te geven.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

De kant op van de prins

Wekelijks kreeg de prins bezoek van Patrick, een advocaat in ruste, die hij nog kende van zijn oude kostschool. De enige met wie hij nog herinneringen deelde aan die tijd. Wanneer Patrick op huis aan ging zei de prins gewoonlijk:
‘Neem mee, kerel,’ terwijl hij een fles exquise port van tafel pakte, een van de vele. ‘Denk nog eens aan me.’ Aarzelend zei Patrick dan:
‘Daar kom ik toch niet voor.’ Alsof hij voor het eerst zo’n fles, een kist sigaren of een zwijnenbout kreeg die de prins zelf had geschoten. Hij keek er somber bij, wat de prins wel grappig vond. Soms oogde Patrick bij een gift wat minder somber. Gek genoeg zat de prins daar dan mee. Dan zei hij tegen James, een oude studiemaat met wie hij wekelijks schaakte:
‘Ik weet niet wat Patrick bezielde. Ik geef hem toch wel vaker wat, maar gisteren leek hij het niet te waarderen.’
James bromde zoiets als: ‘Ik vind niet dat je vriend te klagen heeft.’

Dat was nog zacht gezegd, want in zijn hart vond James alles verspild wat de prins Patrick toebedeelde. Verspild aan een ondankbaar heerschap. Maar wat hijzelf kreeg toegestopt was in zijn ogen doodnormaal.

Overigens sprak hij niet in die zin over Patrick omdat hij diens cadeaus zelf wilde hebben. Welnee. James beleefde genoeg plezier aan het gezelschap van de prins. En hij was zich er terdege van bewust dat diens rijkdom en diens status ook op hem afstraalden. Dat hijzelf bij andere vrienden en zijn eigen familie aanzien genoot louter omdat zijn oude studievriend van koninklijken bloede was.

De oorzaak van James’ gebrom lag eerder in de nooit aflatende gulheid van de prins. James fantaseerde wel eens hoe hij het vermogen zou beheren van zijn trouwe vriend. Dan zou het hem niet uitmaken als de prins van alles weg gaf. De enige restrictie die hij als beheerder stellen zou, was dat de prins het aan andere rijken schonk, mensen van adel en van aanzien. De koninklijke familie zelf bijvoorbeeld.

Die lui hadden de gulle giften van de prins immers niet nodig, volgens James. Zulke lieden kon je er niet van verdenken de prins alleen daarom te mogen. Bij eenvoudige mensen zonder titel, zou dat wel kunnen spelen. Mensen zoals Patrick en hijzelf.

Alleen lag het beheer nu eenmaal niet in James’ handen. Daarom zag hij met lede ogen aan dat de prins maar doorging met zijn gulle gaven, zoals de chique etentjes die hij voor Patrick betaalde, het buitenhuis dat hij hem uitleende of een auto. Dezelfde soort gunsten trouwens die ook James geregeld van de prins ontving.

Zo kwam het dat er volgens James geen huis zo groot, geen reis zo ver was of Patrick kon het zich permitteren, dankzij het kapitaal dat hij uitspaarde met de giften van de prins. Terwijl Patrick precies hetzelfde over James dacht en over zijn verborgen schatten.

 

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

De kant van haar dochter

In haar eentje bewoonde Mrs. Maxwell een groot huis aan een park, met drie schuine daken, een toren. Daar ontving ze haar vriendinnen Meryl, Mathilde en Anne en vele andere gasten. Deze grande dame adoreerde haar dochter Ghislaine, die haar geregeld bezocht. Wat haar dochter buiten die bezoekjes om deed, daarvan wist ze maar weinig.

Wel kwam dat later volop in het nieuws. Vele maanden nadat een anonieme brief in haar bus lag, ondertekend: je goede vriendin die het beste met je voor heeft. Daarin stond dat Ghislaine de rechterhand was van Jeffrey Epstein, een puissant rijke zakenman. Mevrouw Maxwell had zijn naam wel eens horen vallen. Volgens de brief was Ghislaine betrokken bij zijn vreemde praktijken met tieners, naaktfoto’s en orgieën. De briefschrijfster schuwde de schunnige aantijgingen niet.

Wie stuurde tegenwoordig nog een brief met de post? vroeg mevrouw Maxwell zich af. Zelfs al was die op een wit vel getypt in plaats van in krullerig handschrift geschreven op dun lila postpapier dat naar viooltjes rook. Zoals vroeger. Uit details maakte ze op dat de schrijfster goed op de hoogte was van haar situatie en haar band met Ghislaine. Des te meer kwelde het haar dat die would-be vriendin haar zo’n walgelijke brief had gestuurd.
Natuurlijk zou moeder Maxwell graag achterhalen wie haar zoiets schreef. Haar schoolvriendin Meryl, ging de schrijfster schuil achter haar lieftallige uiterlijk? Of anders achter Mathildes extravagante kleding of de gebotoxte lippen van vriendin Anne? Het kon ook een kapster zijn of iemands werkster, die wisten vaak meer dan je lief was. Maar schreven die brieven?

Haar vriendinnen deden dat uiterst zelden, voor zover Mrs Maxwell wist, een enkele e-mailde, whatsappte, meestal belden ze op. Ook meende ze dat geen van hen in haar bijzijn ooit iets gezegd had over anonieme brieven en al helemaal niet in goedkeurende zin. Zoiets achtten ze beneden hun stand meende Maxwell, te oordelen naar alles waar ze met hen over praatte. Maar evengoed kon iemand van hen erop azen haar eens een hak te zetten. Gezien hun karakter, peinsde Mrs Maxwell, viel dat eerder van de ene vriendin te verwachten dan van de andere?

Mathilde was wankelmoedig, anderzijds heel attent en zachtaardig. Meryl was weliswaar kortaangebonden, maar ook nuchter en rechtdoorzee. En Anne? Moeder Maxwell had zelden iemand ontmoet die discreter en zorgvuldiger was in haar woordkeus. Maar dan nog. Op welke grond moest ze aannemen dat een zachtmoedige vrouw zoiets eerder zou doen dan een koele, dat een kunstenares dat gemakkelijker deed dan een huisvrouw, een werkster of een dame van aanzien? Zo’n verfoeilijk naamloos epistel bewees hooguit dat een bekende in staat was om haar een loer te draaien.

Om de inhoud bekommerde moeder Maxwell zich niet. Al was haar dochter dan toevallig met die Jeffrey bevriend, voor haar had niet één van de beschuldigingen ook maar de schijn van geloofwaardigheid.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Do or die

Inmiddels heeft Thomas Mann mij alles verteld over het Duitse koopmansgeslacht Buddenbrooks. Bij hem weinig hunkering en smachten naar de medemens, zoals bij Proust. Hooggeplaatste kooplieden in de 19de eeuw, in elk geval de Buddenbrooks, moesten de eer van de familie hooghouden en het kapitaal vermeerderen. Daarom werd er veel voortvarendheid van ze verwacht, in de geest der vaderen. Daar kon de ene of de andere telg nog wel eens mee worstelen.
Worstelen dus, leuk thema om mee te oefenen. Wie beter dan een politicus in het nauw kan deze rol tijdelijk –ter wille van de stijloefening- op zich nemen?

Oneerbaar voorstel

‘Je hebt de verkeerde voor je, Dominic,’ zegt hij. ‘Ten eerste doe ik geen zaken met Hare Majesteit. Ten tweede is het meer dan twintig jaar geleden dat iemand het gewaagd heeft het parlement buiten te spel zetten. Daar leen ik me niet voor. Straks breekt de hel los, houd erover op.’
‘We hebben het over jou, Bo, premier voor de komende vijf jaar. Dat snap je toch?’
‘Van –mij?’ vraagt Boris met de lippen, zonder een klank voort te brengen. Luid voegt hij eraan toe: ‘Ga nou slapen, Dominic, je bent oververmoeid.’
‘Ik kan je verzekeren dat ik nog nooit zo fris ben geweest,’ zegt Cummings.
‘Je begrijpt dus niet dat je me iets zeer onwaardigs aanraadt. Woon ik op Downing Street soms voor de macht of voor het landsbelang?’
‘Ach Boris, maak dat een ander wijs, ik weet wie je bent, jijzelf ook.’
‘Ik maak er geen woorden meer aan vuil,’ zegt Johnson ferm.

Eenmaal alleen, neemt Boris weer plaats aan zijn bureau, maar al na twee minuten slaat hij zijn ogen van zijn scherm op en staart strak in het duister.
Waarom moet die klojo van een Dominic, zijn rechterhand nota bene, hem dit voorstel doen? Het leidt hem voortijdig af van zijn koers. Gelukkig heeft hij Cummings stevig van repliek gediend, herinnert hij zich. ‘Smerige manipulatie…Staatsgreep… Oorlogsverklaring… Raspoetin… Schoffering van democratie,’ uitstekend.

Een grote onrust overvalt hem. Hij moet bewegen, ruimte voelen, licht zien. Boris Johnson schuift zijn stoel naar achteren. Hij rommelt in een bureaula, schenkt zich uit een thermosfles een restje thee in en loopt dieper het huis in. Werktuiglijk opent hij een kast, vist een cakeje uit een trommel en slaat de deur weer dicht. Stelt hij zich aan als een neuroot, is hij een zielige piekeraar aan het worden?
Boris vermant zich, loopt naar zijn werkkamer terug, drukt er alle lichtknopjes in. Met gespreide vingers harkt hij door zijn lichtblonde haar. Mijn pa ging altijd recht op zijn doel af, onbeschroomd en voortvarend. Had Cummings hem geadviseerd de Queen voor te stellen haar speech te verdagen, Doen! zou de ouwe heer zaliger hebben gezegd. Het parlement wat langer op vakantie? Doen! Maar hij, Boris, zijn zoon heeft koudwatervrees.
Traag loopt hij langs de hoge leren stoelen rond de vergadertafel, stelt zich de adviseurs voor die er vanochtend nog zaten, blijft voor het raam staan en kijkt naar het duister buiten.

De maan hangt geel, hoog en klein tussen verdwaalde stapelwolken, aan de overkant de vage omtrek van bewakers die daar onbewogen staan. Met een hand pakt Boris de knop van het raam vast, legt zijn voorhoofd erop en laat zijn gedachten de vrije loop.
Plotseling heft hij zijn kop weer op en laat het raamhandvat los. Hij heeft zijn besluit genomen.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties