Verlof

Roel en Pien zijn met verlof. Ze wensen je veel sterkte met de lockdown.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Net als vroeger thuis

Nu ze per dag thuis maar één gast ontvangen, vieren ze Piens verjaardag digitaal. Via een zoommeeting met Jos, Piens dochter Stella en haar man. Vooraf zit Roel over zijn zoon te dubben. Toen hij het afgelopen anderhalve jaar Jos op de hoogte hield van Stella’s hoop die telkens werd teleurgesteld, was Jos erg met zijn stiefzuster begaan. Maar nu weet hij van niets, omdat Stella hen op het hart gebonden heeft te zwijgen.

In feite heeft dat tot gevolg dat ze Jos buitensluiten. En als het grote nieuws bekend wordt? Dan snapt zijn zoon dat iedereen van het gezelschap het al wist, behalve hij, en wordt hij ongetwijfeld nijdig. Wat Roel per se niet wil.
‘Zou Stella geen uitzondering willen maken, denk je?’ vraagt hij Pien. Ze belt Stella, legt hun dilemma uit, meermalen hoort Roel haar ‘ja maar…’ zeggen. Met strak gezicht legt ze weer neer.
‘Ze wil het niet,’ zegt ze. ‘Ze is nog te bezorgd.’
‘Stella’s wil is wet,’ zegt Roel gelaten.

Bij hen thuis dekken ze een feestelijk tafel. Op het zoomscherm ziet het er ook bij Stella en bij Jos gezellig uit. Stella oogt opgewekter dan Roel in tijden heeft gezien. Haar gezicht oogt voller, meer ontspannen. Meteen vreest Roel dat het verzwegen onderwerp als een olifant op zal doemen.
In Stella’s wijnglas zit vast een sapje, denkt hij, gelukkig valt het op het scherm niet op. Ook hoopt hij maar dat Jos niet merkt hoe Stella om de haveklap van tafel opstaat, zich terugtrekt en dan weer in beeld verschijnt. Alsmaar een plasje meent Roel zich van zijn Anne te herinneren toen ze zwanger was van Jos.
Wel stelt het Roel gerust dat hun gesprek zo ongedwongen van de ene naar de ander ketst, de avondklok, thuiswerken, de nieuwe president Joe Biden. Bij de koffie gaan ze op Piens verzoek zelfs nog een potje toepen, net als vroeger toen Stella nog thuis woonde.

Vanaf een uur of tien ontsnapt de ene na de andere gaap aan Stella’s mond. Achter de hand en in haar elleboog. Al snel zegt ze wat bleekjes:
‘Ik heb een drukke dag gehad, ik brei er weer een eind aan.’ Pien zou het net zo kunnen zeggen, beseft Roel verrast, dezelfde woorden op dezelfde toon.
‘Gaan jullie vooral lekker door.’ Stella werpt hen een handkus toe.

Nu hebben ze alleen Jos nog op hun scherm.
‘Ze ziet er goed uit, vind je niet?’ vraagt hij. ‘Je zou haast denken …’ Alsnog neemt er een levensgrote olifant een kijkje in hun beeld. Roel verstijft, Pien glimlacht ietwat bête. Ik moet iets zeggen, denkt Roel. Nu.
‘Ik hoop het zo ontzettend.’ Als aerosollen hangen zijn woorden in de lucht.
‘We zullen het wel horen,’ zegt Jos. ‘Ik ga er ook vandoor.’

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ozark, thuiswerken en de poes

Stella houdt afstand tot haar moeder, wil Pien niet op bezoek hebben, niet met haar zoomen. De enkele keer dat ze de telefoon opneemt als Pien opbelt, wil Stella weinig kwijt over haar prille zwangerschap. Ze is zorgelijk in plaats van blij dat het nu zo ver is. Pien zou haar dochter graag steunen, opvrolijken, wat dan ook, als Stella maar vertrouwen krijgt dat het goed zal gaan. Maar Pien vangt bot.

‘We hebben gewoon af te wachten,’ zegt Roel, troostend bedoeld.
‘En ik dan?’ Het komt er fel uit, bijna snauwend. Roel weet niet goed wat hij moet zeggen. ‘Ik weet niets, niet hoe het met haar gaat, hoe ver ze is. Ik zit maar in onzekerheid, ik maak me constant zorgen. Stella vindt het egoïstisch als ik over mijn emoties zou beginnen.’ Piens toon herinnert Roel aan wat ze hem altijd heeft voorgehouden: dat niet alleen de feiten, maar ook gevoelens tellen, dat je nu eenmaal niet op elk moment verstandig bent.
‘Moeilijk, Pien,’ probeert hij. Met succes. Ze legt haar hoofd tegen zijn schouder. Roel houdt haar vast.

‘Toen ik net zwanger was,’ zegt ze, ‘stuurde mijn moeder mij een epistel opgeleukt met plaatjes, een soort gedicht over mijn zwangerschap. Ze schreef dingen als ‘het kleine vruchtje dat binnenin je groeit.’ Het stak me als een angel, haar hint naar mijn intimiteit verdroeg ik niet. Alsof ze zich mij toe-eigende, zo voelde het. Seks was taboe geweest in ons gezin. Dan ging wat er gebeurde in mijn buik haar ook niet aan, vond ik. Al had ze nog zoveel ervaring. Dat was van mij. Maandenlang wilde ik haar niet spreken. Nu schaam ik me dat ik het arme mens toen zo heb afgewezen.’
Met Piens warme lijf tegen hem aan, geen andere bedoeling dan nabijheid, troost misschien, voelt hij haar onvermogen en het zijne. Zijn gedachten cirkelen onuitgesproken rond: ons stomme verlangen naar nabijheid, de broosheid van de band met onze kinderen.
‘Nu ben ik de moeder,’ zegt Pien. ‘En wil ik voor geen goud dat mij hetzelfde overkomt.’

Pien heeft Stella een mail gestuurd, vertelt ze hem na een paar dagen. Ze heeft erin gezegd heel graag te willen weten hoe het met haar gaat. ‘Goed’ als antwoord is genoeg, heeft Pien geschreven. ‘Goed’ is het enige waar ik benieuwd naar ben. Verder hoeven we het er niet over te hebben. Maar als jij akkoord gaat, praten we wel weer met elkaar. Over ditjes en datjes, voor mijn part over mijn zelf geknipte kapsel, onze nieuwe favoriete serie Ozark, over thuiswerken of de poes, staat in Piens mail.

‘Als ik maar contact houd,’ zegt Pien hem. ‘Die stilte en die afstand maken me ongerust, heb ik haar laten weten.’ Kort erna belt Stella haar.
‘Het gaat goed, mam,’ zegt ze.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

We hebben hier wat beters

De eerste jaren dat Roel met Pien verkeert, is zijn oudste zoon niet over haar te spreken. Pien is te eigenwijs, heeft het hoog in haar bol. Al zegt Mike zoiets alleen aan Roel, Pien merkt het heus wel.
‘Ik kan geen goed bij hem doen,’ zegt ze terneergeslagen.

‘Wat kan jou het schelen. Die vent weet niet wie hij afwijst. Straks krijgt hij spijt.’ Dat soort dingen verzint Roel om Piens geluk weer op te krikken. Veel helpt het niet, hij weet: ze zou zo graag bij Mike een beetje in de smaak vallen.
‘Andere stiefmoeders hebben wel verteld dat het een vak apart is,’ zegt ze.
‘Mike was een moederskind.’ Wat het er niet eenvoudiger op maakt.

Het afgelopen jaar was Pien graag voor het eerst eens met Roel naar Ontario gevlogen. Waar Mike met Francis woont en hun twee kleintjes. Wegens de pandemie ging het niet door en spreken ze elkaar alleen maar via zoom en skype of telefonisch.
Zoals twee weken terug, waarbij Roel zegt:
‘Mijn broeken zitten veel te strak door al die feestdagen.’
‘Nou, dan de mijne wel,’ zegt Mike.
Pien weet een probaat middel, Nederland in beweging.
‘In Canada hebben jullie vast ook zoiets,’ zegt ze. ‘Met oefeningen voor je hart, je rug en buik, vaak met gewichtjes. Doe je dat elke dag, dan is dat vet er zo weer af.’
‘Dat was al op de buis toen ik nog thuis woonde,’ zegt Mike. ‘Je wilt niet dood gevonden worden voor tv als dat programma aanstaat. We hebben hier heus wel wat beters.’

Na afloop van de zoomsessie zit Pien verbouwereerd voor haar screensaver.
‘Ik dacht dat het allang goed was tussen Mike en mij,’ zegt ze.
Roel denkt teleurgesteld: wat houdt Mike tegen om haar in zijn hart te sluiten?
‘Wat was er nou?’ vraagt Roel wanneer hij kort erna weer opbelt.
‘Niks,’ antwoordt Mike. ‘Chagrijn van de migraine. Die stak de kop op toen we zoomden.’
‘Dus gaf je Pien er maar van langs?’
‘Ik zeg straks wel even sorry.’

‘Oké.’ Roel durft niet te vragen hoe moeilijk het kan zijn om ook iets aardigers te zeggen. Wanneer ze uitgepraat zijn, roept hij:
‘Pien, Mike wil je spreken.’ Ze neemt Roels mobiel over.
‘Ha Mike, heb je je kerstboom nog staan?’ hoort Roel vragen terwijl hij de kamer uitloopt, verwachtingen niet al te hoog gespannen.

‘Mike maakte zijn excuses,’ zegt Pien naderhand. Wat Roel niet anders had verwacht.
“Na wat gepraat vroeg hij zomaar: ‘Hoe gaat het met mijn zus?’” vertelt Pien opgetogen. “Niet: ‘… mijn stiefzus’, zoals hij Stella altijd noemt, lekker afstandelijk. Nee, hij zei: ‘mijn zus’. Mike beschouwt mijn dochter als zijn zus.” Pien glimt erbij, wat Roel vertedert.
‘Het moet niet gekker worden,’ zegt hij. “Straks maakt hij jou nog voor zijn ‘moeder’ uit.”

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

Lekker luieren op het strand

Twee januari hapt Roel net een koude oliebol weg als Giel opbelt: of hij en Pien zin hebben vanavond langs te komen. Met oud-en-nieuw, op nieuwjaarsdag en ook vandaag waren Rosa en hij met z’n tweeën. Daarom lijkt vanavond, coronair gezien wel veilig. Roel en Pien zitten zo’n beetje in hetzelfde schuitje, al was Roels jongste zoon er met oudjaar.

De opstelling bij Giel is ruim bemeten, de twee stellen zitten meters van elkaar. Roel heeft geen idee hoe ze erop komen, maar opeens gaat het gesprek over hoe leuk mensen het vinden om te werken. Volgens Giel zou iedereen het liefst de hele dag lui op het strand liggen, zich vol eten en spelletjes spelen. Roel gelooft er niets van, Pien evenmin.
‘Dat luie ligt me niet,’ zegt Roel. ‘Ik doe liever iets nuttigs en iets nieuws. Zo zit ik nu alvast in de redactie van dat muziektijdschrift, voor als ik met pensioen ben.’
‘Al beleef je daar maar weinig lol aan volgens mij,’ zegt Pien. Van Roel had ze dat niet hoeven zeggen. Maar dan denkt hij: voor de dag ermee dan maar.
‘Bij de redactie is het meer de vraag: blijf ik of niet?’ zegt hij. ‘De redacteuren zeggen nooit iets positiefs van wat ik heb geschreven, ze zeuren alleen over een formulering of een taalfout. In ieders stukjes trouwens.’
‘Wat vinden je lezers ervan?’ vraagt Rosa.
‘Dat tijdschrift wordt amper gelezen,’ antwoordt Roel. ‘Hooguit de tips voor optredens op youtube. Daarna belandt het in de kattenbak. In feite schrijf ik voor de kat zijn kont.’
Van dichtbij houdt Giel een schaal met kaasblokjes onder Roels neus.
‘Lekker.’
‘Als je het schrijven zelf maar leuk vindt,’ meent Rosa.
Maar ook dat is niet het geval.

Roel draait zich van zijn ene op zijn ander zij, voorzichtig om Piens rust niet te verstoren. Ik moet ook niet zo laat nog over serieuze zaken praten. Dan kom ik nooit in slaap, denkt hij. Wat voelt mijn maag zwaar, mijn hart bonst te snel, heb ik de verwarming nou laag gezet? Die stomme redactie had ik me nooit aan moeten halen. Waarom moet ik zo nodig schrijven? Dat is iets voor Pien, die is Neerlandica. Haar hoor ik ook nooit klagen over werkbespreking of vergaderen. Zal ik het opgeven? Is het mijn eer te na? Wat nou: eer. Potverdorie, wat zit het leven ingewikkeld in elkaar. Boven zijn hoofd hoort Roel de buren lopen, die slapen ook nog niet.
Hij dommelt in. Om vijf uur moet hij plassen. Zijn opwinding is geluwd. Ik stap eruit, weet hij opeens zeker, ze redden het in de redactie wel zonder mij. Een grote rust en zekerheid daalt over hem. Dezelfde vredigheid waarmee Roel om negen uur ontwaakt. Hij heeft zin in het nieuwe jaar en nieuwe kansen.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Met niemand over praten

Wanneer Roel de kamer binnenloopt, hoort hij Pien zeggen:
‘Roel is discreet, my lips are sealed.’ Met rode konen legt ze haar telefoon op tafel.
‘Geheimen?’ vraagt hij.
‘Stella,’ zegt ze, haar dochter.

‘Ga even zitten,’ zegt ze. ‘Wil je thee?’ Ze kijkt een beetje ernstig, “Stella belde me. We praten wat en zij zegt tussen neus en lippen dat ze positief getest is. Ik denk: corona. ‘Is het ernstig?’ vraag ik. Zegt ze: ‘Je kan ook ergens anders positief voor testen.’”
Roel kan het zo gauw niet bedenken, Pien zegt:
“Zwanger is mijn eerste ingeving. Maar dat is allang van de baan. ‘Bedoel je,’ vraag ik, als de dood om het te noemen, ‘bedoel je dat het dit keer goed gegaan is?’ ‘Wat heet goed,’ antwoordt ze, ‘het vervolg is nog nooit goed geweest.’ Wat moest ik zeggen Roel? Ik zeg: ‘Toch is het fantastisch nieuws!’ Maar zij roept meteen: ‘Maak je nou geen illusies. En praat er maar met niemand over, ook niet met Roel.’ Toen kwam jij binnen,” zegt Pien. ‘Toen ik zei dat jij discreet bent.’
‘Lief, wat leuk,’ zegt Roel, hij klemt haar aan zijn borst. ‘En spannend.’

Wanneer Roel aan het koken is, moet hij er nog aan denken. Pien komt ook in de keuken staan.
‘Ik durf niet eens blij te zijn,’ zegt ze. ‘Stella is het amper.’
Ook Roels gevoelens zweven tussen hoop en vrees.
Twee weken laat Roel het rusten, ook Pien zwijgt erover. Wanneer hij die woensdag van Jumbo thuiskomt, zegt ze.
‘Stella belde net. Ze is acht weken, op de echo had ze een hartje zien kloppen. De groei is naar behoren.’ Roel omhelst zijn vrouw.
‘We worden opa en oma!’ Roerloos staat Pien in zijn armen.
‘Stella gelooft er nog niet in. Eerder is ze ook misselijk geweest en overdreven moe. Het is nog diep geheim.’
Pien slaapt er slecht van. Aan het ontbijt zegt ze:
‘Ik ben even bang als zij dat het weer misgaat.’ Een aantal dagen later:
‘Ik ben opeens zo bijgelovig als de pieten. Bij het schillen van een appel mag de schil niet breken, ik moet precies veertig keer kauwen, in veertig stappen de stoep over.’
‘Huh?’

‘Vanwege veertig weken zwangerschap,’ zegt ze ongeduldig. ‘Complotdenkers zijn heilig bij mij vergeleken.’ Zoiets heeft Roel dan niet, maar hij is er evenmin gerust op.
‘We moeten maar vertrouwen dat het op eigen kracht doorgroeit,’ zegt hij heldhaftig.

Aan de rand van haar computerscherm heeft Pien een foto van een mollig baby’tje geplakt, enkel een luier aan. Het strekt zich behaaglijk in zijn wiegje uit.
‘Zo gaat ie worden,’ zegt ze als ze Roel ernaar ziet kijken. ‘Daar vertrouw ik nu maar op.’
Pien heeft gelijk, denkt hij. Dat is het ouderschap, één lange exercitie in vertrouwen.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De brandtrap van Roels flat

Vanuit de voormalige kantine van het Zuiderbad, wachtend op zijn zoontje, herkende Evert Roel toen hij daar kwam zwemmen. Roel heeft met Evert op de middelbare school gezeten. Close waren ze toen niet, want Evert was een beetje deftig, nu nog. Tijdens hun studie verloren ze elkaar uit het oog. Maar sinds die keer is het contact hersteld en spreken ze elkaar zo nu en dan.

Jaarlijks feliciteert Roel zijn oude klasgenoot met zijn verjaardag, vier maanden later wenst Evert hem geluk. Dan spreken ze weer af, gaan naar het stadsarchief, ze wandelen of lunchen. Inmiddels zijn ze oude kameraden, tijdgenoten, veertig jaar lang. Ze kennen de geschiedenis van Roels optredens en lessen, Everts functie bij een grote farmaceut, hun familie en gezin.

In mei dit jaar lopen ze door het Amstelpark, de rododendrons staan in bloei. Ondanks corona is het vol bezoekers, wat Roel verfoeit. Maar Evert schijnt het niet te deren.
‘Er is iets met hem,’ zegt Roel naderhand. ‘Hij droeg een oud jekkie dat hem niet flatteerde, zijn broek hing flodderig om zijn kont, zijn haren ongekamd.’
‘Misschien was hij haastig van huis gegaan,’ zegt Pien.
‘Hij viel een paar keer in herhaling. Als hij maar niet dement wordt. De broer van Evert was het op zijn zeventigste al.’

De afspraak voor de wandeling een halfjaar later zegt Evert vijf keer af, het is te nat, te koud, ten slotte is zijn dochter overspannen. Op maandagochtend stappen ze dan eindelijk door het Sarphatiepark en informeert Roel naar haar.

‘Evert vertelt over zijn dochters werk, opdrachten die ze binnen heeft gesleept, al zijn het er minder dan anders. Geen woord over haar toestand,’ vertelt Roel bij de lunch.
‘Vanwege privacy,’ denkt Pien.

Maar Roel gelooft er niet zo in, hij heeft een ongemakkelijk gevoel, er klopt iets niet.
‘Evert oogde net zo sjofel als vorige keer. En neem nou wat hij onderweg vertelt. Hij is lid van twee leesclubs. Ik vraag hem wat ze lezen. Dat weet hij niet, hij zegt dat zijn boek thuis in zijn boekenkast ligt.’
‘Soms ben je zoiets even kwijt,’ zegt Pien. ‘Jij toch ook wel eens?’
‘Hij vertelde een paar keer dat ze met gezin en aanhang zouden wintersporten. En dat dat nu niet doorging. Bij mamma begon het toentertijd ook zo: vergeetachtig, ongelukjes, zichzelf herhalen.’

In Roels ogen reageert Pien lauwtjes. Ze vindt het ook niet raar dat Evert naar de brandtrap wees van Roel zijn flat en zei dat iedereen van buiten zo naar binnen lopen kon.
‘Een Evert,’ zegt Roel ’s avonds met nadruk, ‘die altijd alles tien keer sneller snapt dan ik en beter. Dat iemand zoals ik hem uit moet leggen hoe een brandtrap werkt.’
Pien haalt haar schouders op en zegt:
‘Dat heb je al verteld.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Redder van de mensheid

Roels zus vertelt hem over een fikse ruzie met hun oudste broer, dat hij haar uitmaakte voor ‘trut’ en erger.
‘Dat onbehouwen stuk verdriet is ook nog te beroerd om zijn excuses aan te bieden.’ Ze is helemaal van slag.
‘Hè Agnes, wat naar nu,’ zegt Roel welgemeend.

Zelfs na een week lukt het hem niet de ruzie te vergeten. Misschien is Tom bereid bakzeil te halen, maar weet hij niet goed hoe, denkt Roel. Misschien kan ik een duwtje in de goede richting geven. Hij belt hem maar eens op. Nauwelijks is Roel bij de bewuste ruzie aanbeland, of Tom zegt al:
‘Agnes haalt het bloed onder mijn nagels vandaan, die zuigt alsmaar en laat nooit los’.
‘Bijzonderheden hoef ik niet te horen,’ zegt Roel nog, maar toch legt Tom ze hem omstandig uit.
‘Je kon het juist weer goed met Agnes vinden,’ zegt Roel. ‘Jammer.’
‘Zo doet ze altijd tegen me,’ zegt Tom. Voordat zijn broer nieuwe details gaat spuien, zegt Roel:
‘Ik heb nog veel te doen. Ik spreek je weer.’

 

‘Ze hebben zich natuurlijk allebei misdragen, zo gaan ruzies,’ zegt Roel later tegen Pien. ‘De kern is dat de een de ander op de kast jaagt en de ander dat dan laat gebeuren.’
Pien humt.
‘Ik heb er nog eens er over nagedacht,’ zegt Roel later. ‘Tom is uitstekend in staat collega’s aan te sturen. Agnes idem dito. Wanneer het hen wel lukt die mensen op het juiste spoor te houden, waarom doen ze dat niet bij elkaar?’
Pien zou het ook niet weten.
‘Als ze dat proberen en het lukt, dan spreken we elkaar weer eens met kerst en met nieuwjaar, al is het maar per zoom.’
‘O, enig!’ zegt Pien en ze kust hem. ‘Je bent mijn redder van de mensheid.’

 

Met het warme gevoel dat hij met zijn idee misschien een goede indruk op zijn oudste broer zal maken, belt Roel hem op. Hij praat over collega’s, beloningen en negeren van wat je niet zint.
‘Denk je nou echt dat dat bij Agnes werkt?’ sniert Tom. ‘Die alles wat ik doe negeert, alleen maar oor en oog heeft voor zichzelf en zich het centrum van de wereld waant? Illusies!’
Roels borstkas krimpt een maatje. Dan Agnes maar. Die heeft nu vast behoefte aan een bondgenoot, denkt Roel. Hij belt haar op, roemt haar collegiale kwaliteiten en vraagt:
‘Zo kan je Toms gedrag toch ook in goede banen leiden?’ Als ware het retorisch.
‘Flauwekul,’ zegt ze. ‘Voor Tom zijn zulke aanwijzingen parels voor de zwijnen. Dat weet je zelf toch ook, of trek je soms partij?’
Roels hart begint te bonzen, zijn bi- en triceps spannen zich, hij krijgt zin ergens mee te smijten. Daar gaan hun collectieve kerst, nieuwjaar en vrede op de aarde.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Even zo vrolijk

Bij het lezen van zijn ochtendkrant zwiept Roel per ongeluk zijn thee omver.
‘Wat heb je toch?’ vraagt Pien. ‘Je sliep ook al onrustig.’
‘Laat maar,’ zegt Roel in zijn roestbruine ochtendjas. En dan: ‘Ik lag te miezemuizen over Wilma.’
Pien roert haar koffie, kijkt hem aan.

‘De Wilma?’ vraagt ze. ‘Van de redactie?’
‘Ja die.’ Zoals over alle redactieleden, heeft Roel ook over haar verteld. Wilma kan schrijven als de beste, over jazz vooral. Altijd een interview met achtergrond, over het instrument van een of andere amateur, een speciaal akkoordenschema of iemands repertoire. Maar bij vergaderingen kan Roel haar niet velen: andermans stukken leest ze niet en bij wat serieuzere gesprekken zit ze alsmaar te ginnegappen.
Tijdens het boodschappen doen twee dagen terug, komt Wilma weer ter sprake.
‘Cisca mailde dat ze het team met een nieuw lid wil uitbreiden,’ zegt Roel. ‘Volgens Vincent hoefde dat niet voor de kopij, daar is altijd te veel van. Wat Jan en ik beaamden, Cisca ook. Maar Wilma mailde even zo vrolijk dat zij nieuwkomers welkom heet. Dat scheelt in de kopij, schreef ze. Ik schreef terug dat ik gastvrijheid wel waardeer, maar dat ik niet begreep waarop ze die behoefte aan kopij baseert. Waarop Wilma pissig reageerde met: discussies voer ik niet over de mail.’
Pien ziet er geen reden in om slecht te slapen. Maar Roel zegt bij zijn nieuwe kopje thee:
‘Wilma is per direct uit de redactie gestapt. Cisca zei het gisterenavond toen ze me ergens anders over belde. Het drong niet meteen tot me door.’
‘Mijn hemel.’
‘Ik voel me er behoorlijk lullig over,’ zegt hij.

Roel wandelt door het Gijstbrecht van Aemstelpark, waar hij gegrepen wordt door herfstkleuren, struiken vol rode besjes en van tak tot tak springende vogeltjes. Aan de Amstelveenseweg wacht hij om over te steken naar de ingang van het Amsterdamse bos, met nog meer afgevallen blad, meer kale boomreuzen en houtig struikgewas. En meeneemkoffie in een tentje vlak vooraan.
Rozig brengt hij tijdens de lunch aan Pien verslag uit.
‘Ik kom bij de Boshalte, ik drink een cappuccino. En wie stapt daar van haar fiets? Cisca.’
‘Ook toevallig,’ zegt Pien.
‘Ik zeg dat ik die mail niet zo bedoelde, dat ik me schuldig voel over Wilma’s vertrek. Zij vindt het onzin. Wilma wil kalmer aan doen, zegt ze, haar man is net gepensioneerd.’
‘Dus nou heb je vannacht voor niets rottig geslapen,’ zegt Pien. Roel schokschoudert.
‘Toch jammer dat ze weggaat,’ zegt hij. ‘Je raakt nu eenmaal aan iemand gewend, ook aan d’r kuren. Dan wil je niet dat ze zo’n club opeens verlaat.’
Goedmoedig, met een mespuntje venijn zegt Pien:
‘Je kan gewoon niet tegen veranderingen.’ Roel gaapt.
‘Dat is goed voor mijn nachtrust.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Fotoalbum van zijn vroege jeugd

Roel ziet zijn jongste graag. En Jos bezoekt zijn vader trouw, zij het niet vaak. Jammer genoeg is het voor Roel niet makkelijk om tot hem door te dringen. Hun gesprek blijft vaak beperkt tot Jos zijn werk. En als Roel iets vertelt, laat Jos het bij een ‘ja’ of ‘nee’. Wat weinig openbaart van wat er in hem omgaat.
‘Stel je eens kwetsbaar op, misschien dat dat wat losmaakt,’ oppert Pien. Roel zou niet weten hoe.

Op de achtentwintigste, de sterfdag van zijn vader, vraagt Roel zijn jongste zoon mee naar Zorgvlied. Jos was graag bij zijn opa, misschien heeft hij die dag in zijn agenda staan.
Jos wil wel met Roel mee. Ze spreken af om twee uur bij de poort.

’s Ochtends bladert Roel een album door met foto’s uit zijn vroege jeugd. Vertederd kijkt hij naar het blote jongetje dat in een grote wasbak stralend lacht. Hetzelfde Roeltje zit in kruippak op zijn vaders’ schoot met een peuter naast diens knieën, zijn broer Tom. Hun zusje ontbreekt nog. Zijn vaders grote lijf omringt de dreumes op zijn schoot zo’n beetje helemaal. Roel stelt zich voor hoe veilig hij zich toen als kleintje voelde. Pa’s regels en geboden later vlakten dat niet weg.

Om tien voor twee stalt Roel zijn fiets achter het hoge hek van de begraafplaats. Al spoedig komt Jos aanrijden. Ze lopen door de lanen van de laatste rustplaats van veel Amsterdammers. Mannetje aan mannetje liggen ze, steen naast steen, dichter opeen dan ze bij leven ooit de stad bewoonden.
Roel en zijn zoon arriveren bij het grijze graniet waar Jos’ opa, oma en overgrootpa liggen. Roel borstelt vastgeplakte blaadjes weg, Jos zet er een plantje neer. Naast zijn zoon leest Roel hardop de namen die in de steen gebeiteld staan. Denkend aan de foto van vanochtend raapt hij zijn moed bijeen.

‘Ik dacht erover na,’ zegt hij, ‘hoe ik als klein kind gehecht moet zijn geraakt aan jouw opa.’ Hij schraapt zijn keel en kijkt naar Jos, die geeft geen kik. ‘Als dreumes snap je weinig van de wereld. Ik neem maar aan dat ik voortdurend overrompeld werd, een grote hond, een knetterende motor, bloed uit mijn knie of pijn. Als ik van slag was moet mijn vader me met zijn enorme armen hebben opgetild, ze om dat kleine lijfje van me heen geslagen, met zijn grote bovenlijf een warm hol hebben gevormd. Daar zat ik in, wie of wat kon me deren? Zo stel ik het me voor dat ik ….’ Niet te klef nu: ‘… aan hem gehecht raakte.’ Roel stopt abrupt, Jos vindt natuurlijk dat ik bazel.
‘Ja,’ zegt zijn zoon. ‘Zo gaat dat.’ Hij pauzeert. ‘Bij mij ook.’ Wat lang in Roels gedachten na-ijlt.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie