Ik dook onder de vensterbank

Eenmaal weduwnaar ontvluchtte Maries vader dagelijks zijn lege huis. Tijdens zijn zwerftochten belde hij altijd bij zijn kinderen aan die in de buurt woonden. Marie weet nog goed dat hij elke keer van haar verwachtte dat ze hem onmiddellijk warm onthaalde.
‘Alsof ik niets te doen had. Op het laatst dook ik onder de vensterbank als ik hem aan zag komen,’ zegt Marie tegen haar zus. ‘Houd me tegen als ik later ook zo ga doen als hij.’

Marie verliest haar man wanneer ze vijftig is. Het jaar erna gaat haar oudste dochter in Groningen studeren. Marie belt bijna dagelijks voor een praatje. Na een poos zegt dochterlief:
‘Heel even mam, ik heb het druk.’ Na een paar minuten hangt ze op.
‘Vergeleken met papa was ik heel discreet,’ zegt Marie tegen haar zus. Die zegt:
‘Dat denk je maar. Houd toch eens op met dat gebel.’

Twee jaar later gaat ook dochter nummer twee ver weg studeren. Marie belt haar zo’n beetje om de dag. Na enkele weken zegt haar tweede:
‘Ik heb je pas gesproken mam, ik houd het kort.’
‘Mijn dochters kunnen me als kiespijn missen,’ zegt Marie, haar ogen prikken.
‘Je hangt teveel aan ze,’ zegt Maries zus. ‘Herinner je het nog van pa?’

Wanneer als laatste haar zoon Frits een eigen woning vindt, in Amsterdam, belt Marie wekelijks bij hem aan. Na een keer of vier staat hij haar in zijn halletje te woord, zijn hand aan de buitendeur, rapmuziek en stemmen op de achtergrond.
‘Het komt me niet goed uit, mam,’ zegt hij. ‘Misschien een andere keer.’ De week erna komt haar bezoek hem evenmin gelegen. Wanneer ze opbelt klinkt zijn stem afgemeten.
‘Hij houdt niet meer van me,’ zegt Marie verstikt tegen haar zus.
‘Je lijkt je vader wel,’ zegt die. ‘Zorg jij nou maar voor eigen bezigheden.’
‘Moet ik mijn kinderen soms in de steek laten?’

Kunnen filmbezoek, een club of hobby misschien soelaas bieden? Marie denkt van niet. Toch gaat ze op een middag maar eens naar de bioscoop, in haar dooie eentje. Wanneer ze het vertelt aan een maatje van haar buurtgym zegt die:
‘Ik zou best graag een keertje met je meegaan.’
Na afloop van hun gezamenlijk bezoek spreken ze meteen af voor de week erna. Ook belt Marie weer eens met een vriendin.
‘Leuk om je stem te horen,’ zegt die. ‘Toevallig ben ik van plan morgen langs de Amstel te gaan fietsen, ga jij misschien ook?’
Na afloop vinden beiden zoiets voor herhaling vatbaar. Een andere kennis port Marie voor cabaret, de week erna voor een vioolconcert.

Van haar kinderen leest Marie whatsappjes: Hoe gaat het? Geniet je van de zon op je balkon? Volgende week drie tentamens.
Haar zoon Frits: Kom je aanstaande zaterdag bij me eten? Dan zie je mijn vriendin ook eens.
Jammer, appt Marie terug. Ik heb het druk. Over een week of twee misschien?

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Die vrouw huurt hij meteen maar in

Op een vroege zondagmiddag rijdt Arnoud over de Churchilllaan naar een verjaardag. Rechts voor hem rijdt een blonde jonge vrouw in roze mantel. Net wil hij inhalen of ze wijkt pal voor hem naar links, de rijbaan op. Arnoud remt krachtig.
‘Wat ben je aan het doen?’ roept hij van achter haar.
Ze zegt iets wat hij niet verstaat. Snel gaat hij naast haar rijden.
‘Je kunt beter je hand uitsteken,’ zegt hij.
‘Wat zegt u?’ Uit beide oren trekt de vrouw een wit dopje met een draad eraan.
‘Je hand uitsteken.’
‘Waarom zou ik? Ik kon gemakkelijk voor je langs.’
‘Wat let je om sorry te zeggen?’ vraagt Arnoud.
‘Wat maakt je je nou druk man?’

Met opeengeklemde kaken zwenkt Arnoud de Bernard Zweerskade op, de jonge vrouw rijdt rechtdoor.
Op de verjaardag waar hij spoedig arriveert, vertelt hij van het incident. Elke Amsterdamse fietser daar kent dat soort voorvallen uit eigen ervaring. De ene wegpiraat waarmee men een aanvaring kreeg stak een middelvinger op, anderen riepen ‘seniele bejaarde, hoer’ of ‘ouwe lul,’ vertelt men Arnoud.

Dat hij zijn laatste twintig jaar –veel langer zal het niet van fietsen komen- voor botteriken wijken moet, vindt Arnoud onverdraaglijk. Kan hij geen passend weerwoord vinden?
Hij gaat op internet op zoek naar een geschikte mediator.
‘Kunt u me leren met onbehouwen weggebruikers om te gaan?’ vraagt hij deze en gene. De meesten vinden het een raar verzoek, maar een vrouw zegt:
‘Als u dat per se wil, zal ik u helpen. Ik reken een vast uurtarief.’ Die huurt hij dan meteen maar in. Wanneer hij voor het eerst op haar kantoor komt, vertelt Arnoud over zijn ritje op de Churchilllaan.

‘Het was zo’n hockeytutje of een roeidel,’ zegt hij.
‘Dat oordelen raad ik je af,’ zegt zijn private coach. ‘Dat ruikt men op een kilometer afstand. Maak duidelijk wat je wil en gebruik ik-boodschappen.’ Arnoud noteert het in zijn gloednieuwe notitieboekje.
‘Let op je ademhaling, beheers je stem, glimlach, blijf dichtbij. En ook: vooral niet roepen.’
Wanneer hij dat heeft toegevoegd, zegt ze:
‘Nu stellen we wat zinnen op die je paraat houdt als repliek.’
Twee keer oefent Arnoud bij zijn begeleider op kantoor, de keer erop live op de weg. Ze spelen enkele gevallen na waarin de een de ander bijna aanrijdt, hij houdt zich aan haar regels.
‘Dat doe je goed,’ zegt zijn coach na afloop. ‘Probeer het nu maar eens alleen. Als het niet gaat, kun je me altijd bellen.’

Met rechte rug rijdt Arnoud naar zijn huis. Dan zwenkt een fietser rechts van hem op de Van Baerlestraat linksaf, pal voor hem langs, zonder zijn richting aan te geven. Arnoud raakt hem bijna met zijn voorwiel.
‘Hand uitsteken alstublieft,’ zegt hij ferm, maar rustig. Direct gevolgd door: ‘Ik …’
Over zijn schouder kijkt de jongeman naar Arnoud achterom, en zegt:
‘Oeps, sorry!’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

TV-scherm met een haardvuur

Sinds vier jaar is Adri met pensioen. Vanavond zit hij in een eetcafé met zijn voormalige collega Jan – een enkel rimpeltje, volle haardos. Hun stemmen weergalmen tegen hout, stucwerk en formica.
‘Waar breng jij tegenwoordig je dagen mee door?’ vraagt zijn oud-medewerker.
‘Ik schilder,’ zegt Adri.
‘Leuk,’ zegt Jan. ‘Half gepensioneerd Nederland schrijft romans, stond in de krant, de andere helft schildert.’
‘Vertel eens hoe het jou vergaat,’ zegt Adri.
‘Mijn tweede internationale paper van dit jaar is net verschenen,’ antwoordt Jan. ‘Weet je trouwens dat Gerard promoveert? We werken samen aan een nieuwe publicatie.’
‘Man, man, wat een productie. Dat zou ik niet meer kunnen.’ Adri’s maag knijpt dicht, op zijn stembanden plakt een gruizig filter. Hij zwijgt maar over de portretten, landschappen en stadsgezichten die hij tegenwoordig schildert.
‘Ons masteronderwijs gaat nu helemaal in het Engels.’
‘Ik heb zo’n beetje het vocabulaire van een achtjarige,’ zegt Adri.
‘Mij gaat het heel behoorlijk af,’ zegt Jan.

Pas om half elf fietst Adri terug naar huis met ‘uitgerangeerd, achterop,’ en ‘ouwe sukkel’ tollend door zijn hoofd. Zo zal hij niet makkelijk in slaap komen, voor schilderen is het nu te laat. Hij ziet er tegenop om naar zijn donkere huis te gaan, dat volhangt met zijn doeken. Wat zal hij doen? Vlakbij zijn huis passeert hij een congrescentrum, op de begane grond van een hotel ertegenover stralen luchters licht door een groot raam naar buiten. Er lijkt nog volop leven in de lobby daar.

Adri stapt van zijn fiets, achter de draaideur zitten mensen in fauteuils te praten en te lachen, hun tafeltjes vol glazen, flesjes, kopjes. Aan een wand rechts hangt een tv-scherm met een haardvuur dat alsmaar doorbrandt. In zijn eentje zit een jongeman daar op een leren bank.
‘Kan ik hier zitten, Simon?’ vraagt Adri met een blik op het naambordje dat met een koordje om de man zijn nek hangt.
‘Heb ik het vergeten af te doen?’ vraagt de Simon. Hij schuift het koord omhoog over zijn hoofd. ‘Komt u ook van het congres?’
‘Ik ben gepensioneerd. Waar gaat het over?’
‘Phenologische datamining’ antwoordt de man. ‘Morgen houd ik twee presentaties.’
‘Interessant, vertel eens.’
Van het exposé over de man zijn vak begrijpt Adri maar weinig. Hij denkt aan congressen van zijn eigen werk, toen wildvreemden in de lobby’s van hotels nog wel eens informeerden wat hij deed. Nu niet meer, zolang hij niet in musea exposeert, geen Rembrandt is, geen Rothko of Van Gogh.

Wanneer Adri op loden schoenen terug zijn huis inloopt, zit zijn vrouw tv te kijken.
‘Inspecteur Morse,’ zegt ze. Adri gaat naast haar zitten. Net wordt een schurk in boeien afgevoerd en glijdt aftiteling over het scherm.
‘Er belde iemand van de wijkkrant op,’ zegt ze. ‘Hij had gehoord over je schilderijen en vroeg of hij je eens kon komen interviewen.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Hij staat al in pyjama

Bijna een jaar is Pien nu Roels vriendin. Hij zou best samen willen wonen, Pien wil dat niet, nog niet.
‘Ik geniet nog even van mijn vrijheid,’ zegt ze.
‘Die blijft dan toch?’ zegt Roel. Maar vooralsnog hebben de twee een latrelatie.

Dinsdags fietst Roel vanaf zijn eigen huis naar de receptie van een gezamenlijke vriend. Wanneer hij arriveert is Pien er niet, maar hij verwacht haar elk moment te zien verschijnen. Hij werpt een blik op zijn horloge, kijkt naar de ingang, maar wie er ook naar binnen loopt, niet Pien. De jubilaris tikt hem aan.
‘Komt je vriendin niet?’ vraagt hij.
‘Ze is laat,’ antwoordt Roel. ‘Ik vind het niets voor haar, ik zal haar even bellen.’
Hij krijgt haar antwoordapparaat.

Om kwart voor twaalf, Roel staat al in pyjama, belt ze hem eindelijk terug.
‘Waar bleef je nou?’ vraagt hij.
‘Ik was naar koor.’
‘We zouden toch naar die receptie gaan, ik stond op je te wachten.’
‘Ik weet van niets,’ zegt ze. ‘Daar hoef je toch niet boos over te doen?’
Roel kucht, de afgelopen zondag hadden ze het nog besproken. Geen verwijten maar, hij is moe.
‘Pech,’ zegt hij.

Op vrijdag opent hij de voordeur van Piens flat. In joggingbroek zit ze met waterige oogjes op haar driezitsbank, fleecedeken om zich heen. Net wordt ze opgebeld. Ze kijkt hem aan, vormt met haar mond geluidloos ‘Riny’ terwijl ze wijst naar de mobiel tegen haar oor.
‘Nog gefeliciteerd, ik had je willen bellen,’ piept ze in het apparaat. ‘Was het leuk?’ Ze humt nog wat.
‘Schüss,’ zegt ze schor, hangt op en kust Roel.
‘Riny was gisteren jarig,’ zegt ze. ‘Ze was uit eten met ons vriendinnenclubje, ze misten me, alleen was ik te ziek om af te zeggen.’
‘Arme jij.’
‘Ze was er nota bene kwaad om,’ zegt Pien nauwelijks hoorbaar. ‘Overmacht, heb ik gezegd.’

Een week later loopt hij op haar af zodra ze in zijn gang haar jack ophangt.
‘Je ziet er weer veel beter uit,’ zegt hij en wil haar omhelzen.
Ze houdt hem af.
‘Je hebt gisteren niets van je laten horen,’ zegt ze.
‘We zouden deze donderdag niet bellen, weet je nog?’ vraagt hij. ‘Ik zat in Groningen.’
‘Ik had het wel verwacht.’ Ze kijkt hem aan. ‘Ben je het soms vergeten?’ vraagt ze.
Valentijn is lang en breed voorbij, tot Piens verjaardag duurt nog maanden. Roel staart naar het gezicht van zijn vriendin alsof hij daar een aanwijzing kan vinden. Het staat op onweer.

Er daagt hem iets, hij ziet een restaurant voor zich. Woorden als ‘suf van me’ verdampen bij de herinnering aan een diner bij kaarslicht. Ze waren smoorverliefd, dat hadden ze elkaar bekend precies een jaar geleden. Daar had hij haar voor moeten bellen.
‘Je houdt het al een heel jaar met me uit,’ zegt hij. ‘Een jaar, doen we er nog een?’ De zon breekt door op Piens gezicht.
‘Nog veel meer,’ zegt ze.

Geplaatst in gezondheid, horeca, koor, liefde, op de fiets, thuis, verjaardag, vrienden | 3 reacties

De anderen geeft hij een overhoring

Wim heeft zijn tuin voor een balkon verruild. Daar is hij dagelijks in de weer met aarde, kweekkasjes en planten. Misschien wel meer dan vroeger, toen woonde hij op de begane grond naast een buurman die het niet zo op hem had begrepen. Met zijn bladblazer joeg de man geregeld de afgevallen bladeren van hun gezamenlijke heg er dwars doorheen naar Wims tuin toe.
‘Die zijn van jou!’ zei hij er altijd bij.

Op koningsdag is er een feestje in Wims oude buurt, waar zijn vriendin Renske heen wil.
‘Ik heb geen zin die kerel weer te zien die vroeger naast me woonde,’ zegt Wim.
‘Ach joh, die is allang weer ouder en aanzienlijk wijzer, net als jij,’ zegt ze.
Op de bewuste dag loopt Wim rond elven daar langs rood-wit-blauw-oranje kraampjes en staat dan oog in oog met zijn gewezen buurman.
‘Hallo,’ zegt Wim en steekt zijn hand op. De man kijkt langs hem heen, keert hem zijn rug toe en loopt van hem weg. Andere buurtbewoners die Wim lang heeft gekend spreken hem aan.

Om twaalf uur zit hij op het stoepje van zijn overbuurtjes aan de koffie, de plaaggeest van voorheen staat aan zijn kant van de straat voor eigen huis te praten met een onbekende. Wanneer Wim opkijkt, zwenkt voormalig buurmans blik een andere richting op.
‘s Middags in zijn appartement zegt Wim tegen zijn Renske:
‘Die vent verandert niet, en in zijn ogen blijf ik ook dezelfde.’
Niet lang erna bezoekt Wim bij een reünie weer eens de school waar hij ooit lesgaf. Oud-leerlingen –allang volwassen- voeren een sketchje op. In korte broek, T-shirt met slogan, pet achterstevoren zitten ze breed in een schoolbank. Voor hen oreert iemand in colbert met aanwijsstok, die zo te zien een jonge meester Wim uitbeeldt. Een van zijn vroegere pupillen roept dwars door hem heen:
‘Dat hoeven we toch niet te weten.’
‘Vraag dat maar aan de rector,’ zegt de Wim van toen. ‘Eruit.’ De anderen geeft hij een overhoring.

Na afloop bij de borrel loopt de hedendaagse Wim -alweer zo’n jaar of dertig ouder- een van de spelers tegen het lijf.
‘Dat heb je leuk gedaan,’ zegt hij.
‘U had het toen altijd op mij begrepen,’ zegt zijn oud-leerling.
‘Ach toen,’ zegt Wim. ‘Dat is toch allang over.’

Thuis zegt hij tegen Renske:
‘Altijd die oude koeien uit de sloot, alsof je nooit verandert. Ik ga niet meer naar die gelegenheden toe.’

Een maand later is hij op een receptie van een oud-collega. Met een petitfourtje in zijn hand staat Wim te kijken naar de gasten. Hij groet wat voormalig vakgenoten, veel bezoekers kent hij niet. Een vrouw van in de veertig, in strakke korte jurk, loopt op hem af.
‘Ik zat vroeger bij u in de klas,’ zegt ze.
Wim verwacht de zoveelste bevroren anekdote uit lang vervlogen tijden.
‘Vroeger is voorbij,’ zegt hij maar meteen.
‘Fijn om te horen,’ zegt ze. ‘Ik kon toen echt een kreng zijn.’

Geplaatst in buren, feest, liefde, school, thuis, uitje, werk | Een reactie plaatsen

Ik kan je nauwelijks meer verstaan

Op maandagavond draagt Gerda voor haar dichtersgroep zelf gecomponeerde poëzie voor over vrienden, hun eigenaardigheden en respect. Na de laatste strofe kijkt ze benieuwd de kring rond.
‘Mooi,’ zegt er een, een ander:
‘Origineel.’
‘Een helder thema,’ zegt ene Addie, voormalig docent geschiedenis.
Gerda glimlacht.
‘Alleen het metrum overtuigt niet en er lopen te veel invalshoeken door elkaar,’ zegt de oud-lerares.
Gerda perst haar lippen op elkaar. Haar vriendin Elly legt haar hand op Gerda’s arm en sist:
‘Wat is dat mens weer streng!’
‘Vreselijk,’ fluistert Gerda.

Op zaterdag reist ze met dezelfde Addie per metro naar Amsterdam Zuid-Oost. Naar een open podium, waar ze hun gedichten mogen lezen. Voor de gelegenheid heeft Gerda haar lippen gestift, haar witte haar bol geföhnd, Addie draagt een rood bloezend jackje. Een eindje voor hen in het metrostel zit een groepje pubers, ruime broeken, sportschoenen en grijze sweatshirts met capuchons over hun hoofd. Zodra ze het Amstelstation uitrijden zet een van hen – zijn rug naar Gerda toe- zijn smartphone op de speakers. Zijn maten rappen met zijn knallende muziek mee.
‘Wat een lawaai,’ zegt Gerda. ‘Ik kan je nauwelijks meer verstaan.’
‘Alsof wij lucht zijn en zij de enigen in de coupé,’ fluistert haar reisgenote. ‘Ik kan er niet goed tegen.’
‘Zullen we uitstappen?’ vraagt Gerda vlak naast Addies oor. ‘Dan nemen we een volgende metro.’

Haar mededichteres lijkt het niet te horen. Ze staat op, loopt naar voren toe -waar de herrie vandaan komt-, stopt achter de jongen met de speaker en buigt zich naar zijn oor. De jongere wijkt achteruit, kijkt strak naar haar omhoog terwijl ze praat en zegt iets terug. Zijn maten rappen door. Addie knikt en steekt haar duim op. Geeft ze dat sujet een pluim? Wanneer ze terugloopt naar haar plaats, klinkt de stampmuziek een heel stuk zachter.
‘Hé man wat doe je? Heeft dat wijf je dat gezegd?’ vraagt luid een van zijn matties.
‘Welnee.’ Met rechte rug pal naar de beide vrouwen toe, deint de jongen van de speakers met zijn maten mee.

Eenmaal thuis vertelt Gerda over het voorval.
‘Mijn petje af,’ zegt haar man. ‘Die Addie durft te zeggen wat ze vindt en wil.’

De maandagavond erna is Gerda’s dichtersgroep opnieuw bijeen. Haar vriendin Elly leest een kakelvers gedicht voor waar Gerda geen touw aan vast kan knopen.
‘Mooi,’ zegt een groepslid. Een ander:
‘Leuk.’ Gerda houdt haar mening voor zich.
‘Helder woordgebruik,’ zegt Addie. ‘Wel een lastig rijmschema, strofen van dezelfde lengte liggen makkelijker in het gehoor.’ Elly buigt haar hoofd.
Terwijl een volgende dichtkunstenaar zijn eerste couplet opleest, fluistert Elly in Gerda’s oor:
‘Wat vond jij van mijn schema?’
‘Ach,’ mompelt Gerda.
‘En mijn strofen dan?’ sist Elly.
‘Nou ja,’ fluistert Gerda.
‘Die Addie is zo streng,’ zegt haar vriendin.
‘Vind je?’

Geplaatst in kunst, openbaar vervoer, reizen, uitje, voorlezen, vrienden | Een reactie plaatsen

Zodat er nog een stukje uitsteekt

Marleen is sinds een maand met prepensioen, ze heeft zeeën van tijd en bergen goede voornemens. Zo gaat ze wis en zeker niet haar dagen in de boeken slijten, zoals haar man Wil dat doet.
‘Met jouw romans leef je in je fantasie,’ zegt ze.
‘Denk maar niet dat iemands ware leven daar zoveel van afwijkt,’ zegt hij.
Marleen werkt liever eerst aan haar belabberde conditie. Thuis trekt ze haar legging aan, een T-shirt met een wijde taille. Anderen hoeven niet te zien dat losse vellen rond haar middel een eigen leven zijn gaan leiden.

In jack en op haar sneakers, loopt ze een lege kleedkamer in van Basic Fit vlak bij haar om de hoek. Alleen een jonge vrouw zit er te bellen.
‘Hai,’ zegt Marleen.
Pratend kijkt de vrouw een andere kant uit. Marleen pakt haar handdoek uit haar tas, schuift tas met jack en sjaal een kluisje in en rolt de nummers van haar cijferslotje op haar geboortejaar, 1956.

Met handdoek om haar schouders loopt ze een lange zaal in, waar toestellen voor ongeveer een kwart bezet zijn. Op apparaten staan onder eiervormige hoofden torso’s en ledematen afgebeeld met spierbundels, rood en roze gearceerd. Op de dreun van workout beat duwt Marleen stangen naar zich toe en van zich af, buigt zich voorover en terug. Een jongeman naast haar zegt:
“Als er op Funda ‘netjes’ staat of iets als dat je kamers naar je eigen smaak kunt inrichten, dan bedoelen ze een slooppand, met tonnen achterstallig onderhoud.” Zijn maat vertelt:
‘Verleden week hebben we een bod gedaan, tien procent boven de vraagprijs, niet gekregen.’

 

Wanneer Marleen moe en verhit met sporttas thuiskomt, vraagt Wil:
‘Wat doe je in zo’n centrum nou zoal?’ Haar antwoord ‘Apparaten,’ stuit op een blanco blik van haar belezen echtgenoot.
‘Zoals een toestel waar je een stang beetpakt boven je hoofd,’ zegt ze. ‘Zodat er aan weerskanten nog een stukje uitsteekt. Die trek je naar je toe.’
‘Dat lijkt me niets voor mij,’ zegt Wil.
‘Strekken en buigen, veel meer gebeurt daar niet. En kletsen. Ze praten met elkaar alsof ik achtergrondbehang ben, over huizen, ouders en hun avondeten.’
‘Zo hoort een mens eens wat,’ zegt haar man en hij verdiept zich in zijn boek.

Bij een volgend sportschoolbezoek zegt een jonge vrouw vlakbij Marleen:
‘Na hun derde meisje nemen ze nu nog een kind. Ze willen coûte que coûte een jongetje.’
Haar maatje vraagt:
‘Wat als het weer een meisje is?’

Thuis aan de koffie met haar man vraagt Marleen:
‘Hoe kan die vrouw zoiets nu hardop zeggen terwijl ik pal naast haar zit? Denkt ze soms dat ik haar niet kan horen, omdat mijn haar toevallig grijs is?’
‘Wat spannend, Mar,’ zegt haar eega. ‘Het lijkt wel een roman. Misschien ga ik er ook maar eens naartoe.’

Geplaatst in gezondheid, huwelijk, liefde, sportschool, thuis, voorlezen | 2 reacties

Ik heb hem meteen maar gewassen

Zondag, Eric is jarig. Tegen twaalven loopt zijn zoon Richard binnen. Passende spijkerbroek, overhemd. Niet die verwassen troep uit zijn studiejaren, constateert Eric in stilte. Zijn zoon deed lang over zijn master, maar nu werkt hij dan toch bij een bank. Zoals Eric steeds gehoopt had.
‘Gefeliciteerd, pap. Zesenzestig al!’ Zijn zoon geeft hem een plat rond pak: een cijferloze klok met opschrift Who Cares; I’m Retired.
‘Leuk, man.’ Eric kust zijn zoon.

Aan de lunch vraagt hij: ‘Heb ik bij jou een huishoudtrapje laten staan toen ik met je lampen heb geholpen? Dat ding is van tante Marleen, ze vraagt er telkens om.’
‘Dat had je toen niet bij je, pa, ik heb er zelf toch een.’
‘Ik kan het nergens vinden. Straks verwijt ze me van alles, je weet hoe ze is.’
Richard haalt zijn schouders op, en vraagt:
‘Kan ik straks even je auto lenen?

Rond vijf uur belt Richard aan, en geeft hem zijn autosleutels terug.
‘Ik heb je bolide meteen maar gewassen. Dat had hij wel eens nodig.’
‘Bedankt! Het bedrijfsleven heeft een goede invloed op je.’

De volgende dag, maandag, ziet Eric een deuk in zijn autoportier zitten. Onmiddellijk belt hij zijn zoon:
‘Waarom heb je me dat gisteren niet gezegd?’
‘Ik had het niet gezien.’
‘Wat een pech,’ zegt Eric. ‘Nou ja, overmacht.’

Op zaterdag gaat Eric met zijn zoon naar een jazzconcert. Met de big band nagalmend in zijn oren, zit hij met hem in een druk café naast de concertzaal van het Bimhuis. Bij zijn derde biertje zegt zijn zoon ietwat bedrukt:
‘Pa, het was flauw van me, sorry, maar ik wist het van die deuk.’
‘Dacht ik het niet,’ zegt Eric. ‘Behoorlijk stom van je, die leen ik je voorlopig niet meer uit.’ Zijn hart klopt veel te snel. ‘Onverantwoordelijk.’ Zijn zoon zit met gebogen hoofd, Erics woordenvloed betijt, hij nipt van zijn pils, veegt schuim van zijn lippen en gaat plassen.

De zondag erna belt Erics zus Marleen aan, voor een verlaat verjaarsbezoek. Meteen begint Eric over zijn zoon, dat hij zijn auto had geleend en het portier beschadigd was.
‘Het stoort me dat hij loog, zo heb ik hem niet opgevoed.’
‘Behalve dan dat jij iemand altijd meteen verwijten maakt. Ik zou er ook niet makkelijk voor uitkomen,’ zegt zijn zus.
Eric zwijgt, Marleen ook altijd met haar harde woorden. Hij haalt maar eens taart uit zijn koelkast, ze praten over werk en zijn recente pensionering. Tot zijn opluchting komt Marleen trapje niet ter sprake.
‘Ik ga weer eens.’ Zijn zus trekt haar jack aan, groen met geel. Met de deurknop in haar hand zegt ze:
‘Ik ben met de auto, ik neem meteen die trap mee die ik je geleend heb.’
‘Een trap?’ Naarstig speurt Eric naar woorden. ‘Daar staat me niets van bij,’ zegt hij.

Geplaatst in familie, reizen, thuis, verjaardag | Een reactie plaatsen

Vanaf morgen, vrijdag 29 maart, weer wekelijks een nieuw cursiefje

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tijdelijk uit de lucht

Wegens oogperikelen van Margot tijdelijk geen nieuw vrijdags cursiefje.

Wel verkrijgbaar: tien gebundelde cursiefjes over de romance tussen Pien en Roel. Pien en Roel knie aan knie.

Te bestellen via Margot@Cursiefje.nl of  te koop op zondag 10 maart tijdens The Mad Tea Party van theaterkoor Voice Female in Diemen (De Ark, vanaf 15.00 uur).

Geplaatst in diversen, gezondheid | Een reactie plaatsen