Een hartig woordje spreken

Ze gaan een weekend weg naar Nijmegen-daar in de buurt althans- met Rosa en Magiel. Diner in een hotel en overnachting met ontbijt. Daarna een dagje met z’n vieren fietsen. Feestelijk zou je zeggen, toch zit het Roel niet lekker. Weggaan ontregelt hem, waardoor hij om het minste kribbig wordt.


Hij kijkt het huis eens rond, niets vergeten? Zijn oog valt op dotten stof, achter een deur en langs een plint. Hij zegt:
‘Jij zou toch zuigen voor vertrek, Pien?’
‘Maar lief, ik ben toch zeker in mijn eigen huis. Het komt wel,’ zegt ze. ‘Later.’
Zijn voorhoofd rimpelt. Wat krijgen we nou, mijn eigen huis? Toch zeker dat van ons? Hij gromt inwendig, denkt: daar moeten we een hartig woordje over spreken. Het komt er niet van, want ze moeten weg.

Op huurfietsen rijden ze zeven heuvels op en af, er lijkt geen einde aan te komen. Nu loopt hun fietspad naast een autoweg. Geel en rood blad dwarrelt van bomen aan weerskanten. Bekaf zwoegt Roel naast Pien een nieuwe helling op, speurend naar aanwijzingen voor hun route op stickers en bordjes aan palen langs de weg met nummers en pijlen. Zij tweeën in de voorhoede, Magiel en Rosa een eindje achter hen.
‘Dat daar wijst toch naar links?’ vraagt Pien wijzend naar een sticker. ‘Of bedoelen ze die bocht hier?’
‘Dan moet er aan de overkant op die lantarenpaal een nummer staan.’

Uitgerekend daar hebben twee mannen zich breeduit opgesteld, pal voor de aanwijzingen waar Roel en Pien naar zoeken. Braaf posteren ze zich achter de wielrenners. De konten van de fietsers steken geprononceerd naar achteren dankzij de dikke gellaag in hun broek.
‘Er valt tenminste te genieten,’ sist Pien in Roel z’n oor. Hij lacht, maar niet te scheutig, Pien zou eens kunnen denken dat hij het zich niet aantrekt wat ze vanochtend heeft gezegd. De mannen stappen op, alsof ze niet van zins zijn zich voor lustobject te lenen.
Hun vriend Magiel komt aangefietst, Roel zwaait en wijst.
‘Hierin.’ Ten teken dat de laan waarin hij met Pien staat de juiste route is.
Oké!’ Zijn vriend zwaait terug en rijdt stug door.
‘Hoe zit dat nou?’ vraagt Roel. ‘Fietst hij alleen?’
‘Aan het ontbijt zaten die twee weer eens te kibbelen,’ zegt Pien.
‘Dan moet het nu toch over zijn?’ vraagt Roel. ‘Het is zowat twee uur.’
Pien haalt haar schouders op.

Een paar minuten later volgt Rosa, Magiels vrouw.
‘Daarheen,’ wijst Pien. Rosa stapt af, er moet geluncht, zegt ze, maar geen terras of restaurant is open onderweg. Vanwege de corona. Terug naar het hotel dan maar besluiten ze eendrachtig. Rosa appt Magiel, ze stappen op.
Ook bij de lunch vangt Rosa haar man vliegen af en Magiel geeft haar lik op stuk.
‘Wat een gedoe,’ zegt Roel, terug op hun kamer. ‘In míjn huwelijk hoef ik dat gekibbel niet.’
‘Wablief?’ zegt Pien. ‘Óns huwelijk toch zeker?’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Dat compliceert de zaak

Wanneer hij thuiskomt, ligt Pien op één oor. Roel drentelt door de kamers, schenkt zich een bodem melk in, die hij in de magnetron verwarmt. Hij kruipt in bed en streelt de warme rug van Pien, drukt een kusje in haar nek en draait zich op zijn andere zij. Na een hele avond praten valt inslapen hem zwaar. Vooral Gerards gedoe met een andere vrouw, ene Marina, kan Roel niet verkroppen. Onder zijn dekbed draait hij zich om en om, voorzichtig om Pien niet te storen in haar slaap. Ze slaapt zo lekker vredig.

Wanneer hij naast zich op zijn wekker in rood 05:20 ziet staan, beseft hij dat hij ingeslapen is. Hij schuift zijn dekbed opzij, loopt naar de wc en stelt zich voor hoe Pien aan het ontbijt naar Gerard en zijn Conny vraagt. Wat moet ik zeggen? Misschien zoiets als: Ik zag iets aan hem, meteen toen hij ons restaurant inliep, zoiets als bronstigheid. Ik dacht dat het vanwege Conny was, dat ze nog straalverliefd waren die twee. Wat is dat toch een sexy stel, dacht ik. Naïef natuurlijk, maar jij had dat ook gedacht. Het duurde lang voor tot me doordrong dat het om iemand anders ging. Ene Marina. Dat mens hemelt hem op en vleit hem en hij tuint er met blinde ogen in. Ik had gehoopt dat hij eroverheen was, maar hij is nog steeds zo licht ontvlambaar.
Dan beseft Roel dat zo’n onderwerp bij Pien uiterst gevoelig ligt. Haar ex bedroog haar vroeger bij het leven. Wanneer ik het vertel, zal Pien vast willen horen of Conny ervan weet.
Dat Gerard denkt dat het Conny niet aangaat, compliceert de zaak. Pien zal zich erover opwinden, zo lief is ze, altijd met anderen begaan. Ze is in staat hem op te bellen, te vragen of hij beseft wat hij Conny aandoet. Of ze belt Conny zelf op. Maar zo goed kennen we hen eigenlijk niet. Dat blijkt maar weer eens, van Gerard had ik het toch niet verwacht. Eén ding is zeker als ze zoiets doet, mijn vriendschap met Gerard kan ik dan vergeten.

Ook ’s ochtends om tien uur voelt Roels kop nog van hout. Hij sjort zijn grijze kamerjas met zijn ceintuur vast, hij plast, kijkt in de spiegel naar zijn stoppelige grauwe bakkes. In de kamer zit Pien aan tafel met een kopje koffie het ochtendblad te lezen. Ze draait zich naar hem toe, hij kust haar mond, schuift tegenover haar aan tafel.
‘Zal ik mijn baard eens laten staan?’ vraagt hij. ‘Gerard had er een, die stond hem goed.’
‘O ja?’ zegt Pien. ‘Hoe is het met hem en Conny?’
Eerst maar een slok koffie, Roel veegt zijn lippen af, bepotelt zijn gekookte ei.
‘Ja goed,’ zegt hij. ‘Je moet de groeten hebben.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Krassen over een houten vloer

Roel zou het geen ‘verliefdheid’ willen noemen wat zijn vriend bezielt. Maar wat weet hij ervan? Enkel wat Gerard hem vertelt. Dat hij Marina’s boekhouding doet, dat ze tijdens de lockdown zijn klant geworden is, dat dat hem toen goed uitkwam. En dat ze af en toe een kaartje over heeft voor een concert of bioscoopbezoek en hem dan vraagt ‘wil jij soms mee?’ Of voorstelt om de zaken door te nemen in haar tuin.

Alles wat in hun telefoongesprekken en passant ter sprake komt hemelt ze op. Zijn grapjes, wat hij van corona weet en over Trump te zeggen heeft bijvoorbeeld. In zijn hart vindt Roel het rijkelijk overdreven, maar Gerard duidelijk niet.
‘Ik ben kansloos,’ zegt zijn vriend. ‘Als ik bij haar thuis kom, geef ik zeker toe. Morgen.’
‘Je gaat er morgen toch niet heen hè?’
‘Dat ben ik wel van plan.’ Dat wil Gerard juist met Roel bespreken.
Roel krijgt de indruk dat hij zijn fiat moet geven. Met mijn zegen knaagt zijn geweten minder, lijkt het. Daar leen ik me niet voor, denkt Roel.
‘Niet doen,’ zegt hij. ‘Gebruik toch je verstand, man.’
‘Mijn gevoelens kan ik zomaar niet negeren,’ zegt Gerard.
‘Weet Conny van je aanbidster?’ Conny bij wie hij dacht dat Gerard eindelijk rust gevonden had, stabiliteit, een veilig thuis.
‘Conny heeft er niets mee te maken,’ vindt zijn vriend.
‘Kom, kom, dat kan je toch niet menen? Riekt dat niet naar bedrog?’ Roel blijft proberen hem te overtuigen, maar Gerard doet niet voor hem onder.

Boven hun risotto en salade buigen ze naar elkaar over, hun hoofden op een meter afstand op zijn hoogst. Roel vergeet de omgeving, al vreest hij zijn vriend niet van een wisse ondergang te kunnen redden. Je bent Marina tot helemaal niets verplicht, schiet hem nog te binnen. Zal ik dat zeggen? Maar hun gesprek verglijdt naar Gerards plannen om zijn zaak te delen met een compagnon. Roel praat over een komend fietsweekend van Pien en hem met vrienden.

Vlakbij staan twee bezoekers op, stoelpoten krassen over houten vloeren. Obers lopen langs, bestek, glas en serviesgoed rinkelen. Een eindje verder trekt een stel hun jassen aan, vlakbij het voorportaal staan mensen bij een kassa.
Een bediende ruimt tafels af, een ander schikt stoelen, twee staan er met hun rug tegen een muur te kletsen, hun ogen op de nablijvers gericht. Voor nog een laatste wens. De meeste stoelen zijn nu leeg. Waarmee Gerards verliefdheid of is het zijn verslaving aan Marina, voor Roel opeens niet meer urgent is. Hij wil naar Pien toe.

‘Stappen wij ook eens op?’ vraagt hij.
‘Half twaalf al?’ zegt Gerard. ‘Mijn hemel, ik had het niet eens in de gaten.’
Buiten doen ze weer een elleboog, maken hun fietsen los.
‘Goed bijgepraat, man,’ zegt Gerard. ‘Groeten thuis.’
‘Jij ook.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Als ze onder mijn kin strijkt

Voor het eerst heeft Roel weer eens een tafel in een restaurant gereserveerd, om met Gerard bij te praten. Bij de deur vult hij een formuliertje in over gezondheid en contacten. Het is er tamelijk druk, meest tafeltjes voor twee, ruim van elkaar vandaan. Een jonge vrouw van de bediening wijst hem er een aan het raam.

Voorlangs een asfaltweg met fietsverkeer, aan de overkant een groot terras. In de kille avondlucht zitten er alleen vier jongelui te roken, hun jacks dichtgeritst. Achter hen bomen waardoorheen Roel in het duister de boten en het zwarte water bijna niet kan onderscheiden. Al weet hij zeker dat die er moeten zijn.

Roel neemt een slokje van zijn pils, zijn vriend loopt naar binnen. Gebruind, strak getrimd baardje, een kleurig geblokt shirt. Hij ademt vrolijkheid, bruist zin, lust. Toch fijn, denkt Roel, dat hij na jaren flierefluiten in Conny eindelijk zijn Liefde heeft gevonden.
Gerard neemt plaats, vraagt:
‘Hoe is het thuis? Geen corona?’
‘Nee hoor, jij? Dat baardje staat je trouwens goed.’ Gerard kijkt hem even aan. Achteraf gezien, denkt Roel, om te peilen of hij zijn volle hart meteen al bij me uit zou storten.
‘De meisjes, o de meisjes, ik heb het erg te pakken,’ zegt Gerard.
Roel kijkt zijn vriend vertederd aan. Die Gerard toch, zie hem nou eens gelukkig zijn met Conny.
‘Marina heet ze, weduwe,’ vervolgt Roels gezelschap. ‘Zo’n beetje onze leeftijd, heel aantrekkelijk, erg attent.’
Een jongeman in overhemd en jeans zet nog een pils op tafel neer, Gerard vraagt de kaart. Hij heft zijn glas.
‘Op onze liefhebbers!’ Eén slok. ‘Neem het maar van mij aan: zo’n nieuwe fan is een verademing. Nou ja, jou hoef ik dat niet te vertellen, jij hebt er een.’
Voordat Roel een weerwoord geven kan -Fan? Geliefde toch zeker- gaat Gerard verder:
‘Marina prijst me de hemel in. Niet alleen mijn lichaam hoor. Nee, mijn gevoel voor humor, mijn wijze inzicht, mijn geduld. Ha, ha, ik wist niet eens dat ik het had.’
‘Natuurlijk heb je die,’ zegt Roel. Om dat te horen heeft Gerard toch geen vreemde vrouwen nodig?

Bij een bediende in het zwart bestellen de twee vrienden kervelsoep vooraf en daarna een risotto. Roel ziet hoe buiten op het terras een jonge man een vlam houdt bij het puntje van een lange witte sigaret, zijn hand eromheen vouwt. Hij inhaleert, ademt wolkjes uit, herhaalt het met tevreden smoel, tipt as af. Opnieuw zet hij zijn saffie aan zijn mond, ook iemand naast hem steekt er eentje aan.
‘Als ze onder mijn kin strijkt, hang ik aan haar lippen,’ zegt Gerard. ‘Ik kan er geen genoeg van krijgen.’
‘Je klinkt als een verslaafde,’ zegt Roel en doopt zijn lepel in zijn soep.
‘Dat heet verliefd,’ zegt Gerard.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Dat had ze nou niet moeten zeggen

Namen onthoudt Roel allerbelabberdst, parate kennis ontglipt hem keer op keer. Beter wordt het er niet op. Laatst had hij Piens schone T-shirts bij de zijne opgeborgen, daarna een slakom bij de chips en gisteren per ongeluk een lege bierfles bij het oud papier. Goeie genade, denkt hij, word ik nu al dement? Ook vanmorgen is het raak.

‘Het is nou al de derde dag op rij,’ zegt Pien. ‘De douchecabine is kletsnat als jij gebadderd hebt. Je zou het droogtrekken, weet je nog?’
‘Sorry.’ Wat moet Roel anders zeggen?
Bij het ontbijt wijst ze hem op zijn sokken.
‘Twee verschillende.’
Dat Pien hem nogmaals uit zijn halfslaap wekt, een mug hem heeft gestoken, dat zijn darmen borrelen en buiten bovendien een brommer knalt, dat wordt Roel net te veel.
‘Hou nou eens op, Pientje,’ bast hij. ‘Je zit de hele tijd te vitten.’ Roel slikt, wat zeg ik nou?

Vanonder sluike oogleden staart zijn lief hem aan. In haar glanzend netvlies passeren vraag- en uitroeptekens de revue, bliksemschichten en een buitje.
‘Misschien dat mijn verkeerde been het eerst ons bed is uitgestapt,’ zegt ze effen. ‘Zou kunnen.’ Ze peinst wat voor zich uit. ‘Maar jij bent zo verstrooid als wat.’
Dat laatste had ze nou niet moeten zeggen, vindt Roel.

Ook Anne noemde het ‘verstrooid’. Niet als teken van aftakeling, eerder van iets wat hij onder de leden had, schiet Roel nu pas te binnen. Als ik zo afwezig was, werd ik meestal ziek. Wat nu? Ik zal toch geen corona hebben? Maar nee, zijn boterham smaakt als vanouds, hij snuift de geur van koffie op. Die komt bij Pien vandaan, die bij het aanrecht staat. Ze plukt een oude koffiepad uit het Senseoapparaat, dumpt het in het vuilnisvat naast haar en diept een nieuwe op uit een zilverkleurig busje. Smaak en reuk zijn nog intact en ik snotter niet, denkt Roel. Met die corona loopt het dus wel los. Wel knort zijn maag, borrelen zijn darmen en heeft hij buikkramp. Ik moet eens beter letten op wat er binnenin gebeurt, dan hoeft een ander niet op vage tekens af te gaan: een slakom bij de chips en glaswerk bij het oud papier. Die arme Pien, als een ware Sherlock Holmes duidt ze mijn signalen.

Koffie?’ vraagt Pien.
‘Doe maar niet, zegt Roel, ik heb iets met mijn darmen.’
‘Is dat alles? Ik was al bang dat je dement werd.’
Alles? Alsof het niets is. Nou ja, Pien dacht het ergste en hij is de rotste niet.
‘Een geluk bij een ongeluk dan maar,’ zegt Roel. ‘Het is misschien het zeefruit van de afgelopen week.’
‘Maar Roel, hè man! Dat was toch over datum? Je zou het weggooien.’
Heeft ze dat gezegd?
‘Vergeten,’ zegt hij met een sullig lachje.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Hij zou hem er graag mee plezieren

Begin dit jaar maakt Roel kennis met de nieuwe liefde van zijn zoon. Hij is gelukkig, Jos straalt en dat straalt af op Roel. Hij ziet hoe de twee elkaar aanraken en kusjes wisselen in de gang, de keuken en een hoekje van de kamer. In het gesprek aan tafel vult de een de ander aan. Zo in zijn element ziet Roel zijn jongste zoon het liefst, al snapt hij niet wat Jos in deze Richard ziet.

In februari eten ze een keer bij Pien en hem. De liefde lijkt te bloeien, wel kibbelen de jonge mannen over wat Jos gezegd zou hebben: niet, wel. Jos lacht het weg, maar Roel vindt Richard een pietlut. Wanneer ze weg zijn, zegt hij tegen Pien:
‘Die eerste van hem, Jasper, is nog steeds mijn favoriet.’
‘Jij hoeft er toch niet mee te leven,’ zegt ze.

Na maandenlang zoomen en videobellen verlangt Roel er hevig naar zijn benjamin weer live te zien. In juni durft Roel het aan, hij belt hem op.
‘In het Amstelpark misschien, naast de minigolf? Wanneer we op een doordeweekse ochtend gaan, is het daar niet zo druk.’ Onder grote crèmekleurige parasols staan rotan tafeltjes in het grind, het bovenblad plastic met houtopdruk. Grote pijlen op de tegelpaden wijzen de looproute aan. Aan het bestelluik waardoorheen de catering gebeurt -het ruikt naar koffie en frituur- hangt een prijslijst voor verpakte ijslolly’s, cupjes en ijshoorntjes. Erachter een man in een grijs sweatshirt te midden van bakken met hemelsblauwe, neon oranje en appelgroene slush. Hij zegt:
‘Als u een tafeltje uitzoekt, neemt een collega uw bestelling op.’
‘We zitten daar.’ Roel wijst naar zijn gezelschap: Pien, Jos en Richard.

Richard is niet te spreken over de koffie -waterig- en de appeltaart -zompige korst. Het tafelgesprek verloopt een beetje stroef. Richard kleineert zijn vriend en laat hem niet uitpraten. Waar Roel zich aan ergert. Achteraf zegt Pien:
‘Viel het je op dat Richard zich alleen met mij bemoeide?’
‘Wat een vertoning,’ zegt Roel. ‘Ik vind die man toch Jos zijn type niet.’
‘Als Jos nou maar gelukkig is.’ Waar Roel met heel zijn hart op hoopt.

Ook dit weekend heeft Roel zijn jongste aan de lijn.
‘Heb je nog nieuws?’ vraagt hij. Geen reactie. ‘Werk je nog vanuit huis? Bevalt dat nog een beetje?’
‘Ik zou eindelijk graag wat vaker naar kantoor gaan en daar met mijn collega’s werken,’ antwoordt Jos. ‘Ik ben helemaal uitgekeken op mijn eigen interieur.’ Ze praten over Jos zijn broer in Canada -Roels oudste zoon-, over corona daar en hier. Er valt een stilte.
‘En Richard? Hebben jullie het nog goed samen?’ Mijn hemel, waarom vraag ik dat, denkt Roel meteen. Als het zo was, had Jos het uit zichzelf verteld. Hij zou me er graag mee plezieren, weet Roel uit ervaring.
‘Nee,’ antwoordt Jos op sombere toon. ‘We zijn weer uit elkaar.’
Mooi zo, denkt Roel, die man was niets voor hem. Toch wordt hij er niet blij van.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ze kan niets speciaals bedenken

Pien hoort Roel van zijn wandeling thuiskomen. Hij loopt de kamer in, meteen omhelst hij haar.
‘Blij dat ik jou tenminste vast mag houden,’ zegt hij. ‘Buiten is alles zo afstandelijk.’
‘Wat heb je daar?’ Haar oog valt op zijn rode kuiten.
‘Van de brandnetels.’ Vanuit de badcel roept hij: ‘Hebben we niets tegen jeuk? Ik zie alleen maar klovencrème, brandzalf, betadine, niets tegen netelbrand.’
‘Boven in het toiletkastje misschien?’ vraagt Pien. Tussen de anti-eczeem, de trek- en zinkzalf staat haar vaaglijk bij. ‘Een wit met blauwe tube.’En inderdaad.

‘Voel je ervoor om in een hotel te gaan logeren in Berg en Dal, volgende maand?’ vraagt Roel tijdens de spaghetti bolognese met vegetarisch nepgehakt. ‘Magiel vroeg het, Rosa en hij logeren er dat weekend ook. We kunnen daar wandelen of fietsen en gezellig samen eten.’
Pien is ervoor te porren, oudejaarsavond en visites met die twee waren ontspannen en nog lollig ook. Ze mag het echtpaar wel.
Roel vertelt over de wandeling met Magiel langs de Ankeveense plassen waar hij net van terug is. De lelies in het zwarte water, de drukte op het Bergse Pad. ‘Magiel klaagde dat Rosa in gezelschap altijd zoveel praat,’ zegt hij.
‘Volgens mij kan hij zelf ook aardig kletsen.’
‘Zeg dat wel.’
‘Had hij nog meer op zijn lever?’ vraagt Pien.
‘Nou nee, gewoon, ons strijkje, het uitzicht, de route.’ Roel pakt haar hand. ‘En wat je op een wandeling zoal bespreekt, dat hang ik jou niet aan je neus.’

Net zomin als zij Roel alles vertelt wat er ter sprake komt met haar vriendinnen. Dat heeft ze van haar ex geërfd. Die meer dan eens wat Pien hem in vertrouwen had verteld lukraak rondbazuinde. Zo had hij Piens vriendinnen een aantal keer voor schut gezet. Magiel vertrouwt er blijkbaar op dat wat hij over Rosa zegt bij Roel en mij in goede handen is, peinst Pien. Zoiets als mij gebeurde met mijn ex kent hij misschien niet eens. Pien vraagt zich af: Zou Roel ook dingen zeggen over mij? Ze graaft in haar herinnering naar ergernissen en discussies. Maar in de gauwigheid kan ze niet iets speciaals bedenken.

’s Avonds leidt Bridget Jones, een romantische komedie op tv die ze al vaker heeft gezien, Pien van haar muizenissen af. Rozig tegen haar aan op de bank kijkt Roel met haar mee.
‘Hij blijft leuk,’ zegt Pien na afloop.
‘Mmm,’ bromt Roel, terwijl hij in de douchecel zijn tanden staat te poetsen.
In bed een laatste kus, lodderig kijkt hij haar aan, één ooglid zakt al. Pien vraagt:
‘Zeg jij ook dingen over mij? Zoals Magiel doet over Rosa?’
‘Huh?’ Roel spert zijn oog eventjes open. ‘Alleen maar goede dingen,’ mompelt hij.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Brandnetels prikken in zijn kuiten

Met ferme passen loopt Roel naast zijn wandelmaat Magiel. Beiden op sportschoenen en met een rugtas. Roel heeft zijn wandelbroek tot een short afgeritst, zijn maatje draagt de pijpen lang en in zijn sokken. Intussen geeft Magiel zijn mening over de muziek van hun kwartet, dat van hemzelf en Roel met nog twee strijkers. Naadloos stapt hij over op zijn komende pensioen. Terwijl de wandelmaten het smalle Bergse Pad inslaan, vertelt Magiel dat de verkering van zijn dochter toch weer uit is.

‘O ja?’ vraagt Roel, terwijl de mededeling links zijn oor in kabbelt. Hij wendt zijn hoofd naar rechts om door een opening te kijken in het struikgewas dat strak het pad omzoomt. Erachter ligt een meertje bezaaid met witte lelies, het oppervlak is spiegelglad.
Intussen is Magiels relaas bij Rosa aangeland, de kern van zijn bestaan. Roel kent het stel al vijfendertig jaar. Nog van de crèche waar zijn zoons en hun kroost op zaten. Bij Magiel borrelt Rosa’s ergernis naar boven, gisteren na een diner bij vrienden.
‘Thuis viel ze tegen me uit omdat ik haar zou hebben afgekat.’
‘Zo?’
‘Als we bij mensen op visite zijn of bij hen eten, is Rosa steeds maar aan het woord,’ zegt Roels wandelmaat. ‘In elk nieuw gezelschap vertelt ze dezelfde anekdotes. Voor anderen misschien nieuw, maar ondertussen hoor ik alsmaar eendere verhalen.’ Hij beklaagt zich er vaak over, hoewel Roel zelf Rosa bepaald geen grote prater vindt.

Het ene na het andere groepje wielrijders – alweer veel lange mouwen – belt beide wandelaars beleefd doch dringend naar de kant, de struiken in. Het lijkt, denkt Roel, alsof het hele Gooi op dit uur van de dag de Ankeveense plassen door moet fietsen. Uitgerekend via het pad waarop hij aan het wandelen is. Al pratend stapt Magiel opzij om hen door te laten, Roel stapt snel mee naar achteren. Eén fietser heft zijn hand, ‘bedankt,’ en Roel groet terug. Brandnetels prikken in zijn blote kuiten.

‘Ik perkte haar hooguit een beetje in,’ vervolgt Magiel over zijn spraakzame gade.
Mijn Anne zaliger was in gezelschap soms ook scheutig met verhalen, staat Roel nog levendig voor ogen. Dat luwde als visite of diner wat langer duurden. Net als Magiels spraakwaterval straks minder overvloedig worden zal, weet Roel uit ervaring. Hijzelf gebruikt een foefje om er relaxed mee om te gaan. Moet ik dat Magiel uitleggen? Zoiets als: Je hoeft toch niet alles aan te horen, het kan ook met één oor, je vraagt eens ‘ja?’ of ‘zo?’, je zegt eens ‘ach.’ En voor de rest verdiep je je in wat er om je heen gebeurt, voorbijgangers, natuur. Maar Roel heeft er geen zin in.
‘Ach,’ zegt hij.
Met verve dist Magiel nog wat verhalen op.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Keulen en Aken

Roel vraagt maar niet wat Pien haar dirigent vertelt. Zoiets als dat haar huwelijk hecht is en voor eeuwig, hoopt hij. In niet mis te verstane bewoording, vermoedt hij. In elk geval droogt Falco’s stroom berichten op.
‘Zie je wel,’ kan Roel niet nalaten te zeggen.
‘Toeval,’ beweert Pien.
‘Misschien had je ongemerkt verwachtingen gewekt en heeft Falco zich eraan vastgeklampt,’ zegt Roel.
‘Zou je denken?’ vraagt Pien.
Snijden zijn gedachten hout? Ziet hij spoken? Voordat Pien dat verwijten kan, zegt hij:
‘Zoiets is mij vroeger ook eens overkomen.’

Meteen heeft Roel al spijt. Voor nu is die historie veel te ingewikkeld.
Helaas wil Pien meteen het fijne ervan weten.
Een tipje van de sluier dan:
‘Een vijftien jaar geleden, Anne was nog kerngezond. De vrouw om wie het ging was een fluitist in mijn orkest. We praatten met elkaar tijdens de repetities en erna, er volgden mails en telefoontjes – aan appjes deden we nog niet.’
Wat hij vertelt moet klinken als een onbevangen vriendschap, net als hij er toentertijd -aanvankelijk althans- met Anne over sprak. De rest zal hij Pien later wel vertellen, neemt Roel zich voor. Dat hij zich eerst vooral gevleid voelde, gecharmeerd, en toen verliefd werd. Dat hij dacht: we merken wel wat er gebeurt, ik ben er zelf toch bij. Maar dat intussen zijn gevoelens alsmaar sterker werden. Hun zogenaamde vriendschap ging steeds een stapje verder: intiemere ontboezemingen, terloops aanraken, elkaar tegenkomen in de buurt, zogenaamd toevallig. Wat verwachtte hij, waar klampte hij zich toen aan vast?

‘Wat vond Anne ervan?’ vraagt Pien.
‘Ze was er niet blij mee,’ antwoordt hij. Zacht uitgedrukt. Ze merkte het meteen toen hij verliefd werd, wilde dat hij een punt achter zijn ‘vriendschap’ zette. Hij vond het overtrokken, verweet Anne achterdocht, kleingeestigheid. Wat tot spanning leidde in hun huwelijk. Zelfs nu slaat soms het schaamrood hem nog uit. ‘Ik balanceerde op het randje van verliefdheid.’ Daar laat Roel het maar bij.

‘Zover zou ik het nooit laten komen.’ Pien bezweert het hem. ‘Never, nooit. Ik houd alleen van jou.’
Roel drukt zijn vrouw tegen zich aan.
‘Dat weet ik toch.’ Zie je wel, denkt hij, een huwelijk –de liefde- geeft zekerheid.
‘Wel vleiend trouwens op mijn leeftijd,’ zegt Pien later grijnzend, op Falco doelend.
Vleiend, weet Roel nu. Daar had ik het bij moeten laten. Schaapachtig lacht hij terug.

‘Stel dat ík het toen geweest was,’ zegt Pien. ‘In plaats van die fluitiste.’
‘Stel dat Keulen en Aken op één dag waren gebouwd,’ zegt Roel, alweer op zijn gemak.
Pien zet de televisie aan, gaat op de blauwe bank ertegenover zitten en klopt op de lege plaats naast zich.
‘Het achtuurjournaal begint,’ zegt ze. ‘Kom je kijken?’

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

Roeleboeltje

Getrouwd-zijn voelt nu zo gewoon alsof het altijd al zo was. In die zin heeft Pien wel gelijk: het maakt niet uit of je je boterbriefje hebt of niet. Maar voor de rest is Roel een andere mening toegedaan. Getrouwd geeft zekerheid, vindt hij, op alle fronten, financiën en huisvesting nog als minste. Alleen, sinds kort zit hem iets dwars.

De afgelopen maanden ontvangt Pien voortdurend mails, apps en telefoontjes van ene Falco. Die de nieuwe dirigent is van haar koor. Hij maakt haar deelgenoot van ieder wissewasje dat niets met koor of met muziek te maken heeft. Waar Pien op reageert. Ze vertelt er wel eens over, laat Roel soms filmpjes zien die Falco stuurt.

Eerst vond Roel het grappig, soms interessant, soms was hij met de man begaan. Maar langzaamaan wordt het teveel. Roel krijgt de indruk dat de dirigent meer met Pien wil dan dat hem lief is. De berichtenwisseling – bijna dagelijks- zint Roel niet. Ook al is Pien er volgens Roel, de vrouw niet naar iets met die Falco te beginnen. Wanneer ze diens zoveelste app becommentarieert, zegt Roel:
‘Die man houdt vol.’ Stille hint.
‘Ach,’ zegt Pien. ‘Koor op een laag pitje, pas gescheiden, nieuwe relatie, daar is hij nu eenmaal vol van.’
Bang om haar voor het hoofd te stoten, zegt Roel maar niets.

Een nieuwe werkdag, Roel staat klaar om naar zijn school te fietsen. Pien zegt:
‘Falco vroeg of ik een terrasje met hem wilde doen, tegen vijven. Dus ik kom wat later thuis.’
‘Zal ik vast koken?’
Rozig van wijn, buitenlucht en van haar onderonsje met die Falco, komt Pien tegen half acht thuis. Ogen opgemaakt –vervaagde lippenstift- en in een fleurig zomerjurkje. Ver boven de knieën die Roel graag ziet. Ze valt Roel om de hals.

‘Je kan wel met hem lachen, zeg.’
‘Ja, was het leuk?’ perst Roel eruit. Een oud spookbeeld dringt zich aan hem op. Hij wuift het weg: er is niets aan de hand, Falco heeft een relatie, Pien is om mee te kletsen. Maar zijn onvoorwaardelijk vertrouwen valt Roel zwaar. Pien port zijn vuurtje nog wat op.
‘Die vriendin van Falco, weet je wel?’ vraagt ze. ‘Die is toch niet zo serieus als het eerst leek,’ vertelt ze liggend op de bank, terwijl Roel pannen op de tafel zet. ‘Nogal los-vast.’
‘Hoezo?’
‘Hij praat wel aardig over haar, maar evengoed is hij heel flirterig.’
Roel was er bang voor.
‘Met jou?’
‘Ach.’ Pien tuit zuinig haar lippen.

‘Heb je gezegd dat het met mij niks niet los-vast is? Maar vast-vast?’ vraagt Roel.
‘Hè Roeleboeltje, doe nou niet moeilijk,’ zegt Pien. ‘Natuurlijk weet ie dat. Zo niet, dan peper ik het hem nog eens in.’
‘Doe jij dat maar,’ zegt Roeleboeltje.

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties