Do or die

Inmiddels heeft Thomas Mann mij alles verteld over het Duitse koopmansgeslacht Buddenbrooks. Bij hem weinig hunkering en smachten naar de medemens, zoals bij Proust. Hooggeplaatste kooplieden in de 19de eeuw, in elk geval de Buddenbrooks, moesten de eer van de familie hooghouden en het kapitaal vermeerderen. Daarom werd er veel voortvarendheid van ze verwacht, in de geest der vaderen. Daar kon de ene of de andere telg nog wel eens mee worstelen.
Worstelen dus, leuk thema om mee te oefenen. Wie beter dan een politicus in het nauw kan deze rol tijdelijk –ter wille van de stijloefening- op zich nemen?

Oneerbaar voorstel

‘Je hebt de verkeerde voor je, Dominic,’ zegt hij. ‘Ten eerste doe ik geen zaken met Hare Majesteit. Ten tweede is het meer dan twintig jaar geleden dat iemand het gewaagd heeft het parlement buiten te spel zetten. Daar leen ik me niet voor. Straks breekt de hel los, houd erover op.’
‘We hebben het over jou, Bo, premier voor de komende vijf jaar. Dat snap je toch?’
‘Van –mij?’ vraagt Boris met de lippen, zonder een klank voort te brengen. Luid voegt hij eraan toe: ‘Ga nou slapen, Dominic, je bent oververmoeid.’
‘Ik kan je verzekeren dat ik nog nooit zo fris ben geweest,’ zegt Cummings.
‘Je begrijpt dus niet dat je me iets zeer onwaardigs aanraadt. Woon ik op Downing Street soms voor de macht of voor het landsbelang?’
‘Ach Boris, maak dat een ander wijs, ik weet wie je bent, jijzelf ook.’
‘Ik maak er geen woorden meer aan vuil,’ zegt Johnson ferm.

Eenmaal alleen, neemt Boris weer plaats aan zijn bureau, maar al na twee minuten slaat hij zijn ogen van zijn scherm op en staart strak in het duister.
Waarom moet die klojo van een Dominic, zijn rechterhand nota bene, hem dit voorstel doen? Het leidt hem voortijdig af van zijn koers. Gelukkig heeft hij Cummings stevig van repliek gediend, herinnert hij zich. ‘Smerige manipulatie…Staatsgreep… Oorlogsverklaring… Raspoetin… Schoffering van democratie,’ uitstekend.

Een grote onrust overvalt hem. Hij moet bewegen, ruimte voelen, licht zien. Boris Johnson schuift zijn stoel naar achteren. Hij rommelt in een bureaula, schenkt zich uit een thermosfles een restje thee in en loopt dieper het huis in. Werktuiglijk opent hij een kast, vist een cakeje uit een trommel en slaat de deur weer dicht. Stelt hij zich aan als een neuroot, is hij een zielige piekeraar aan het worden?
Boris vermant zich, loopt naar zijn werkkamer terug, drukt er alle lichtknopjes in. Met gespreide vingers harkt hij door zijn lichtblonde haar. Mijn pa ging altijd recht op zijn doel af, onbeschroomd en voortvarend. Had Cummings hem geadviseerd de Queen voor te stellen haar speech te verdagen, Doen! zou de ouwe heer zaliger hebben gezegd. Het parlement wat langer op vakantie? Doen! Maar hij, Boris, zijn zoon heeft koudwatervrees.
Traag loopt hij langs de hoge leren stoelen rond de vergadertafel, stelt zich de adviseurs voor die er vanochtend nog zaten, blijft voor het raam staan en kijkt naar het duister buiten.

De maan hangt geel, hoog en klein tussen verdwaalde stapelwolken, aan de overkant de vage omtrek van bewakers die daar onbewogen staan. Met een hand pakt Boris de knop van het raam vast, legt zijn voorhoofd erop en laat zijn gedachten de vrije loop.
Plotseling heft hij zijn kop weer op en laat het raamhandvat los. Hij heeft zijn besluit genomen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Wereldliteratuur , emoties, cursiefjes en stijloefeningen

Lieve lezeressen, lezers, een goede zomer gehad?
Naast zalig nietsdoen heb ik de afgelopen zomer experimenten uitgevoerd. Ik moest maar eens iets anders schrijven, dacht ik, iets van een ander kaliber. Kon ik de reikwijdte van al die emoties waar ik graag over schrijf niet wat verbreden? Hoe doen de groten der aarde dat toch, vroeg ik me af. Nou, ja, een mens tobt wat af. In elk geval ben ik weer eens aan de groten der aarde begonnen: Proust, Thomas Mann, Tjechov. Inderdaad niet de minsten.

Ik moet zeggen, je wordt heel bescheiden als je die schrijvers leest. Proust bijvoorbeeld weet in Swanns kant op* zijn hoofdpersonen met veel emoties te bekleden. Een jongetje –de ik-figuur- kan een avondlang liggen piekeren over een gemiste kus van zijn moeder. De huishoudster Françoise, tante Léonie, Swann zelf, allemaal mensen met een diep gevoelsleven.

Zo houdt Swann bijvoorbeeld van een hoertje, ene Odette. Niet zo een van de ramen, maar een dame met goede manieren die heren van de hoge stand haar diensten bewijst, waar dan veel geld en enig aanzien tegenover wordt gesteld door betreffende manspersonen. En heel veel discretie wederzijds. Swann zelf wordt oprecht verliefd op deze vrouw. Hij heeft weinig weet van haar bezigheden op andere tijden van de dagen en avonden waarop ze niet met hem samen is. Hij verdiept zich er eenvoudigweg niet in. Wil hij het niet weten, is hij beducht voor de waarheid, te goed van vertrouwen? Je weet het als lezer niet. Je kunt je er van alles bij voorstellen, ook in je eigen leven. Waarom immers zou je de gangen nagaan van iemand die je oprecht liefhebt of bewondert? Maar Swann ontkomt er toch niet aan.

Ik wilde kijken wat het is om zo te schrijven, wat voor overpeinzingen Proust gebruikt om mij als lezer dat allemaal duidelijk te maken. En heb het toegepast op een heel andere, actuele situatie,  maar wel in het petieterige formaat waarvan ik geen afscheid kan nemen (max 500 woorden). Een stijloefening dus.

Nou ja, lees maar. Maar lees vooral Swann en andere wereldliteratuur, die emoties van alle tijden weet te vangen.
* vertaling De Haan en Hofstede.


De kant van de bank

Dat de bank ten onder was gegaan was voorpaginanieuws, tv-rubrieken vulden er het scherm mee. Van veel mensen was het geld voor hun pensioen, of waren hun reserves tot de helft verdampt. Pas toen drong tot Mark door dat Don – zijn oudste broer, tegen wie hij altijd opkeek- de laatste tien jaar bij diezelfde bank gewerkt had.

Don had zijn functie daar ‘tekstschrijver op een pr-afdeling’ genoemd. De enkele keer dat Mark geïnformeerd had wat dat inhield, had Don geantwoord:

‘Ik schrijf berichten en rapporten, soms reclames.’ Mark kende ze wel: bij ons regelt u zonder gedoe al uw dagelijkse bankzaken. Waar Don het verder in zijn dagelijkse werk zo druk mee had, daarover liet hij weinig los, hooguit een keer: ik heb een deadline. Mark deed weinig moeite om zich de inhoud voor te stellen van wat Don daar schreef. Dat Dons baan daardoor vorm- en kleurloos voor hem was, daar had hij vrede mee.

Maar nu bedacht hij dat Dons dagen op die bank waren gevuld met het verhullen van gesjoemel. Het publiek was wijs gemaakt dat ze er met gerust hart konden sparen en dat dit bankbedrijf een veilige belegging vormde. Stel dat hij over Dons rol meer geweten had. Stel dat hij wist met welke zinnen Don zzp’ers, loodgieters en hoveniers in slaap had gesust. Dat hij wist met welke woorden Don de situatie bij zijn bank veel gunstiger had voorgesteld dan die echt was? Dons schrijverij zou met die wetenschap een erg vals smoelwerk kunnen krijgen.

Mark vreesde dat die kennis hem van zijn broer vervreemden zou. En dat hij later niets over de teloorgang van diens bank zou kunnen zien, horen of lezen zonder zijn hart ineen te voelen krimpen. Vandaar dat hij expres geen poging deed om meer te weten van Dons teksten, hem geen bekentenissen probeerde te ontlokken. Hij vroeg hem niet: wat wist je van balanstekorten, verdachte producten en van verliezen van je bank? Dons antwoorden zouden de argwaan die Mark trachtte te kalmeren weer doen opleven.

Alleen, toen van de bank de vuile was in krant en op tv uitvoerig buiten hing – Don werkte alweer ergens anders- begon zijn oudste broer er soms zelf over, alsof hij dacht dat Mark het toch al wist. Maar vaak onthulde hij dingen waar Mark geen flauw idee van had. Over persberichten die hij uit zijn duim gezogen had om malversaties van zijn superieuren toe te dekken. Alleen om te zorgen dat mensen hun beleggingen en spaargeld veilig waanden.

Don toonde daarmee geen benul van de afstand tussen zijn werkelijke leven op de bank en het onschuldige leven dat Mark hem daar had toegedicht. Een werkelijkheid waarin Don klakkeloos opschreef wat zijn werkgever hem vroeg. Als iemand die niet merkt dat zijn collaboratie geleidelijk aan toeneemt. Die niet beseft hoezeer hij door geheul geleidelijk afdrijft van een oprechtheid die Mark van iedereen verwachtte. Zeker van zijn oudste broer, die hij zo hoog had zitten.

 

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Vakantie

In september ben ik terug. Een heel prettige zomer gewenst.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ik ga maar eens naar huis

Vrijdags fietst Eveline in regenpak naar de Amsterdamse binnenstad. Zware wind laat haar zuidwester flapperen, afgebroken takken vol in blad zwiepen over de straat voor haar. Bliksemschichten flitsen voor de ramen van een voormalig kerkgebouwtje langs, waar ze filosofieles volgt. Binnen vertelt haar lerares hoe Boeddhisten aankijken tegen negatieve gevoelens: onlust, nervositeit, woede.
‘Men ziet ze als een storm, ze blijven een tijdje en ebben dan weer weg. Men gaat er rustig voor zitten en verdraagt ze,’ zegt de docente.
Op haar terugweg rukt de wind aan Evelines stuur. Een deel van een gracht die ze passeert is met rood-witte linten afgezet, een grote boom is dwars over een woonboot heen gewaaid, kruin half in het water, meters wortels boven de kade uit, politiemensen.

Zaterdagochtend heeft het hemelwater van de vorige avond zich verzameld in reusachtige plassen waar automobilisten doorheen sjezen en Eveline onder spatten. Die is onderweg naar het Merwedeplein, waar ze in een café heeft afgesproken met Linda, haar vriendin.
‘Wanneer vertrek je?’ vraagt Eveline.
‘Overmorgen om half tien ’s ochtends,’ antwoordt Linda. ‘Hoe krijg ik het voor elkaar? Ik wil mijn vriezer nog ontdooien, vitrage wassen, mail bijwerken. Mijn broer wilde vandaag nog met me zeilen. Gelukkig gaat dat nu niet door, het is bladstil.’
‘Je hoeft maar twee dingen te doen,’ zegt Eveline. ‘Je pakt je koffer in, en stopt je ticket, telefoon, je paspoort en betaalpas in je handbagage.’
‘En mijn laptop, die moet er ook in. Mijn rugtas gaat op die manier minstens vijf kilo wegen. Daar mag ik dan mee in de wachtrij staan voor die stomme bagagecheck, minstens een uur zeggen ze. Ik zie het alweer voor me: schoenen uit, straling door mijn lijf, met die zware rot tas opnieuw in de rij, douane, vingerafdrukken. Dan zes uur vliegen, knieën tegen mijn neus, lauw klef plastic eten slikken.’
‘Laat het gewoon over je heen komen.’ Zal ze het Linda uitleggen van die nervositeit en luwende storm? ‘Mijn filosofieles gisteren ging over het Boeddhisme,’ zegt Eveline alvast.
‘Dat vindt ik toch zo zweverig,’ zegt Linda onmiddellijk. ‘Niets voor mij.’
Eveline houdt haar uitleg voor zich.
‘Ik ga maar eens naar huis,’ zegt Linda even later. ‘Ik ben er niet gerust op, ik weet nu al dat ik vannacht geen oog dicht zal doen, die stomme vliegreis ook.’

Op dinsdagochtend leest Eveline in de krant: In een wolkencircel van meer dan tien kilometer doorsnee stortregende het in Montana, terwijl kolkende winden het zand omhoog trokken. De storm bereikte snelheden van honderdveertig kilometer per uur, maar veroorzaakte geen schade.

’s Middags staat er op Evelines Whats-App een foto van Linda tegen een achtergrond van wolkenkrabbers en staalblauwe hemel in Chicago. Onderschrift: hartstikke leuk hier!
Hoe was je reis, nog last gehad bij de douane? appt Eefje terug.
Alles kits, reageert Linda even later. Je weet toch hoe dat bij mij gaat? Het waait vanzelf weer over.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De een met botbreuken

Vroeg in de avond rijdt Giel naar zijn huis in Buitenveldert. In de bocht blijft zijn voorwiel steken in een weggezakte straatsteen, zijn fiets klapt opzij en hij vliegt de stoep op, zijn enkel ongemakkelijk verbogen.
Op de Eerste Hulp constateert men dat Giels enkel is gebroken, zijn arm gekneusd. Hij krijgt een plaats op de transferafdeling, hoe zou hij in zijn eigen huis de trap op moeten lopen? Weldra ligt Giel in een hoog bed te dommelen op zaal met andere zestigplussers. De een met botbreuken, zoals hij later hoort, twee anderen herstellend van een operatie. Geen van allen in staat thuis voor zichzelf te zorgen.

De week na zijn ongeluk buigt en strekt een fysiotherapeut met hem zijn tenen en zijn knieën, spant en ontspant de dij van zijn gewonde been. Net zit Giel in zijn rolstoel naast zijn bed met zijn gipsbeen op een stoel voor zich, of Menno loopt zijn ziekenkamer binnen, de bassist van Giels strijkensemble. Menno heeft een maand terug een nieuwe knie gekregen, Giel staart hem aan.
‘Je loopt weer? Zonder stok, of staat die voor de deur?’
‘Welnee,’ zegt Menno, ‘ik kuier weer op eigen kracht.’
‘Ik wou dat ik dat kon,’ zegt Giel.
‘Veel oefenen,’ zegt Menno. ‘Net als ik.’

Hij vraagt Giel naar zijn ongeluk.
‘De tegels op dat fietspad liggen los, je weet hoe droog het vorig jaar de hele zomer was,’ antwoordt Giel. ‘Klimaatverandering.’
Menno duwt Giels stoel de gang in naar een zitje.
‘Als je eens wist hoeveel afval ze hier voor lief nemen,’ zegt Giel. ‘Plastic verpakkingen van spuiten, bakjes voor wanneer je nog niet zelf naar de wc kan.’
‘Trek het je niet aan,’ zegt Menno. ‘Je blijft hier maar zo kort.’
‘Daar gaat het toch niet om? Het gaat me om die plastic oceaansoep.’

Na veertien dagen krijgt Giel loopgips. Voor revalidatie woont hij zolang in een voormalig ouderentehuis. Ook daar komt Menno op bezoek.
‘Oefen je nog een beetje?’ vraagt hij.
‘Wat heet? Ik buig, til, strek mijn been, beweeg mij tenen, loop.’
‘Zo deed ik dat ook,’ zegt Menno.

‘In de kantine kunnen we wat drinken,’ zegt Giel, en schuifelt naast zijn vriend erheen.
‘Niet te geloven hoe milieuonvriendelijk ze ook hier in het tehuis zijn,’ zegt Giel nippend van de koffie die zijn vriend snel even heeft gehaald. ‘Boter en jam in kleine plastic kuipjes, om elk plakje kaas een cellofaantje. Je zult zien dat de Noordpool straks gesmolten is.’
‘Ach joh, een stukje plastic meer of minder maakt niet uit,’ zegt Menno. Giel verbijt zich.

Wanneer zijn bezoek na een uurtje weer vertrekt, sukkelt Giel mee naar de buitendeur.
‘Tabé Giel,’ zegt Menno op de drempel. ‘Volgende keer zie ik je bij je thuis.’ Hij klopt Giel op zijn niet-gewonde schouder. ‘Maak je niet druk,’ zegt hij. ‘Vergeet nou dat milieu, dat doe ik ook. Je ziet het aan me: ik loop weer als een kievit.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Die werd toen een soort buddy

Op een bewolkte dag sluit Henk zijn auto af op een parkeerplaats in de duinen bij Wijk aan Zee. Naast zijn vriend Lou loopt hij een boulevard op en de eerste afslag naar het strand beneden.
‘Hoe is het met je lief Rosanne?’ vraagt Lou. ‘Met haar veeleisende baan, lange dagen, overwerk. Je vroeg je wel eens af of je daar ooit aan zou wennen. Is ze het kalmer aan gaan doen nu ze gepensioneerd is?’
Onderaan de stenen afgang trekt Henk zijn schoenen en zijn sokken uit, hij duwt ze in zijn rugtas. Met zijn tenen wroet hij in het koele zand.

‘Ze zou met alles stoppen, zei ze voor ze met pensioen ging, ik weet het nog goed. Vooral met dat gejacht. Maar toen opeens, ze werkte nog, ging het niet goed met haar nichtje.’
‘O?’
‘Die was toen nogal aan de drank. Ze woonde op de straat, haar spullen in een karretje, niet om aan te zien. Tot ze eindelijk bij de AA gegaan is, ik bespaar je de details. Rosanne ging bij een partnergroep, die werd toen een soort buddy.’
‘Heb je me dat ooit verteld?’
‘Rosanne liep er niet mee te koop, ik heb mijn mond gehouden. In elk geval had ze haar handen vol. Ze werd ook meteen lid van het bestuur, plaatselijk, regionaal, toen landelijk. Je weet wel hoe dat gaat.’ Lou haalt zijn schouders op.
‘Niet bij mij.’
‘Bij haar wel,’ zegt Henk. ‘Twee jaar geleden ging ze met pensioen, verleden jaar was haar termijn in het bestuur voorbij volgens de reglementen.’
‘Zo gaat dat overal. Ik heb eens een termijn het klaverjasbestuur gedaan, jij liever dan ik.’
‘Als ik voorzitter af ben, zei Rosanne, dan ga ik van mijn rust genieten. Dan gaan we samen leuke dingen doen, zei ze. Het werd hoog tijd, ze was toen zesenzestig.’

Met gebogen hoofden kijken de mannen naar een massa schelpen in het natte zand.
‘Krabbetjes,’ zegt Henk. ‘En hier een dode zeester, die zie je niet zo vaak.’ Over een houten vlonder lopen ze een bijna lege strandtent binnen. ‘Een broodje paling?’
Een blonde vrouw met blote bruine armen toetst hun bestelling in een apparaatje.

‘Rosanne en rustig,’ zegt Henk. ‘Na dat alcoholverhaal zouden we dan eindelijk gaan reizen, weekendjes weg, ’s ochtends uitslapen. Het is er nog maar een keer van gekomen.’
‘Die nicht?’
‘Die redt het geloof ik wel. Het is Rosanne. Amper een week voorzitter af, of haar zoon kondigde een volgend kleinkind aan. Inmiddels heeft ze er nu drie.’
‘Dat heb je me verteld, Henk. Leuk hoor.’
‘Heel leuk. De jongste is tien maanden. Rosanne past een dag in de week op alle drie en een dag op de oudsten. En soms springt ze ook bij wanneer de babysit niet kan.’
‘Over een poosje gaat de kleinste naar groep één, dan is het over.’
‘Ja, ja. Wat denk je, Lou, zal ik daar nog aan wennen?’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Drie dagen praatte hij niet met me

Pien loopt door een glazen klapdeur de grote hal in van stadsdeelkantoor Zuid. Een forse man in leigrijs pak stapt op haar af, of hij haar helpen kan.
‘Ik kom mijn paspoort afhalen.’
Hij wijst haar op een automaat waaruit ze een papiertje trekt met nummer T465. Ze zit er nog maar net mee in haar hand of ook haar vriendin Riny – in een fel oranje broek- loopt naarbinnen. Ze wisselen drie zoenen. Pien wijst naast haar op de groenleren bank, Riny gaat zitten.

Ze vraagt:
‘Hoe is het met je Roel? Nog steeds rozengeur en maneschijn of heeft het uur der waarheid al geslagen?’
‘Rozen,’ antwoordt Pien. ‘Al hadden we pas bijna even mot. Hij was vergeten dat we al een jaar verkering hadden.’
‘Mot?’
‘Zoiets vergeet je toch niet bij de eerste keer! De zesde of de achtste zou nog gaan.’
‘O ja? En jij dan?’ vraagt Riny. ‘Jij was het die vergat om ons vriendinnenfeestje af te zeggen. Hoe blij dacht je dat we waren? En wie kwam er niet op een receptie van Roels vriend? Mevrouw Pien, helemaal vergeten, je hebt het me nog zelf verteld. Arme Roel.’

Op het verlichte bord boven de balie verschijnt Piens nummer.
‘Ik zie je zo,’ zegt ze. Ook haar vriendin is aan de beurt. Even later loopt Pien met een nieuw paspoort en wat oude gêne weer naar de groene bank terug waar Riny alweer zit.
‘Wil je koffie?’ vraagt Riny.
Ze lopen het kantoor uit, de hoek om naar een restaurantje van de horecavakschool vlakbij. Een jonge jongen in een wit katoenen jasje zet kopjes voor hen neer. Ze vatten hun gesprek weer op.

‘Je hebt gelijk,’ zegt Pien. ‘Nogmaals excuses. En achteraf vond ik het ook stom dat ik zo bot deed tegen Roel. Als ik dat had gedaan tegen mijn ex, praatte die minstens drie dagen niet met me.’
‘Dat van je ex weet ik nog goed, al is het nu een eeuwigheid geleden,’ zegt Riny. ‘Die man hield gewoon niet van je, die zocht een engel zonder fouten.’
‘Roel trok zich er niets van aan dat ik kortaf tegen hem deed.’
‘Wat ben je toch een bofkont met die man,’ zegt Riny. ‘Die zoekt niet naar een ideaal. Wees jij maar zuinig op hem.’
‘Dat ben ik ook,’ zegt Pien.

‘Zo muzikaal, behulpzaam, optimistisch,’ zegt Riny. Pien fronst van opzij.
‘Optimistisch? Zo zou ik hem niet noemen,’ zegt ze. ‘Gottogot wat wentelt Roel zich graag in somberheid en kwel.’
‘Daar zou ik nou helemaal niet tegen kunnen.’
‘Mij maakt het weinig uit,’ zegt Pien. ‘Ik negeer het maar een beetje.’
‘Meen je dat nou, Pien? Dat vind ik niets voor jou.’
‘Hoezo?’
‘Nou ja niets, dat is veel gezegd. Het klinkt een beetje als een echtpaar, zo zonder voorwaarden. Hoe zal ik het zeggen, alsof je van hem houdt.’ Piens hart verwarmt, ze kijkt haar vriendin aan:
‘Zou je denken?’ vraagt ze.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Dat moet een senior doen

Al sinds een jaar is Pien nu Roels vriendin, zij werkt nog dagelijks op de bibliotheek, Roel is gepensioneerd. Elk weekend wonen ze bij elkaar en doordeweeks bellen of skypen ze vanuit hun eigen huis. Zo ook op een zonnige woensdagavond laat in mei.

‘Hoe is het liefje, leuke dag gehad?’ vraagt Pien en werpt een kushand naar het scherm.
‘Wat zal ik zeggen? Gewoon, een beetje saai. Eerst naar fitness, zoals gewoonlijk ging het daar over het weer, arm- been- en rugspierpijntjes. Ons strijkje vanmiddag ging niet door, Giel had zijn rechterhand gekneusd. Dat boek dat jij zo goed vond, van Ferante, daar kom ik trouwens niet doorheen.’
‘Hè man, wat ben je nou een treurwilg. Het is niet gauw goed bij je.’ Ze steekt haar tong tegen hem uit, soms vrolijkt dat hem op.
‘Hoe was jouw dag dan?’ vraagt hij.

‘Leuk. Ik heb met een collega na het werk in de stad nog een terrasje gepakt. Het was toen best nog zonnig, ook wel druk.’
‘Dat verbaast me niets. Wanneer ik langs de Weesperzij fiets zijn alle terrassen daar bomvol,’ zegt hij.
‘Klopt. We dachten dat er plaats zou zijn bij Hesp. Maar nee, afgeladen. Het terras van de IJsbreker: ook vol. Toen zijn we richting binnenstad gereden, er was geen plaats meer in de zon te vinden.’
‘Natuurlijk niet.’
‘Wel een aangebrand mens naast drie lege stoelen,’ vervolgt Pien. ‘Op een ervan een vest, de volgende een zonnebril, een menukaart op de derde. We wilden er gaan zitten. Je kunt toch zien dat ze bezet zijn, zei ze chagrijnig. Toen zijn we maar bij een wildvreemde aangeschoven.’
‘Wat een armoe.’
‘Er was geen ober in de buurt te zien, alleen een puber die geen bestellingen opnam. Dat moet een senior doen, zei ze. Het duurde eeuwen voor ze onze koffie bracht, die was ze eerst nog wezen plukken in Colombia leek het. Ik dacht, ik reken meteen af, maar dat mag zo’n meisje ook al niet.’

‘Waarom ga je daar dan heen?’
‘Waarom? Ik doe graag iets leuks met collega’s en vriendinnen.’
‘Zoals?’
‘Zoals een terrasje in de zon.’
‘En dan verwacht je dat het leuk zal zijn?’
‘Hè Roel, je kan toch streven naar een leuke dag?’
‘Ik reken nergens op, dan valt het ook niet tegen.’
‘Je bent gewoon een pessimist, ‘ zegt Pien. ‘Verwacht je er soms ook niets van als je morgen met me uitgaat?’
‘Dat hoor je me niet zeggen, lief.’

Op vrijdagavond loopt Pien na hun gezamenlijk dinertje in de stad met hem zijn huis binnen.
‘Dat eten was erg lekker,’ zegt ze.
‘Ja, heerlijk,’ zegt hij. “Een heilbotje op zijn tijd doet een mens deugd. En die vrouw met wie ik was dat is zo’n lieverd en zo’n geestig mens, mijn hele dag was meteen goed.”

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ik dook onder de vensterbank

Eenmaal weduwnaar ontvluchtte Maries vader dagelijks zijn lege huis. Tijdens zijn zwerftochten belde hij altijd bij zijn kinderen aan die in de buurt woonden. Marie weet nog goed dat hij elke keer van haar verwachtte dat ze hem onmiddellijk warm onthaalde.
‘Alsof ik niets te doen had. Op het laatst dook ik onder de vensterbank als ik hem aan zag komen,’ zegt Marie tegen haar zus. ‘Houd me tegen als ik later ook zo ga doen als hij.’

Marie verliest haar man wanneer ze vijftig is. Het jaar erna gaat haar oudste dochter in Groningen studeren. Marie belt bijna dagelijks voor een praatje. Na een poos zegt dochterlief:
‘Heel even mam, ik heb het druk.’ Na een paar minuten hangt ze op.
‘Vergeleken met papa was ik heel discreet,’ zegt Marie tegen haar zus. Die zegt:
‘Dat denk je maar. Houd toch eens op met dat gebel.’

Twee jaar later gaat ook dochter nummer twee ver weg studeren. Marie belt haar zo’n beetje om de dag. Na enkele weken zegt haar tweede:
‘Ik heb je pas gesproken mam, ik houd het kort.’
‘Mijn dochters kunnen me als kiespijn missen,’ zegt Marie, haar ogen prikken.
‘Je hangt teveel aan ze,’ zegt Maries zus. ‘Herinner je het nog van pa?’

Wanneer als laatste haar zoon Frits een eigen woning vindt, in Amsterdam, belt Marie wekelijks bij hem aan. Na een keer of vier staat hij haar in zijn halletje te woord, zijn hand aan de buitendeur, rapmuziek en stemmen op de achtergrond.
‘Het komt me niet goed uit, mam,’ zegt hij. ‘Misschien een andere keer.’ De week erna komt haar bezoek hem evenmin gelegen. Wanneer ze opbelt klinkt zijn stem afgemeten.
‘Hij houdt niet meer van me,’ zegt Marie verstikt tegen haar zus.
‘Je lijkt je vader wel,’ zegt die. ‘Zorg jij nou maar voor eigen bezigheden.’
‘Moet ik mijn kinderen soms in de steek laten?’

Kunnen filmbezoek, een club of hobby misschien soelaas bieden? Marie denkt van niet. Toch gaat ze op een middag maar eens naar de bioscoop, in haar dooie eentje. Wanneer ze het vertelt aan een maatje van haar buurtgym zegt die:
‘Ik zou best graag een keertje met je meegaan.’
Na afloop van hun gezamenlijk bezoek spreken ze meteen af voor de week erna. Ook belt Marie weer eens met een vriendin.
‘Leuk om je stem te horen,’ zegt die. ‘Toevallig ben ik van plan morgen langs de Amstel te gaan fietsen, ga jij misschien ook?’
Na afloop vinden beiden zoiets voor herhaling vatbaar. Een andere kennis port Marie voor cabaret, de week erna voor een vioolconcert.

Van haar kinderen leest Marie whatsappjes: Hoe gaat het? Geniet je van de zon op je balkon? Volgende week drie tentamens.
Haar zoon Frits: Kom je aanstaande zaterdag bij me eten? Dan zie je mijn vriendin ook eens.
Jammer, appt Marie terug. Ik heb het druk. Over een week of twee misschien?

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Die vrouw huurt hij meteen maar in

Op een vroege zondagmiddag rijdt Arnoud over de Churchilllaan naar een verjaardag. Rechts voor hem rijdt een blonde jonge vrouw in roze mantel. Net wil hij inhalen of ze wijkt pal voor hem naar links, de rijbaan op. Arnoud remt krachtig.
‘Wat ben je aan het doen?’ roept hij van achter haar.
Ze zegt iets wat hij niet verstaat. Snel gaat hij naast haar rijden.
‘Je kunt beter je hand uitsteken,’ zegt hij.
‘Wat zegt u?’ Uit beide oren trekt de vrouw een wit dopje met een draad eraan.
‘Je hand uitsteken.’
‘Waarom zou ik? Ik kon gemakkelijk voor je langs.’
‘Wat let je om sorry te zeggen?’ vraagt Arnoud.
‘Wat maakt je je nou druk man?’

Met opeengeklemde kaken zwenkt Arnoud de Bernard Zweerskade op, de jonge vrouw rijdt rechtdoor.
Op de verjaardag waar hij spoedig arriveert, vertelt hij van het incident. Elke Amsterdamse fietser daar kent dat soort voorvallen uit eigen ervaring. De ene wegpiraat waarmee men een aanvaring kreeg stak een middelvinger op, anderen riepen ‘seniele bejaarde, hoer’ of ‘ouwe lul,’ vertelt men Arnoud.

Dat hij zijn laatste twintig jaar –veel langer zal het niet van fietsen komen- voor botteriken wijken moet, vindt Arnoud onverdraaglijk. Kan hij geen passend weerwoord vinden?
Hij gaat op internet op zoek naar een geschikte mediator.
‘Kunt u me leren met onbehouwen weggebruikers om te gaan?’ vraagt hij deze en gene. De meesten vinden het een raar verzoek, maar een vrouw zegt:
‘Als u dat per se wil, zal ik u helpen. Ik reken een vast uurtarief.’ Die huurt hij dan meteen maar in. Wanneer hij voor het eerst op haar kantoor komt, vertelt Arnoud over zijn ritje op de Churchilllaan.

‘Het was zo’n hockeytutje of een roeidel,’ zegt hij.
‘Dat oordelen raad ik je af,’ zegt zijn private coach. ‘Dat ruikt men op een kilometer afstand. Maak duidelijk wat je wil en gebruik ik-boodschappen.’ Arnoud noteert het in zijn gloednieuwe notitieboekje.
‘Let op je ademhaling, beheers je stem, glimlach, blijf dichtbij. En ook: vooral niet roepen.’
Wanneer hij dat heeft toegevoegd, zegt ze:
‘Nu stellen we wat zinnen op die je paraat houdt als repliek.’
Twee keer oefent Arnoud bij zijn begeleider op kantoor, de keer erop live op de weg. Ze spelen enkele gevallen na waarin de een de ander bijna aanrijdt, hij houdt zich aan haar regels.
‘Dat doe je goed,’ zegt zijn coach na afloop. ‘Probeer het nu maar eens alleen. Als het niet gaat, kun je me altijd bellen.’

Met rechte rug rijdt Arnoud naar zijn huis. Dan zwenkt een fietser rechts van hem op de Van Baerlestraat linksaf, pal voor hem langs, zonder zijn richting aan te geven. Arnoud raakt hem bijna met zijn voorwiel.
‘Hand uitsteken alstublieft,’ zegt hij ferm, maar rustig. Direct gevolgd door: ‘Ik …’
Over zijn schouder kijkt de jongeman naar Arnoud achterom, en zegt:
‘Oeps, sorry!’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen